Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200807510/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2008, nr. 1367666, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Roosendaal (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Majoppeveld".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807510/1/R2.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], wonend onderscheidenlijk gevestigd te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuincentrum Rozendael B.V. handelend onder de naam Groenrijk Roosendaal, gevestigd te Roosendaal,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2008, nr. 1367666, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Roosendaal (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Majoppeveld".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1a] en [appellante sub 1B] (hierna: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2008, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuincentrum Rozendael B.V. handelend onder de naam Groenrijk Roosendaal (hierna: Groenrijk) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2008, beroep ingesteld. Groenrijk heeft haar beroep aangevuld bij brieven van 15 oktober en 19 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

Groenrijk heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2009, waar [appellant sub 1] in de persoon van [appellant sub 1], bijgestaan door drs. M.C.L. Traas, in dienst bij het bedrijf, en Groenrijk, vertegenwoordigd door mr. R.G.A. Wouters, juridisch adviseur te Boekel, en het college, vertegenwoordigd door A.C.H.A. Tulkens, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan biedt een actueel juridisch-planologisch kader voor onder meer de bedrijventerreinen Majoppeveld-Noord en -Zuid te Roosendaal.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. Het beroep van [appellant sub 1], met zijn bedrijf gevestigd aan de [locatie] aan de noordzijde van Majoppeveld-Zuid, welk perceel de bestemming "Bedrijventerrein-2 (BT-2)" heeft met de aanduiding "autorecyclebedrijven (arb)", richt zich tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 2.3.5.5 van de planvoorschriften (hierna ook: het onderhavige planvoorschrift).

2.4. Artikel 2.3.5.5, onder a en b, gelezen in samenhang met artikel 2.3.4.1, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen voor de bouw van een bedrijfswoning. (..) Van deze vrijstellingsbevoegdheid mag uitsluitend gebruik worden gemaakt in het gebied "autorecyclebedrijven toegestaan". Deze vrijstellingsmogelijkheid vloeit voort uit afspraken die in de jaren negentig van de vorige eeuw zijn gemaakt in het kader van de afbouw van het voormalige woonwagencentrum Groenendaal.

2.5. Het college stelt zich op het standpunt dat de bouw van bedrijfswoningen in strijd is met de uitgangspunten van zuinig ruimtegebruik. Het acht de in het onderhavige planvoorschrift aangehaalde afspraken die hierover in het verleden zijn gemaakt, mede gelet op de inmiddels verstreken termijn en het sindsdien aangescherpte beleid met betrekking tot bedrijfswoningen, geen reden om in te stemmen met de mogelijkheid tot de bouw van een bedrijfswoning op de desbetreffende locatie. Op grond hiervan heeft het college goedkeuring onthouden aan artikel 2.3.5.5 van de planvoorschriften.

2.6. [appellant sub 1] voert aan dat, nu goedkeuring aan het onderhavige voorschrift is onthouden, ten onrechte geen rekening is gehouden met de afspraken uit het verleden.

2.7. Het college voert uit oogpunt van zuinig ruimtegebruik het beleid om oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen tegen te gaan en bedrijfswoningen op bedrijventerreinen te weren. Dit beleid is neergelegd in de Handleiding voor ruimtelijke plannen, Bedrijventerreinen, kantoren, voorzieningen en detailhandel, vastgesteld op 20 juli 2004.

Ter zitting is door het college verklaard dat aan dit beleid strikt de hand wordt gehouden en dat ook de bouw van alle eerder als zodanig bestemde bedrijfswoningen die nog niet zijn gerealiseerd, op basis van dit beleid wordt tegengegaan. Het in het bestreden besluit ingenomen standpunt tot onthouding van goedkeuring aan artikel 2.3.5.5 van de planvoorschriften past in het beleid.

Voorts is niet gebleken dat het college zich aan de door [appellant sub 1] bedoelde afspraken, die dateren van medio jaren negentig van de vorige eeuw en waarvan niet is gebleken dat deze schriftelijk zijn vastgelegd, heeft gecommitteerd. Van toezeggingen dan wel schriftelijke afspraken dat ondanks het sinds de jaren negentig aangescherpte beleid met betrekking tot bedrijfswoningen op bedrijventerreinen, aan [appellant sub 1] zou worden toegestaan op zijn perceel een bedrijfswoning op te richten, is evenmin gebleken.

Gelet op deze omstandigheden is het standpunt van het college dat de geruime tijd geleden gemaakte afspraken geen aanleiding waren om af te wijken van zijn beleid door in dit geval een bedrijfswoning op een bedrijventerrein toe te staan, niet onredelijk.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op het bestreden onderdeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het door [appellant sub 1] aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van Groenrijk

2.9. Groenrijk is gevestigd aan de Rucphensebaan 77 aan de oostzijde van Majoppeveld-Zuid. Het perceel is in dit plan bestemd als "Bedrijventerrein-1 (BT-1)" met de aanduiding "tuincentrum (tc)".

Het beroep van Groenrijk richt zich alleen tegen de goedkeuring van de begripsbepaling "tuincentrum" ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 69, van de planvoorschriften.

2.10. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 69, van de planvoorschriften wordt onder "tuincentrum" verstaan: detailhandel met een al dan niet geheel overdekt verkoopvloeroppervlak, waarop artikelen voor de inrichting en het onderhoud van particuliere tuinen en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen worden aangeboden.

2.11. Groenrijk wil binnen het tuincentrum tevens speelgoed kunnen verkopen dan wel de verkoop van speelgoed kunnen exploiteren. Het begrip "tuincentrum" is in haar ogen te branchebeperkend.

2.12. Groenrijk betoogt in dit verband dat het verkoopassortiment in de definitie en omschrijving van de aanduiding "tuincentrum (tc)" te veel afwijkt van de realiteit en de landelijke normering en daardoor in strijd is met de planologische werkelijkheid en landelijk breed gedragen beleidstrend inzake tuincentra. Hierbij wijst zij op de gemeentelijke detailhandelsnota en de door Tuinbranche Nederland opgestelde Structuurnota Tuincentra (hierna: de Structuurnota). Groenrijk betoogt dat zij moet worden gekarakteriseerd als "Tuincentrum Type IV", althans ten minste "Tuincentrum Type III", als bedoeld in de Structuurnota en dat derhalve de verkoop van speeltoestellen en tuingerelateerd speelgoed alsmede de verkoop van 20% branchevreemde producten aan haar moet worden toegestaan.

2.12.1. De Afdeling stelt vast dat de raad bij het vaststellen van het plan de classificatie-indeling als bedoeld in de Structuurnota, niet in het plan heeft opgenomen en de Structuurnota ook overigens niet als uitgangspunt heeft gehanteerd. Ditzelfde geldt voor de gemeentelijke detailhandelsnota.

De Afdeling overweegt dat, gelet op de systematiek van de WRO, de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Dit brengt met zich dat de raad niet verplicht is om een door de branche opgestelde nota, zoals de Structuurnota, ten grondslag te leggen aan het plan. De gemeentelijke detailhandelsnota staat de verkoop van speelgoed door tuincentra niet toe, nu hierin, voor zover van belang, wordt gesproken van "zwembaden/speeltoestellen". Op grond van deze omstandigheden slaagt deze beroepsgrond van Groenrijk niet.

2.13. Groenrijk betoogt verder dat met de op grond van het vorige plan aan haar ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling ten behoeve van de oprichting van het tuincentrum, uitdrukkelijk een opheffing van het detailhandelverbod is verleend, zodat de verkoop van speelgoed legitiem is en nu in redelijkheid niet kan worden beperkt.

2.13.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 8 augustus 2007 in zaak nr. 200608569/1, herhaald bij uitspraak van 24 oktober 2008 in zaak nrs. 200807073/1 en 200807073/2, heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal aan Groenrijk bij besluit van 20 december 2004 krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verleend, maar niet kan worden staande gehouden dat hiermee tevens vrijstelling is verleend voor de verkoop van speelgoed. Reeds hierom faalt het betoog van Groenrijk.

2.14. Groenrijk betoogt ten slotte dat de aan haar opgelegde beperkingen inzake het aan te bieden assortiment in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. In dit kader voert zij aan dat aan de bouwmarkten binnen het onderhavige plandeel met de aanduiding "woonboulevard (wb)" evenals aan een nabijgelegen Praxis vrijwel geen beperkingen zijn opgelegd ten aanzien van het te verkopen assortiment.

2.14.1. De Afdeling overweegt dat het door Groenrijk genoemde geval van de Praxisvestiging niet vergelijkbaar is met haar situatie, reeds omdat de Praxis niet de kenmerken heeft van een zelfstandige exploitatie van een (speelgoed)zaak binnen de vestiging.

Ten aanzien van de door Groenrijk gemaakte vergelijking met de bouwmarkten in haar directe omgeving, stelt de Afdeling vast dat deze de aanduiding "woonboulevard (wb)" hebben en in die zin niet op een lijn kunnen worden gesteld met het tuincentrum van Groenrijk. Voorts wordt met het plan beoogd detailhandel te concentreren op de woonboulevard, waar Groenrijk niet is gevestigd. In hetgeen Groenrijk heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door Groenrijk genoemde situaties niet overeenkomen met die van haar.

2.15. De conclusie is dat hetgeen Groenrijk heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan de begripsbepaling "tuincentrum", zoals opgenomen in artikel 1.1, aanhef en onder 69, van de planvoorschriften.

In het door Groenrijk aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Groenrijk is ongegrond.

2.16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broodman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

204-605.