Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4505

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200801117/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2008, nr. 2007-009390, heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (hierna: het college) een vergunning verleend aan het waterschap Rivierenland voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie E, nrs. 02610 en 02173.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 5
Ontgrondingenwet 10
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/103 met annotatie van De Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801117/1.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2008, nr. 2007-009390, heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (hierna: het college) een vergunning verleend aan het waterschap Rivierenland voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie E, nrs. 02610 en 02173.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 12 februari 2008, bij de Raad van State ingekomen op 13 februari 2008, beroep ingesteld.

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft het college het voornoemde besluit gewijzigd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2008, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door ing. G. Pieters, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, vertegenwoordigd door M.J.C.E. Cornelissen, ambtenaar in dienst van de gemeente.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling bij brieven van 17 december 2008 het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld mee te delen of de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen. Het college heeft hierop bij brief van 22 januari 2009 geantwoord. [appellant] heeft hierop bij brief van 9 februari 2009 een reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar [appellant] is verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, vertegenwoordigd door mr. M.C.J. Kasteel en M.J.C.E. Cornelissen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het college een ontgrondingsvergunning verleend voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Arnhem, sectie E, nrs. 02610 en 02173.

De vergunning voorziet in het ontgronden van de voornoemde percelen tot maximaal 4,1 meter diepte ten behoeve van de aanleg van een open watergang met een lengte van ongeveer 200 meter.

2.2. Naar aanleiding van het beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 januari 2008 heeft het college dit besluit bij besluit van 31 maart 2008 gewijzigd, in die zin dat hierin de door [appellant] tegen het ontwerp-besluit ingediende zienswijzen en een bespreking van die zienswijzen zijn opgenomen, de tenaamstelling van het besluit is gewijzigd en de benaming Veldbloemenstraat is gewijzigd in Veldbloemenlaan.

De Afdeling merkt dit besluit van 31 maart 2008 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu dit besluit niet op alle onderdelen tegemoet komt aan het beroep van [appellant] van 12 februari 2008, wordt dit beroep met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 31 maart 2008. Het beroepschrift van [appellant] van 9 mei 2008 merkt de Afdeling aan als aanvulling op het beroepschrift van 12 februari 2008.

2.3. [appellant] betoogt dat het college bij het besluit van 2 januari 2008 ten onrechte niet is ingegaan op zijn zienswijzen.

2.3.1. Het college heeft blijkens het besluit van 31 maart 2008 kennis genomen van de zienswijzen van [appellant] en deze inhoudelijk behandeld. Het betoog van [appellant] dat het college zijn belangen niet bij de besluitvorming heeft betrokken, slaagt dan ook niet. Het besluit van 31 maart 2008 komt in zoverre aan het beroep van [appellant] tegemoet.

2.4. Naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat bij besluit van 2 januari 2008 de ontgrondingsvergunning ten onrechte is verleend aan het waterschap Rivierenland terwijl de gemeente de aanvraag heeft ingediend, en ten onrechte wordt gesproken van Veldbloemenstraat in plaats van Veldbloemenlaan, stelt de Afdeling vast dat, zoals hiervoor is overwogen onder 2.2., het besluit van 2 januari 2008 op deze punten is gewijzigd bij besluit van 31 maart 2008. De tenaamstelling van de vergunning is op verzoek van het waterschap gewijzigd in die van de gemeente Arnhem. Voorts heeft het college de kennelijke verschrijving Veldbloemenstraat gewijzigd in Veldbloemenlaan. Het besluit van 31 maart 2008 komt ook in zoverre aan het beroep van [appellant] tegemoet, zodat [appellant] in zoverre geen belang meer heeft bij de beoordeling van het besluit van 2 januari 2008.

2.5. [appellant] brengt voorts naar voren dat de inspraakprocedure met betrekking tot het herinrichtingsplan van de wijk Malburgen ten tijde van de aanvraag van de vergunning nog niet was afgerond.

2.5.1. De Afdeling stelt voorop dat ten tijde van de inspraakprocedure met betrekking tot het herinrichtingsplan van de wijk Malburgen de onderhavige vergunning niet reeds was verleend. De enkele omstandigheid dat ten tijde van de aanvraag van de vergunning de inspraakprocedure nog niet was afgerond, brengt niet met zich dat het college reeds hierom de onderhavige vergunning diende te weigeren. De besluitvorming omtrent de verlening van de vergunning was toen immers nog niet afgerond.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de ontgrondingsvergunning ten onrechte op een voorlopig ontwerp van het herinrichtingsplan is gebaseerd.

2.6.1. De omstandigheid dat ten tijde van de verlening van de vergunning nog geen definitief ontwerp van het herinrichtingsplan ten aanzien van de ontwikkelingen in het gebied rondom de te ontgronden percelen was vastgesteld, brengt niet met zich dat de ontgrondingsvergunning niet kon worden verleend. In hetgeen [appellant] op dit punt naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de vergunning had moeten weigeren.

2.7. [appellant] betoogt dat geen noodzaak bestaat voor woningbouw op de in het herinrichtingsplan voorziene plaats. [appellant] stelt voor de woningbouw op een alternatieve locatie te laten plaatsvinden, zodat de watergang ondergronds kan worden aangelegd en derhalve geen noodzaak bestaat tot het verlenen van de onderhavige ontgrondingsvergunning. Voorts wijst hij op de visie met betrekking tot het winkelcentrum de Drieslag. [appellant] brengt in dit verband naar voren dat in deze visie een groot deel van het winkelcentrum buiten beschouwing is gelaten en dat het gemeentebestuur geen geld wil uittrekken voor het opknappen van het winkelcentrum.

2.7.1. Het college heeft geen aanleiding gezien de vergunning op deze grond te weigeren.

2.7.2. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure de verlening van de ontgrondingsvergunning voor de watergang centraal staat. De aanleg van deze watergang houdt verband met de herontwikkeling van het gebied Malburgen. De door [appellant] aangedragen bezwaren ten aanzien van de voorziene woningbouw en het winkelcentrum de Drieslag hebben betrekking op buiten de ontgronding gelegen percelen en kunnen aan de orde komen in het kader van een bestemmingsplanprocedure. Gelet hierop kunnen deze bezwaren niet worden aangemerkt als bij de ontgronding betrokken belangen.

2.7.3. Voorts staat bij het besluit omtrent verlening van een ontgrondingsvergunning de aanvraag om vergunning centraal, niet eventuele alternatieven voor deze aanvraag. Het college is gehouden op basis van de aanvraag, zoals deze bij hem is ingediend, te beoordelen of de vergunning na afweging van alle betrokken belangen kan worden verleend en welke voorschriften daaraan moeten worden verbonden. In deze procedure staat dan ook slechts de vraag ter beoordeling of het college de vergunning zoals aangevraagd, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Gelet op hetgeen in het vorenstaande is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het college in de door [appellant] op dit punt naar voren gebrachte bezwaren in redelijkheid geen reden behoefde te zien de vergunning te weigeren.

2.8. [appellant] vreest voorts dat de watergang als dumpplaats voor onder meer fietsen, autobanden en accu's zal worden gebruikt.

2.8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de vrees van [appellant] betrekking heeft op toekomstverwachtingen die niet kunnen worden beschouwd als bij de ontgronding betrokken belangen. Het college heeft derhalve geen aanleiding gezien de vergunning op deze grond te weigeren.

2.8.2. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat de vrees van [appellant] omtrent het gebruik van de aan te leggen watergang als dumpplaats geen betrekking heeft op de ontgronding zelf, maar op het gebruik dat van de percelen zal worden gemaakt na afloop van de ontgronding. Nu de wijze waarop de desbetreffende percelen kunnen worden gebruikt niet wordt geregeld in een ontgrondingsvergunning maar in een bestemmingsplan, gaat het hier om een planologisch bezwaar, waarin het college in deze procedure geen aanleiding behoefde te zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Bedoeld bezwaar kan in een bestemmingsplanprocedure aan de orde komen.

2.9. [appellant] brengt voorts naar voren dat de Veldbloemenlaan als gevolg van de ontgronding aanzienlijk zal worden versmald. Voorts voert hij aan dat de watergang ten koste zal gaan van de openbare groene ruimte. In dit verband vreest hij voor de kap van beeldbepalende bomen in de Veldbloemenlaan.

2.9.1. Het college heeft geen aanleiding gezien de vergunning op deze grond te weigeren.

2.9.2. Blijkens de kaart van het herinrichtingsplan zal de watergang evenwijdig aan de Veldbloemenlaan worden aangelegd. Om de aanleg van de watergang mogelijk te maken, zal de Veldbloemenlaan moeten worden versmald. Voorts zal ten behoeve van de aanleg van de watergang een gedeelte van het grasveld aan de Veldbloemenlaan worden vergraven. De watergang zal ongeveer twee en een halve meter breed en ongeveer 200 meter lang worden. De Veldbloemenlaan is een straat in een woonbuurt met een beperkte verkeersintensiteit. Deze weg zal toegankelijk blijven voor autoverkeer. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college aan de omstandigheid dat de Veldbloemenlaan zal worden versmald desondanks doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college in de vrees van [appellant] voor het verloren gaan van openbare groene ruimte reden diende te zien de vergunning te weigeren. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat deze aspecten in een bestemmingsplanprocedure aan de orde kunnen komen.

Ten aanzien van de vrees van [appellant] voor het kappen van bomen teneinde de aanleg van de watergang mogelijk te maken, overweegt de Afdeling dat bezwaren met betrekking tot de kap van bomen in de procedure met betrekking tot de kapvergunning naar voren kunnen worden gebracht. Overigens is ter zitting aan de orde gekomen dat voor de bomen die ten behoeve van de watergang zullen worden gekapt inmiddels een kapvergunning is verleend en dat een verzoek om voorlopige voorziening inzake deze kapvergunning voor wat betreft de Veldbloemenlaan is afgewezen. Gelet op de procedure met betrekking tot de kapvergunning behoefde het college in de onderhavige procedure geen aanleiding te zien de vergunning te weigeren.

2.10. [appellant] voert voorts aan dat onduidelijk is of door het vergraven van de watergang de grondwaterstroming in het gebied zal veranderen en in hoeverre bodemverontreiniging zich ten gevolge van de ontgronding zal gaan verplaatsen. Verder vreest hij dat vervuild water door de watergang zal stromen.

2.10.1. Het college brengt naar voren dat een bodemonderzoek is uitgevoerd en dat het geen aanleiding heeft gezien de vergunning op deze grond te weigeren.

2.10.2. Blijkens het bestreden besluit is voor het gehele gebied Malburgen een bodemonderzoek uitgevoerd. Volgens dit onderzoek komt ter plaatse van de te ontgronden percelen geen ernstige bodemverontreiniging voor. Voorts zal de ontgraving gezien de beperkte omvang van de watergang geen invloed hebben op de grondwaterstromen, aldus het college. Daarnaast wordt in de watergang een afdichtende harde kleilaag aangebracht om te voorkomen dat de slootbodem zal openbarsten. Bij brief van 25 juli 2007 heeft het waterschap Rivierenland te kennen gegeven geen bezwaren te zien tegen het verlenen van de onderhavige ontgrondingsvergunning. Gelet op het voorgaande heeft het college in hetgeen [appellant] op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding behoeven te zien om de onderhavige vergunning te weigeren. Voorts heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het water dat door de watergang zal stromen dusdanig vervuild zal zijn dat het college daarin reden had moeten zien om de vergunning te weigeren.

2.11. [appellant] betoogt daarnaast dat aanleg van de watergang een toename van autoverkeer langs zijn woning aan het Sint Gangulphusplein tot gevolg zal hebben. In dit verband voert hij aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van deze verkeerstoename voor de luchtkwaliteit en geluidsoverlast.

2.11.1. Ter zitting is namens de raad verklaard dat de Veldbloemenlaan na de aanleg van de watergang beschikbaar zal blijven voor beide rijbanen. Derhalve zijn als gevolg van de aanleg van de watergang geen verkeerseffecten te verwachten ter plaatse van het Sint Gangulphusplein, aldus de raad. In hetgeen [appellant] naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat desondanks onderzoek had moeten worden verricht naar de gevolgen van de aanleg van de watergang voor de luchtkwaliteit en geluidoverlast ter plaatse van het Sint Gangulphusplein.

2.12. [appellant] vreest voorts voor schade aan omliggende bebouwing als gevolg van zetting door aanleg van de watergang.

2.12.1. Het college heeft geen aanleiding gezien de vergunning op deze grond te weigeren.

2.12.2. Ingevolge voorschrift 3 bij de ontgrondingsvergunning mag geen ontgronding dieper plaatsvinden dan de in de profielen aangegeven talud- en bodemlijnen. Blijkens deze profielen is de maximale diepte van de ontgronding 4,1 meter. Voorts zal de watergang ongeveer 200 meter lang worden. Ingevolge voorschrift 4 van de onderhavige vergunning dient de vergunninghouder voor aanvang van de ontgronding de insteek van de ontgronding in het terrein met voldoende deugdelijke palen uit te zetten en gedurende de ontgronding in stand te houden. Daarnaast heeft de raad ter zitting verklaard dat onderzoek is verricht naar de kans op zettingschade aan de omliggende woningen. Met betrekking tot deze woningen is de zogenaamde nulsituatie vastgesteld en zal tijdens het ontgraven monitoring plaatsvinden, aldus de raad. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kans op zetting desondanks zodanig is dat het college hieraan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

2.13. [appellant] betoogt dat het college niet had mogen overgaan tot het verlenen van de vergunning nu de watergang ten behoeve waarvan de vergunning is verleend in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

2.13.1. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van planologische belemmeringen en heeft derhalve geen aanleiding gezien de vergunning op deze grond te weigeren.

2.13.2. Ingevolge artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet, zoals die gold ten tijde van het nemen van het besluit van 2 januari 2008 en voor zover hier van belang, wordt een vergunning niet verleend indien de beoogde ontgronding in strijd is met een bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan of een geldend voorbereidingsbesluit ter zake, tenzij het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente heeft meegedeeld dat de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders planologische medewerking zal verlenen.

2.13.3. Blijkens de plankaart bij het bestemmingsplan "Malburgen-Midden" is aan de gronden ten behoeve waarvan de ontgrondingsvergunning is verleend de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 2.1 van de planvoorschriften bij dit plan, voor zover hier van belang, zijn de als "Woondoeleinden" aangegeven gronden bestemd voor wonen, groen- en speelvoorzieningen, buurtwegen, woonstraten en andere voorzieningen ten behoeve van het verkeer, en verblijfsgebieden. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de in dit plan begrepen gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming. De vergunde watergang is derhalve in strijd met het geldende bestemmingsplan. Voorts is de Afdeling niet gebleken dat ten tijde van het nemen van het besluit van 2 januari 2008 een wijziging van het bestemmingsplan "Malburgen-Midden" in procedure was gebracht, dan wel dat was meegedeeld dat de gemeenteraad van Arnhem onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders planologische medewerking zou verlenen aan de aanleg van de watergang. Gelet op het voorgaande is het besluit van 2 januari 2008 in strijd met artikel 10, zevende lid, van de Ontgrondingenwet. Aan het besluit van 31 maart 2008 kleeft hetzelfde gebrek, hetgeen, in verband met de vernummering van de artikelleden in de met ingang van 1 februari 2008 gewijzigde Ontgrondingenwet, betekent dat dit besluit in strijd is met artikel 10, zesde lid, van de Ontgrondingenwet. Dit betoog van [appellant] slaagt.

2.13.4. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college bij brief van 22 januari 2009 de Afdeling meegedeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Arnhem heeft geconcludeerd dat het gebruik van de gronden voor de aanleg van een watergang strijdig is met de aldaar geldende bestemming en dat het planologische medewerking zal verlenen door het bestemmingsplan "Malburgen-Midden" partieel te herzien. Een brief met deze strekking van het college van burgemeester en wethouders van 14 januari 2009 is door het college bijgevoegd. Blijkens beide brieven zal het ontwerp van de partiële herziening in het begin van het tweede kwartaal van 2009 ter inzage worden gelegd.

2.13.5. In reactie op de brief van het college heeft [appellant] naar voren gebracht, samengevat weergegeven, dat de ondertekening van de brief van 14 januari 2009 onjuist is, nu deze is ondertekend door een ambtenaar namens het college van burgemeester en wethouders waarbij onduidelijk is om welk college van burgemeester en wethouders het gaat, dat onduidelijk is welke bestemming de gronden krijgen en wat de grens is van de partiële herziening en dat de brief geen garantie biedt dat, ook door de raad, planologische medewerking zal worden verleend.

2.13.6. Ingevolge artikel 10, zesde lid, van de Ontgrondingenwet, zoals dit thans geldt en voor zover hier van belang, wordt een vergunning niet verleend indien de beoogde ontgronding in strijd is met een ruimtelijk besluit, tenzij die strijd naar verwachting zal worden opgeheven.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Ontgrondingenwet deelt het college van burgemeester en wethouders van ieder van de gemeenten op het gebied waarvan de aanvrage om vergunning betrekking heeft, aan het ingevolge artikel 8 bevoegde gezag binnen acht weken nadat het verzoek daartoe is ingekomen, mee of de beoogde ontgronding in overeenstemming is met het bestemmingsplan, een ter inzage gelegd ontwerp hiervoor, een voorbereidingsbesluit ter zake of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, en deelt, zo zulks niet het geval is, mee of de raad onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders bereid is aan de ontgronding planologische medewerking te verlenen.

2.13.7. Gelet op de brief van het college van 22 januari 2009 in samenhang met de brief van 14 januari 2009 van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, waarmee blijkens de aanhef wordt beoogd het gemeentelijk standpunt weer te geven, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat thans nog sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 10, zesde lid, van de Ontgrondingenwet, zoals hiervoor weergegeven onder 2.13.6. Voor zover [appellant] aanvoert dat met de toezegging van planologische medewerking de ontgronding nog niet is neergelegd in een onherroepelijk bestemmingsplan en hiermee evenmin de details van de partiële herziening bekend zijn, overweegt de Afdeling dat de Ontgrondingenwet dergelijke vereisten niet stelt. Anders dan [appellant] naar voren brengt, ziet de Afdeling in de enkele omstandigheid dat in de ondertekening van de brief van 14 januari 2009 niet nogmaals de gemeente Arnhem wordt genoemd, geen aanleiding te veronderstellen dat de brief niet afkomstig is van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem. Voorts is de ondertekenaar van de brief, als hoofd van de afdeling Ruimtelijk Juridische Zaken, op grond van het Uitvoeringsbesluit mandaat, volmacht en machtiging Dienst Stadsbeheer 2008-II van de directeur van de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Arnhem bevoegd het college van burgemeester en wethouders van die gemeente te vertegenwoordigen en namens dat college op te treden.

2.14. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.13.3. zijn de besluiten van het college van 2 januari en 31 maart 2008 genomen in strijd met artikel 10, zevende, respectievelijk zesde lid, van de Ontgrondingenwet, zoals deze destijds luidde. Het beroep is gegrond en deze besluiten dienen wegens strijd met dit artikel te worden vernietigd. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen onder 2.13.7. is overwogen en in aanmerking genomen dat de overige beroepsgronden, zoals hiervoor overwogen, geen doel treffen, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven.

2.15. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 2 januari 2008 en 31 maart 2008, kenmerk 2007-009390;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 68,77 (zegge: achtenzestig euro en zevenenzeventig cent); het dient door de provincie Gelderland aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broodman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

204-575.