Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200708171/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2007, kenmerk 2007/0567552, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haaksbergen (hierna: de raad) bij besluit van 21 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Industrie-West 2003".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708171/1/R1.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,

5. [appellanten sub 5], wonend te Haaksbergen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2007, kenmerk 2007/0567552, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haaksbergen (hierna: de raad) bij besluit van 21 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Industrie-West 2003".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2007, [appellante sub 2] bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2008, het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2008, en [appellanten sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brieven van 20 december 2007 en 10 januari 2008. [appellante sub 2] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 25 januari 2008.

[belanghebbende] en de raad hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 3], [appellante sub 2], [appellanten sub 5], het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 1] en anderen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2009, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.S. van den Berg, advocaat te Apeldoorn, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, [appellant sub 3], in persoon, het college van burgemeester en wethouders en de raad, vertegenwoordigd door J. Deunk, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J.C. van Nie, advocaat te Enschede.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Bij brief van 5 november 2008 heeft de vertegenwoordiger van [appellant sub 1] en anderen een lijst overgelegd van personen door wie zij is gemachtigd op te treden. In deze lijst zijn onder meer opgenomen [appellant sub 1 A], wonende aan de [locatie 1], [appellant sub 1 B], wonende aan de [locatie 2] en [appellante sub 1 C], wonende aan de [locatie 3]. Deze personen hebben geen beroep ingesteld binnen de beroepstermijn. Voor zover de vermelding van hun namen op de voornoemde lijst aldus moet worden begrepen dat daarmee alsnog door hen beroep wordt ingesteld, zijn deze beroepen niet tijdig ingesteld en derhalve niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Bij brief van 29 november 2007 is de vertegenwoordiger van [appellant sub 1] en anderen verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Daartoe is de vertegenwoordiger tot en met 2 januari 2008 in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien de gestelde vertegenwoordiging niet binnen de gestelde termijn wordt aangetoond, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Ten aanzien van [appellante sub 1 D], namens wie het beroep van [appellant sub 1] en anderen mede is ingesteld, zijn geen machtiging of andere stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de vertegenwoordiger in verzuim is geweest. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is derhalve niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellante sub 1 D].

2.3. [appellanten sub 1 E], [appellant sub 1 F], [appellant sub 1 G], [appellant sub 1 H], [appellant sub 1 I] en [appellant sub 3] hebben geen zienswijzen over het ontwerp bij de raad naar voren gebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Awb, kan tegen het goedkeuringsbesluit van het college uitsluitend beroep worden ingesteld door de belanghebbende die over het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Van deze laatste omstandigheid is niet gebleken.

Het plan is, voor zover van belang in het licht van het beroep van [appellant sub 1] en anderen, gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerp in die zin dat de aanduidingen "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)", "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" en "functiescheidingslijn" op blad 1 van de plankaart zijn toegevoegd. Voorts is de aanduiding "grens van het plan" als binnengrens van de geluidszone op blad 2 van de plankaart opgenomen. Daarnaast is in artikel 5, lid C, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften een vrijstellingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen ten behoeve van de vermindering van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens als bedoeld in artikel 5, lid B, aanhef en onder 1, sub e, van de planvoorschriften. Voor zover het beroep van [appellant sub 1] en anderen is ingesteld door [appellanten sub 1 E], [appellant sub 1 F], [appellant sub 1 G], [appellant sub 1 H] en [appellant sub 1 I] en het is gericht tegen de goedkeuring van andere dan de voornoemde gewijzigd vastgestelde planonderdelen, is het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk.

Het plan is, voor zover van belang in het licht van het beroep van [appellant sub 3], gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerp in die zin dat de aanduiding "zendmast toegestaan (*)" op de plankaart is toegevoegd en de voornoemde vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van de vermindering van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens in de planvoorschriften is opgenomen. Het beroep van [appellant sub 3] is niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van andere dan deze gewijzigd vastgestelde planonderdelen. De desbetreffende bedenkingen tegen het plan heeft het college daarom terecht buiten beschouwing gelaten.

2.4. [appellant sub 1 J] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan bij de raad naar voren gebracht noch bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij het college.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan tegen het goedkeuringsbesluit van het college uitsluitend beroep worden ingesteld door de belanghebbende die tijdig over het ontwerpplan een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht en voorts tijdig tegen het vastgestelde plan bedenkingen bij het college heeft ingebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht en niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Niet is gebleken dat deze omstandigheid zich hier voordoet. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 1 J].

2.5. [appellant sub 1 K] heeft geen bedenkingen tegen het vastgestelde plan ingebracht bij het college.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan tegen het goedkeuringsbesluit van het college uitsluitend beroep worden ingesteld door de belanghebbende die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Niet is gebleken dat deze omstandigheid zich hier voordoet. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant sub 1 K].

2.6. [belanghebbende] betoogt dat de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 5] met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" betreffende het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie 4] niet-ontvankelijk zijn, nu zij dienaangaande geen zienswijze over het ontwerp naar voren hebben gebracht. Dit betoog faalt.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan tegen het goedkeuringsbesluit van het college uitsluitend beroep worden ingesteld door de belanghebbende die over het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

De zienswijzen van [appellant sub 1] en anderen hadden betrekking op het gehele ontwerpplan. De beroepsgronden met betrekking tot de plandelen betreffende de gronden van [belanghebbende] vinden dan ook hun grondslag in de zienswijzen die [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 5] over het ontwerp naar voren hebben gebracht.

Het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" betreffende het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie 4] is gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerp in die zin dat de aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)" op de plankaart is toegevoegd. Dat hun zienswijze over het ontwerpplan niet was gericht tegen dit planonderdeel, leidt derhalve niet tot het oordeel dat hun beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.7. [belanghebbende] betoogt voorts dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover het beroep is ingesteld door [appellanten sub 1 L] en is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)" betreffende het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie 4]. Volgens [belanghebbende] zijn [appellanten sub 1 L] geen belanghebbenden bij het bestreden besluit, gezien de afstand van ongeveer 450 meter van hun woningen tot de gronden van het bestreden plandeel.

Dit betoog treft geen doel. [appellanten sub 1 L] wonen aan de [locaties 5]. Deze woningen zijn gelegen binnen de rondom het industrieterrein vastgestelde geluidszone in de zin van artikel 40 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Reeds hierom worden de belangen van [appellanten sub 1 L] geacht rechtstreeks bij het bestreden besluit te zijn betrokken.

2.8. Ter zitting heeft [belanghebbende] betoogd dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen eveneens niet-ontvankelijk is, voor zover het is gericht tegen de in het plan vastgestelde geluidszone in de zin van artikel 40 van de Wgh, nu [appellant sub 1] en anderen dienaangaande geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren hebben gebracht. Dit betoog mist feitelijke grondslag.

Het plan

2.9. Het plan voorziet in een actualisering van de bestemmingsplannen voor de bestaande industrieterreinen Brammelo, West, 't Vark en Oost ten zuidwesten van de kern Haaksbergen en in de gewijzigde vaststelling van de geluidszone rondom deze terreinen als bedoeld in artikel 40 van de Wgh. Het plan is hoofdzakelijk conserverend van aard.

Toetsingskader

2.10. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Procedurele aspecten

2.11. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het college andere bladen van de plankaart heeft goedgekeurd dan de bladen die ter inzage hebben gelegen bij het vastgestelde plan.

2.11.1. Ter zitting heeft de raad de bladen van de plankaart met de plotdata 4 april 2007 en 5 april 2007 overgelegd, die volgens [appellant sub 1] en anderen bij het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen. Niet is gebleken dat deze bladen van de plankaart verschillen van de bladen met de plotdatum 16 maart 2007, die door het college zijn goedgekeurd en bij het goedgekeurde plan ter inzage hebben gelegen. Derhalve stelt de Afdeling vast dat het college het bestemmingsplan heeft goedgekeurd zoals dit door de raad is vastgesteld bij besluit van 21 maart 2007. Het betoog faalt.

2.12. [appellant sub 1] en anderen stellen dat in de publicatie met betrekking tot de terinzagelegging van het vastgestelde plan ten onrechte niet is vermeld dat aan de plantoelichting een paragraaf over de luchtkwaliteit is toegevoegd.

2.12.1. Ingevolge artikel 26 van de WRO is artikel 23, eerste lid, onder a, van de WRO van overeenkomstige toepassing bij de terinzagelegging van het vastgestelde plan. Uit artikel 23, eerste lid, onder a, van de WRO, bezien in samenhang met artikel 3:12 van de Awb, volgt dat in de openbare kennisgeving voorafgaand aan de terinzagelegging kan worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud van het bestemmingsplan. Nu uit artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 volgt dat de plantoelichting geen onderdeel uitmaakt van het plan en dat daaraan derhalve geen bindende betekenis toekomt, behoefde in de publicatie met betrekking tot het vastgestelde plan geen melding te worden gemaakt van de toevoeging van de paragraaf over luchtkwaliteit aan de plantoelichting. Dit betoog faalt derhalve.

2.13. [appellant sub 3] betoogt dat hij ten onrechte niet door het college is gehoord over de door hem tegen het plan ingebrachte bedenkingen.

2.13.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Daarmee is de in artikel 27 van de WRO opgenomen verplichting om degenen die overeenkomstig dat artikel tijdig bedenkingen tegen het plan hebben ingebracht, in de gelegenheid te stellen een nadere mondelinge toelichting te geven, met ingang van 1 juli 2005 vervallen. Uit de WRO volgde mitsdien niet de verplichting voor het college om [appellant sub 3] te horen over de door hem tegen het plan ingebrachte bedenkingen. Voorts heeft [appellant sub 3] geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college hem uit het oogpunt van zorgvuldigheid in de gelegenheid had behoren te stellen een mondelinge toelichting te geven. Dit betoog treft derhalve geen doel.

Plangrens

2.14. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college heeft miskend dat in het plan ten onrechte burgerwoningen zijn opgenomen die geen onderdeel uitmaken van het industrieterrein.

2.14.1. Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de percelen van de als zodanig bestemde burgerwoningen aan de zuidelijke rand van de industrieterreinen 't Vark en West grenzen en dat deze burgerwoningen ook als zodanig waren opgenomen in de voorheen geldende bestemmingsplannen "'t Vark" en "Industrie-West".

Luchtkwaliteit

2.15. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college heeft miskend dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit.

2.15.1. Het college stelt dat het plan niet voorziet in uitbreiding van het industrieterrein of in nieuwe ontwikkelingen op het bestaande terrein, zodat het plan niet of nauwelijks gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit.

2.15.2. Blijkens de plantoelichting is ten behoeve van het plan gebruik gemaakt van een overkoepelend onderzoek naar de luchtkwaliteit van de provincie Overijssel uit 2005. Daaruit is gebleken dat uitsluitend aan de Hengelosestraat in Haaksbergen, buiten het plangebied en de directe omgeving daarvan gelegen, overschrijdingen van de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) en de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) plaatsvinden. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet bestreden. Gelet hierop ligt de vraag voor of het college op goede gronden met de raad heeft kunnen stellen dat het plan geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit, zodat met het raadplegen van het vorenbedoelde onderzoek mocht worden volstaan. Dienaangaande overweegt de Afdeling het volgende.

2.15.3. In het plan zijn niet méér gronden voor bedrijfsdoeleinden aangewezen dan in de voorheen geldende bestemmingsplannen voor het plangebied. Voorts kan uit het deskundigenbericht worden afgeleid dat het plan per saldo niet voorziet in een verzwaring van de typen toegelaten bedrijven ten opzichte van de vorige plannen, zodat ook in zoverre geen sprake is van een nieuwe ontwikkeling. Gelet hierop moet redelijkerwijs uitgesloten worden geacht dat als gevolg van het plan een verslechtering van de luchtkwaliteit zal optreden. Onder deze omstandigheden behoefde geen onderzoek te worden verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. Dit betoog faalt derhalve.

Het afvalsorteerbedrijf, het kunststofverwerkend bedrijf en de kabelfabriek

2.16. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" op de plankaart en aan de zinsnede "een afvalsorteerbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'afvalsorteerbedrijf toegestaan'" in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Het college acht het op zichzelf aanvaardbaar dat het ter plaatse bestaande afvalsorteerbedrijf als zodanig wordt bestemd, maar stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet nader zijn begrensd in de planvoorschriften. Gelet hierop maakt het plan het sorteren van soorten afval zoals meststoffen en radioactief afval mogelijk. In dit licht heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat de afstand van 100 meter van het bedrijf tot de dichtstbijzijnde burgerwoning vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, aldus het college.

2.16.1. [appellante sub 2] en het college van burgemeester en wethouders betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" op de plankaart en aan de zinsnede "een afvalsorteerbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'afvalsorteerbedrijf toegestaan'" in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften.

2.16.1.1. [appellante sub 2] betoogt dat de voorschriften in de thans geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer voldoende waarborgen bieden voor het voorkomen van hinder voor omwonenden. De door het college gewenste beperking van de bedrijfsactiviteiten in het plan is volgens haar daarom niet noodzakelijk. Voorts is zij niet voornemens de door het college gevreesde bedrijfsactiviteiten uit te oefenen. Ten slotte voert zij aan dat het bestreden besluit in de weg staat aan uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten en in zoverre leidt tot onevenredig nadeel voor [appellante sub 2].

2.16.1.2. Het college van burgemeester en wethouders voert aan dat het afvalsorteerbedrijf, gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten en de invloed daarvan op de omgeving, geen onverantwoorde milieubelasting veroorzaakt. Het acht een beperking van de bedrijfsactiviteiten in het plan onnodig, ongebruikelijk en voorts nadelig voor de bestaande bedrijfsvoering van [appellante sub 2]. Een dergelijke beperking dient volgens het college van burgemeester en wethouders te worden opgenomen in de vergunning krachtens de Wet milieubeheer.

Voorts voert het college van burgemeester en wethouders aan dat in het plan een zonering voor de toegelaten categorieën van bedrijfsactiviteiten is opgenomen, zodat geen ruimtelijk ongewenste bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden. Mitsdien is de verwerking van mest of radioactief afval op basis van het plan niet toegelaten. Indien een ander bedrijf zich ter plaatse zou willen vestigen, mag dit op basis van deze zonering uitsluitend een bedrijf betreffen in categorie 4 van de Lijst van bedrijven met een bijbehorende aan te houden afstand van ten hoogste 200 meter tot een rustige woonwijk. Derhalve kunnen zich ter plaatse uitsluitend bedrijven vestigen die geen ernstige milieubelasting veroorzaken, aldus het college van burgemeester en wethouders.

2.16.2. Ingevolge artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)", bestemd voor ambachtelijke, groothandels- en/of nijverheidsbedrijven, met dien verstande dat deze gronden, in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde onder a, b, c en d, tevens zijn bestemd voor een afvalsorteerbedrijf ter plaatse van de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)". Het begrip "afvalsorteerbedrijf" is niet omschreven in de planvoorschriften. Dat in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) niet steeds een specifieke omschrijving is gegeven van de daarin opgenomen bedrijfsactiviteiten, zoals het college van burgemeester en wethouders ook heeft aangevoerd, doet er niet aan af dat het onder omstandigheden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk kan zijn in het bestemmingsplan een beperking van de bedrijfsactiviteiten op te nemen. In het voorliggende geval is de aard van het te sorteren of te verwerken afval in die zin ruimtelijk relevant dat dit in aanzienlijk uiteenlopende mate hinder en risico voor omwonenden met zich brengt. In verband hiermee worden in de VNG-brochure verschillende aan te houden afstanden tot bepaalde omgevingstypen aanbevolen, variërend van 30 tot 1500 meter. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid noodzakelijk kunnen achten dat aan het afvalsorteerbedrijf in de planvoorschriften beperkingen in de bedrijfsvoering hadden moeten worden opgelegd, te meer nu de kortste afstand van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" tot een rustige woonwijk als bedoeld in de VNG-brochure, ongeveer 100 meter bedraagt. Voorts is de door het college van burgemeester en wethouders bedoelde zonering niet van toepassing naast de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)". Blijkens het bepaalde in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften prevaleert de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" immers boven de zonering zoals neergelegd in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder a tot en met d, van de planvoorschriften.

2.16.3. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2] en het college van burgemeester en wethouders hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellante sub 2] en het college van burgemeester en wethouders zijn derhalve ongegrond.

2.17. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 5] betogen dat het college heeft miskend dat het plan ook wat betreft de aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)" in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Met deze aanduiding voorziet het plan in een verzwaring van de toegelaten bedrijfsactiviteiten ter plaatse, terwijl wordt afgeweken van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 200 meter tot omliggende woningen. [appellant sub 1] en anderen voeren hierbij aan dat in de planvoorschriften niet is bepaald welke bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. [appellanten sub 5] voeren aan dat hun woning [locatie 6] op ongeveer 70 meter afstand is gelegen van het bedrijf.

[appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 5] betogen voorts dat de aanduidingen "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)" en "kabelfabriek toegestaan (kf)" in strijd zijn met de rechtszekerheid. Zij wijzen erop dat bij de gronden met deze aanduidingen geen functiescheidingslijnen op de plankaart zijn aangegeven. Volgens hen is daardoor onduidelijk op welke gronden deze aanduidingen betrekking hebben. Volgens [appellanten sub 5] kan uit het plan niet worden afgeleid of de aanduiding ook ziet op de gronden van [belanghebbende] aan [locatie 7] en de [locatie 8].

2.17.1. Het college acht ten eerste van belang dat de aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)" betrekking heeft op een bestaand bedrijf. Voorts heeft het bij zijn besluit betrokken dat de milieubelasting van het bedrijf en de effecten ervan op de omgeving afdoende zijn bezien in het kader van de desbetreffende vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Gelet hierop acht het college de bestemming voor dit bedrijf vanuit ruimtelijk en milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar.

2.17.2. Ingevolge artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)", bestemd voor ambachtelijke, groothandels- en/of nijverheidsbedrijven, met dien verstande dat deze gronden, in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde onder a, b, c en d, tevens zijn bestemd voor een kunststofverwerkend bedrijf ter plaatse van de aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)". Het begrip "kunststofverwerkend bedrijf" is niet omschreven in de planvoorschriften. Blijkens de VNG-brochure is voor de ruimtelijke uitstraling van een kunststofverwerkend bedrijf van belang of hierbij fenolharsen worden toegepast. In dat geval dient de aanbevolen afstand van 200 meter tot een rustige woonwijk met één afstandsstap te worden verhoogd tot 300 meter. De grootste afstand wordt aanbevolen in verband met te verwachten geurhinder. In het geval van een kunststofverwerkend bedrijf bestaan derhalve niet zodanig verschillende bedrijfsactiviteiten dat deze in aanzienlijk uiteenlopende mate hinder en risico met zich kunnen brengen. Voorts is dit bedrijf gelegen op een afstand van ten minste 700 meter van een rustige woonwijk als bedoeld in de VNG-brochure. Onder deze omstandigheden heeft het college in redelijkheid niet noodzakelijk kunnen achten dat aan het kunststofverwerkende bedrijf in de planvoorschriften nadere beperkingen in de bedrijfsvoering worden opgelegd. Het betoog faalt in zoverre.

Dat op een afstand van ongeveer 70 meter van het kunststofverwerkende bedrijf de woning van [appellanten sub 5] is gelegen, leidt voorts niet tot het oordeel dat het college heeft miskend dat het plandeel met de aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)" daarom in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De in de VNG-brochure bedoelde afstanden worden immers aanbevolen voor nieuwe situaties en ten opzichte van een rustige woonwijk. In dit geval is echter sprake van een solitair gelegen woning, betreft de aanwezigheid van enkele woningen in de nabijheid van het industrieterrein een reeds lang bestaande situatie en is het plan hoofdzakelijk conserverend van aard. Ook in zoverre faalt het betoog derhalve.

2.17.3. Voor zover het vorenbedoelde betoog van [appellant sub 1] en anderen ook ziet op de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" en de zinsnede "een afvalsorteerbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'afvalsorteerbedrijf toegestaan'" in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, en hun beroep in zoverre is gericht tegen de motivering van de onthouding van goedkeuring aan deze plandelen, overweegt de Afdeling het volgende.

Door de onthouding van goedkeuring aan de voornoemde plandelen, waartegen de beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen onder meer zijn gericht, is in zoverre aan hun beroepsgronden tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf, maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het zogenoemde artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Vaststaat dat het gemeentebestuur vóór 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor het plandeel waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld. De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan. Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen tegen de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" en de zinsnede "een afvalsorteerbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'afvalsorteerbedrijf toegestaan'" in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro dat in die plandelen voorziet. Hun beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.17.4. De aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)" is opgenomen bij het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" dat betrekking heeft op de gronden van [belanghebbende] aan de [locatie 4]. De gronden van [belanghebbende] aan [locatie 7] en de [locatie 8] betreffen afzonderlijke plandelen waarbij niet tevens deze aanduiding is opgenomen. Hieruit volgt reeds dat uitsluitend op de gronden aan de [locatie 4] de verwerking van kunststof is toegelaten. Het opnemen van een functiescheidingslijn bij de aanduiding "kunststofverwerkend bedrijf (kv)" op de plankaart was derhalve uit het oogpunt van rechtszekerheid niet noodzakelijk.

Binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" betreffende de gronden tussen de Nijverheidsstraat, Albert Cuyplaan, Spinnerstraat en Industriestraat is vier maal de aanduiding "kabelfabriek toegestaan (kf)" opgenomen op de plankaart. Daarbij is niet tevens een functiescheidingslijn opgenomen. Hieruit volgt dat de aanduidingen betrekking hebben op alle gronden binnen dit plandeel. Ter zitting is gebleken dat deze gronden ook alle worden gebruikt door de kabelfabriek en dat met het plan is beoogd het bestaande gebruik ter plaatse als zodanig te bestemmen. Ook hier was het opnemen van een functiescheidingslijn bij de aanduiding "kabelfabriek toegestaan (kf)" derhalve niet noodzakelijk. Het betoog treft in zoverre geen doel.

Bouwvoorschriften

2.18. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college heeft miskend dat op een deel van de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduiding "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)" ten onrechte een bouwhoogte van 14 meter is toegelaten.

2.18.1. Op grond van het bestemmingsplan "Industrie-West, partiële herziening Kruislandstraat" was uitsluitend voor gebouwen op een oostelijk deel van het perceel van [appellante sub 2] een maximale goothoogte van 7 meter toegelaten. Dit plan had echter geen betrekking op de gronden waarop in het voorliggende plan met de aanduiding "h=14" thans een maximale hoogte van gebouwen van 14 meter is toegelaten. Op deze gronden was voorheen het bestemmingsplan "Industrie-West" van toepassing. Ingevolge artikel 5, lid B, onder 6, van de planvoorschriften mocht de goothoogte van gebouwen ter plaatse niet meer dan 9 meter bedragen. Hierbij was niet tevens een maximale hoogte bepaald.

Voorts zijn de gronden waarop thans een hoogte van gebouwen van 14 meter is toegelaten, op een afstand van meer dan 100 meter van de burgerwoning aan de [locatie 9] gelegen en voorts op ten minste 150 meter van de woningen in de woonwijk Centrum Zuid-West. Daarnaast zijn de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" tevens bestemd voor groenvoorzieningen, zodat het plan voorziet in het behoud dan wel de aanleg van een beplantingsstrook rondom de gronden van het afvalsorteerbedrijf. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid met de raad op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat voor omwonenden.

2.19. [appellanten sub 5] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" in de omgeving van de woning [locatie 6] een maximale hoogte van 9 meter bij recht en 9,9 meter na vrijstelling van het plan is toegelaten en niet tevens is bepaald dat de desbetreffende bedrijfsgebouwen moeten worden afgeschermd door een beplantingsstrook. Hierbij voeren zij aan dat de bestaande feitelijke bouwhoogte ongeveer 4 tot 5 meter bedraagt.

2.19.1. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Industrie-West" was aan een strook grond met een breedte van ongeveer 10 meter langs de Poelsbeek gelegen, tussen het industrieterrein West en de percelen [locatie 6]-220, de bestemming "Beplantingsstrook" toegekend. Deze beplantingsstrook is onder het vorige plan ter hoogte van hun woning niet gerealiseerd. Aan de desbetreffende gronden is thans de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toegekend. Deze gronden zijn ingevolge artikel 5, lid A, onder 1, van de planvoorschriften tevens bestemd voor groenvoorzieningen, zodat het plan in zoverre voorziet in het behoud dan wel de aanleg van de door [appellanten sub 5] gewenste beplantingsstrook langs de gronden aan de Industriestraat. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid met de raad op het standpunt kunnen stellen dat het plan zonder een bestemming die voorziet in een groenvoorziening ter plaatse van de "Beplantingsstrook" uit het vorige plan niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat voor omwonenden. Het betoog slaagt in zoverre niet. Voor zover [appellanten sub 5] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover dat in de nabijheid van hun woning bouwhoogten van 9 meter op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toestaat, slaagt het betoog evenmin. In aanmerking genomen dat in het vorige bestemmingsplan "Industrie-West" binnen de bestemming "Bedrijven (B-A)" een goothoogte van ten hoogste 9 meter was toegelaten, waarbij niet tevens een maximale hoogte was bepaald, ziet de Afdeling ook in zoverre geen grond voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat voor [appellanten sub 5].

2.20. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bepaling dat op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" een bebouwingspercentage van 85 is toegestaan. Dit betreft volgens hen een vergroting ten opzichte van de voorheen geldende bestemmingsplannen en leidt voorts tot minder parkeermogelijkheden op eigen terrein. Hierbij voeren zij aan dat blijkens onderzoek reeds in de huidige situatie parkeerproblemen bestaan op het industrieterrein. Voorts stellen zij dat de door CROW geformuleerde parkeernormen ten gevolge van het plan niet in acht kunnen worden genomen.

2.20.1. Ingevolge artikel 5, lid B, aanhef en onder 1, onder b, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op de tot "Bedrijfsdoeleinden (B)" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat voor gebouwen geldt dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel ten hoogste 85 bedraagt.

2.20.2. In het bestemmingsplan "Industrie-West" was voor de gronden met de bestemming "Bedrijven (B-A)" een bebouwingspercentage van ten hoogste 80 toegestaan. Voor de gronden met de bestemming "Industrie" in de bestemmingsplannen "Brammelo" en "'t Vark" was geen maximaal bebouwingspercentage vastgesteld. Gelet hierop voorziet het voorliggende plan blijkens het deskundigenbericht per saldo niet in een vergroting van de bebouwingsdichtheid. In dit licht hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan in de weg staat aan parkeren op eigen terrein en de aanleg van parkeerhavens in de openbare ruimte, hetgeen in het gemeentelijke "Masterplan Bedrijventerreinen Haaksbergen" wordt voorgesteld om de bestaande parkeerproblemen in het plangebied op te lossen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad moesten vrezen dat ten gevolge van het plan onvoldoende parkeermogelijkheden resteren. Daarbij heeft het college op goede gronden kunnen betrekken dat in de bouwverordening van de gemeente Haaksbergen bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de parkeergelegenheid bij of in gebouwen. Dit betoog faalt derhalve.

2.21. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de vrijstellingsbevoegdheid op grond waarvan de voorgeschreven afstand van 3 meter van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" kan worden verminderd. Zij achten het vanuit het oogpunt van brandveiligheid onwenselijk indien tot op de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd. Ook vrezen zij voor een verslechtering van de bereikbaarheid voor hulpdiensten bij calamiteiten.

2.21.1. Ingevolge artikel 5, lid B, aanhef en onder 1, onder e, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op de tot "Bedrijfsdoeleinden (B)" bestemde gronden bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat voor gebouwen geldt dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens ten minste 3 meter bedraagt.

Ingevolge lid C, aanhef en onder 3, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid B, aanhef en onder 1, onder e, ten behoeve van een vermindering van deze afstand.

2.21.2. In de bouwverordening van de gemeente Haaksbergen zijn voorschriften opgenomen met het oog op de brandveiligheid van bouwwerken en de bereikbaarheid van bouwwerken voor onder meer ziekenauto's en brandweerauto's. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan opgenomen bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling voor bouwen tot een kortere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 3 meter in de weg staat aan het kunnen voldoen aan bedoelde voorschriften in de bouwverordening die betrekking hebben op de brandveiligheid en de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Dit betoog faalt derhalve eveneens.

Zendmast

2.22. [appellant sub 3] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "zendmast toegestaan", voor zover daarmee de bestaande UMTS-antenne in de zendmast niet is verboden. Daarnaast is volgens hem niet onderkend dat de bestaande zendmast een hoogte heeft van meer dan 40 meter.

2.22.1. Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichte bouwwerken, bezien in samenhang met artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, volgt dat voor het plaatsen van een antenne ten behoeve van mobiele telefooncommunicatie - onder voorwaarden - geen bouwvergunning is vereist. Niet in geschil is dat in het voorliggende geval aan deze voorwaarden wordt voldaan. Nu uit artikel 20, aanhef en onder a, van de WRO volgt dat de bouw- en gebruiksvoorschriften van een bestemmingsplan buiten toepassing blijven bij bouwvergunningvrije bouwwerken, zou het opnemen van een verbod tot het plaatsen van een UMTS-antenne in de zendmast in het bestemmingsplan niet kunnen leiden tot het door [appellant sub 3] beoogde doel. Reeds hierom faalt het betoog.

2.22.2. Uit artikel 6, lid B, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften volgt dat op de gronden met de aanduiding voor een zendmast een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is toegelaten met een bouwhoogte van ten hoogste 40 meter. [appellant sub 3] betoogt dat de feitelijke bouwhoogte van de zendmast, waarvoor een bouwvergunning is verleend, meer dan 40 meter bedraagt. Daargelaten het antwoord op de vraag of de bouwhoogte van de zendmast feitelijk een hoogte van meer dan 40 meter heeft, ziet de Afdeling, nu het betoog van [appellant sub 3] er niet toe strekt dat in het plan een hogere bouwhoogte dan 40 meter had moeten worden opgenomen, geen grond voor het oordeel dat het college in zoverre niet met het plan heeft kunnen instemmen.

2.23. Zoals [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, is in artikel 21 van de planvoorschriften, waar overtreding van enkele planvoorschriften is aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van de Wet op de economische delicten, een verwijzing opgenomen naar het niet bestaande lid D van artikel 14. Gelet hierop komt in zoverre aan artikel 21 geen betekenis toe.

De woning [locatie 6]

2.24. [appellanten sub 5] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduidingen "bedrijfswoning toegestaan (*), "persoonsgebonden overgangsrecht (po)" en "functiescheidingslijn" betreffende het perceel van hun woning [locatie 6] en aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" betreffende de noordelijke aanbouw van de woning. Zij betogen dat hun woning ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning.

Ten eerste voeren zij aan dat hun woning bij het verlenen van de bouwvergunning is aangemerkt als burgerwoning. Dat de bouwvergunning wellicht in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan is verleend, mag volgens hen geen rol spelen.

Voorts stellen zij dat niet doorslaggevend mag zijn dat het op ongeveer 70 meter van hun woning gevestigde kunststofverwerkende bedrijf [belanghebbende] als zodanig is bestemd en dat dit bedrijf door een bestemming als burgerwoning in de bedrijfsvoering kan worden beperkt.

Verder voeren zij aan dat de woning visueel deel uitmaakt van de ruimte langs de Eibergsestraat, evenals de burgerwoningen ter plaatse die wél als zodanig zijn bestemd. De afstand van de woning tot de Eibergsestraat bedraagt ongeveer 40 meter. Voorts staat de woning niet in directe verbinding met het achterliggende industrieterrein. Hierbij wijzen zij erop dat ook de woning [locatie 10] in het vorige bestemmingsplan als bedrijfswoning was bestemd en dat die woning op een afstand van 70 meter van de Eibergsestraat is gelegen, terwijl deze woning als burgerwoning is bestemd.

Daarnaast voeren [appellanten sub 5] aan dat het gebruik als burgerwoning niet binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Ten slotte voeren zij aan dat de aanduiding "functiescheidingslijn" ten onrechte is geprojecteerd over een deel van de gronden van de noordelijke aanbouw van de woning. Ten gevolge hiervan zijn de aanduidingen "bedrijfswoning toegestaan (*) en "persoonsgebonden overgangsrecht (po)" niet op dit deel van de woning van toepassing.

2.24.1. Aan de gronden van het perceel [locatie 6], zoals op de plankaart aangegeven met een functiescheidingslijn, is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de aanduidingen "bedrijfswoning toegestaan (*)" en "persoonsgebonden overgangsrecht (po)" toegekend. Uit artikel 20, lid B, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften, bezien in samenhang met de bijbehorende Lijst persoonsgebonden overgangsrecht, volgt dat het bestaande gebruik van de woning [locatie 6] als burgerwoning door [appellanten sub 5] mag worden voortgezet.

2.24.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Industrie-West, partiële herziening Poelsbeek" was aan de gronden van de woning [locatie 6] de bestemming "Bedrijven (B-A)" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid B, onder 1, van de planvoorschriften mochten op deze gronden uitsluitend niet voor bewoning bestemde bedrijfsgebouwen worden opgericht. Ingevolge artikel 5, lid C, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften kon het college van burgemeester en wethouders van deze bepaling vrijstelling verlenen ten behoeve van de bouw van een dienstwoning.

2.24.3. Bij besluit van 12 juli 1990 is een bouwvergunning verleend voor een woonhuis met garage op het perceel dat thans wordt aangeduid als [locatie 6]. Uit de bouwvergunning blijkt niet dat de in artikel 5, lid C, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften bedoelde vrijstelling is verleend. Voorts is hierin niet bepaald dat de bouw van een bedrijfswoning is vergund. Ter zitting is vanwege de raad verklaard dat ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning op de gronden in de directe omgeving van het perceel [locatie 6] geen bedrijfsgebouwen waren gevestigd en dat de aanvrager destijds niet ter plaatse dan wel in de directe omgeving van het perceel een bedrijf uitoefende. Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de aanvraag is gedaan met het oog op het met het bestemmingsplan strijdige gebruik als burgerwoning en dat het gemeentebestuur desbewust met dit gebruik heeft ingestemd. Met het verlenen van de bouwvergunning is het gebruik als burgerwoning dan ook toegelaten. Het college en de raad hebben dit niet onderkend.

2.24.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduidingen "bedrijfswoning toegestaan (*)", "persoonsgebonden overgangsrecht (po)" en "functiescheidingslijn" betreffende de woning [locatie 6], alsmede het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" betreffende de noordelijke aanbouw van de woning, zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 5] is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft de voornoemde plandelen. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling tevens aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan deze plandelen. Gelet hierop behoeven de overige argumenten van [appellanten sub 5] geen bespreking meer.

Ten overvloede overweegt de Afdeling dat de aanbouw van de woning die op de plankaart niet is opgenomen binnen het plandeel dat is aangegeven met een functiescheidingslijn, zoals [appellanten sub 5] naar voren hebben gebracht, uitdrukkelijk dient te worden betrokken bij de vaststelling van een nieuw plan.

Geluidszone

2.25. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de gewijzigd vastgestelde geluidszone rondom het industrieterrein. Daartoe voeren zij onder meer aan dat het plan voorziet in een toename van de geluidhinder voor omwonenden en dat de burgerwoningen binnen de geluidszone niet mogen worden uitgebreid.

2.25.1. Het college heeft aan de goedkeuring van de geluidszone ten grondslag gelegd dat slechts het westelijke deel van de geluidszone rondom het industrieterrein Brammelo is gewijzigd en dat voor drie woningen rond dat industrieterrein hogere grenswaarden in de zin van de Wgh zijn vastgesteld.

2.25.2. Ingevolge artikel 40 van de Wgh, zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, wordt, indien bij de vaststelling of een herziening van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt daarin verstaan onder industrieterrein: terrein waaraan een bestemming is gegeven die de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.

2.25.3. Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften mag binnen de op de plankaart 2 weergegeven "geluidszone" geen toename plaatsvinden van geluidgevoelige functies.

2.25.4. Blijkens het rapport "Zicht op geluid. Akoestisch onderzoek betreffende het aanpassen van het westelijke deel van de geluidszone van industrieterrein 't Vark, Oost en West met Brammelo te Haaksbergen" van Alcedo bv van 30 november 2005 zijn ook die bedrijven die zijn gelegen op gronden waarop de vestiging van Wgh-inrichtingen niet is toegestaan in het akoestisch onderzoek betrokken. Het college en de raad hebben daarmee een onjuist uitgangspunt gehanteerd bij het bepalen van de ligging van de geluidszonegrens van 50 dB(A). Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 augustus 2007, nr. 200603048/1, en de uitspraak van 13 augustus 2008, nr. 200704749/1, zijn in dit kader uitsluitend relevant de gronden waarop op basis van het plan inrichtingen kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken in de zin van de Wgh. Slechts de cumulatieve geluidsbelasting vanwege de bedrijven op die gronden dient op de zonegrens niet boven de 50 dB(A) te komen. Voor de aanwezige en eventuele nieuwe bedrijven op de overige gronden heeft de ligging ervan binnen een zone als bedoeld in artikel 40 van de Wgh derhalve geen betekenis. De aanduidingen "geluidszone" en "grens van het plan" betreffende de binnen- en buitengrenzen van de geluidszone op blad 2 van de plankaarten, alsmede het bepaalde in artikel 15 van de planvoorschriften, zijn derhalve in strijd met artikel 40 van de Wgh vastgesteld. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de voornoemde plandelen. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling tevens aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan deze plandelen.

2.25.5. Blijkens het deskundigenbericht zijn op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduiding "zone D" inrichtingen toegelaten die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken in de zin van artikel 1 van de Wgh. Derhalve is de raad ingevolge artikel 40 van de Wgh gehouden een nieuw besluit te nemen omtrent vaststelling van de geluidszone rond het industrieterrein. Hierin ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen vóór 1 december 2009 een nieuwe zone in de zin van artikel 40 van de Wgh vast te stellen en bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de zone, zoals aangeduid op blad 2 van de plankaart, geldt tot de inwerkingtreding van de nieuw vast te stellen zone.

2.26. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 5] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft [appellante sub 2], [appellant sub 3] en het college van burgemeester en wethouders bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk:

- voor zover het is ingesteld door [appellant sub 1 A], [appellant sub 1 B], wonende aan de [locatie 2], [appellante sub 1 C], wonende aan de [locatie 3], [appellante sub 1 D], [appellant sub 1 J], [appellant sub 1 K], en

- voor zover het is ingesteld door [appellanten sub 1 E], wonende aan de [locatie 11], [appellant sub 1 F], [appellant sub 1 G], [appelant sub 1 H], wonende aan de [locatie 12] en [appellant sub 1 I] en voor zover het is gericht tegen andere planonderdelen dan de aanduidingen "kunststofverwerkend bedrijf toegestaan (kv)", "afvalsorteerbedrijf toegestaan (as)", "functiescheidingslijn" en "grens van het plan" betreffende de binnengrens van de geluidszone op blad 2 van de plankaart en artikel 5, lid C, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften;

- voor zover het is gericht tegen de motivering van de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding "afvalsorteerbedrijf (as)" en de zinsnede "een afvalsorteerbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'afvalsorteerbedrijf toegestaan'" in artikel 5, lid A, onder 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen andere planonderdelen dan de aanduiding "zendmast toegestaan (*)" en artikel 5, lid C, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, en [appellanten sub 5] gedeeltelijk gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 20 november 2007, kenmerk 2007/0567552, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

1 het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduidingen "bedrijfswoning toegestaan (*), "persoonsgebonden overgangsrecht (po)" en "functiescheidingslijn" betreffende het perceel van de woning [locatie 6] en het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" betreffende de noordelijke aanbouw van deze woning;

2 de aanduidingen "geluidszone" en "grens van het plan" betreffende de binnen- en buitengrenzen van de geluidszone op blad 2 van de plankaart;

3 artikel 15 van de planvoorschriften;

V. onthoudt goedkeuring aan de onder IV genoemde plandelen;

VI. bepaalt dat onderdeel V van deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 november 2007;

VII. draagt de raad van de gemeente Haaksbergen op om vóór 1 december 2009 een nieuwe zone in de zin van artikel 40 van de Wgh vast te stellen;

VIII. treft de voorlopige voorziening dat de zone, zoals aangeduid op blad 2 van de plankaart, geldt tot de inwerkingtreding van de nieuw vast te stellen zone;

IX. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2], [appellant sub 3] en het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen geheel en de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 5] voor het overige ongegrond;

X. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Overijssel aan [appellant sub 1] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Overijssel aan [appellanten sub 5] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

XI. gelast dat de provincie Overijssel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 1] en anderen en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 5] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Geel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

516.