Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4493

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200806454/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tandartspraktijk op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806454/1/H1.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 15 juli 2008 in zaak nrs. 08/620 en 08/518 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een tandartspraktijk op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 april 2008 heeft het college het door [appellant] en anderen (hierna: [appellant] e.a.) daartegen gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en opnieuw bouwvergunning verleend onder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en ontheffing verleend als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid onder b, van de bouwverordening van de gemeente Hengelo.

Bij uitspraak van 15 juli 2008, verzonden op 15 juli 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. [appellant] e.a. hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 30 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2009, waar [appellant] e.a., in persoon en bijgestaan door mr. M.J.J. Geel, advocaat te Almelo, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. van Dijk en mr. J. Schilstra, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. Th.H.W. Juta, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellant] e.a. een stuk overgelegd.

De andere partijen hebben te kennen gegeven dat daartegen geen bezwaar bestaat en ook de Afdeling ziet geen beletsel dit stuk te betrekken bij haar oordeel.

2.2. Het bouwplan betreft een op het perceel staand afzonderlijk gebouw bij de woning [locatie 2] met een oppervlakte van ruim 56 m2, waarin een praktijk voor een tandarts zal worden gevestigd.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vooroorlogse wijken" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Onder een aan huis verbonden beroep moet ingevolge artikel 1, onder 5, van de planvoorschriften, worden verstaan: een dienstverlenend dan wel ambachtelijk beroep dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij het woonhuis in overwegende mate haar (lees: zijn) woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Ingevolge artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften wordt onder een bijgebouw verstaan een gebouw behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en qua afmetingen ondergeschikt aan en vrijstaat (lees: vrijstaand) van dat (hoofd)gebouw.

Ingevolge artikel 3.2.2, onder c, is voor het onderhavige perceel maximaal 75 m2 aan bijgebouwen toegelaten.

In artikel 3.2.2, onder g., is bepaald dat indien sprake is van de bouw van een aan-/uitbouw of bijgebouw ten behoeve van een kantoor- of praktijkruimte ten dienste van een aan huis verbonden beroep en/of ruimten voor lichamelijk gehandicapten de maximaal toegestane oppervlakte van de aan-/uitbouwen en de bijgebouwen als bedoeld onder c met 25 m2 mag worden uitgebreid.

Ingevolge artikel 3.5.2 gelden ten aanzien van de uitoefening van een aan huisverbonden beroep als bedoeld in artikel 1, onder 5, en artikel 3.2.2, onder g, de volgende bepalingen:

a. het aanhuis verbonden beroep mag uitsluitend worden uitgeoefende door een bewoner van het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel;

b. er mag geen hinder kunnen en worden toegebracht aan het woonmilieu;

c. er mag niet meer dan 1/3 van de oppervlakte van de woning en de bij deze woning behorende aan- of bijgebouwen voor de beroepsuitoefening worden gebruikt, met een maximum van 40 m2;

d. het mogen geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreffen, ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeervoorzieningen noodzakelijk worden.

2.4. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat daarmee is beoogd een afzonderlijke praktijkruimte van meer dan 40 m2 te realiseren.

2.5. [appellant] e.a. betogen dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat aan de vrijstelling geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Zij voeren hiertoe aan dat in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening is gehouden met de gevolgen van de vestiging van de tandartspraktijk wat de omvang en de hoogte van de parkeer- en verkeersdruk betreft.

2.5.1. In de ruimtelijke onderbouwing van maart 2007 is bij het onderdeel "Verkeer/parkeren" het volgende vermeld:

"Onderzoek ter plaatse heeft aangetoond dat in de omgeving van de tandartspraktijk voldoende parkeergelegenheid in de openbare ruimte beschikbaar is. Bovendien is voor de beoordeling van de noodzaak van het voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein het aantal medewerkers van de praktijk van belang, niet het aantal patiënten dat de praktijk bezoekt. Vanwege de ruime opzet van de openbare ruimte, inclusief de bijbehorende parkeermogelijkheden in de directe omgeving van de tandartspraktijk, gelegen aan de Wessex en de Bornsestraat, ontbreekt in dit geval - gezien het bovenstaande - de noodzaak extra parkeerplaatsen te realiseren."

2.5.2. Het betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht vastgesteld dat in dit geval op grond van het geldende bestemmingsplan realisering van een woonhuis al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroep tot de mogelijkheden behoort. De afwijking met het thans geldende bestemmingsplan betreft slechts de oppervlakte van de praktijkruimte met enkele vierkante meters. Op grond daarvan kon het college in de ruimtelijke onderbouwing volstaan met een verwijzing naar de bestaande parkeercapaciteit in de omgeving van het bouwperceel. Het in hoger beroep overgelegde rapport van Tebodin B.V. van 6 oktober 2008 geeft geen aanleiding voor het oordeel dat die constatering onjuist is. De mogelijke afname van parkeerplaatsen als gevolg van de in dat rapport genoemde eventueel toekomstige verkeersmaatregelen dienen buiten beschouwing te blijven. Uit het rapport blijkt dat in een representatieve situatie de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen in de omgeving van de voorziene tandartspraktijk in de ochtend en in de middag minder dan 50% bedraagt. Ook uit het ter zitting overlegde rapport van Tebodin blijkt niet van een onaanvaardbare parkeerdruk als het gevolg van de vestiging van een tandartspraktijk. Gelet hierop kan aan de stelling dat het in opdracht van het college uitgevoerde parkeeronderzoek is uitgevoerd gedurende een vakantieweek in februari 2008 niet de betekenis worden toegekend die [appellant] e.a. daaraan gehecht willen zien. Ten aanzien van de verkeersafwikkeling hebben [appellant] e.a. evenmin aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke onderbouwing tekortschiet.

2.6. [appellant] e.a. betogen tenslotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het belang van [vergunninghouder] bij de vestiging van een praktijkruimte ter plaatse gering is, nu hij een goedlopende praktijk heeft aan de [locatie 3]. Om die reden had aan de belangen van de omwonenden doorslaggevend gewicht moeten worden toegekend.

2.6.1. Het betoog faalt. Het college van burgemeester en wethouders diende te beslissen over het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Van zodanige situatie is geen sprake, reeds omdat de bestaande praktijk aan de [locatie 3] een gedeelde praktijk betreft en om die reden niet vergelijkbaar is met een eenmanspraktijk aan huis. Nu voorts ook op grond van het bestemmingsplan ter plaatse een eenmanspraktijk kan worden gevestigd, met een kleinere oppervlakte, doch met dezelfde gevolgen voor de omgeving, behoefde het college aan de door [appellant] en anderen gestelde belangen geen doorslaggevend gewicht toe te kennen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

17-564.