Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200803498/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) ingestemd met het saneringsplan voor de voormalige stortplaats Meidoornlaan, kadastraal bekend als gemeente Winschoten, sectie E nummers 2636, 1835, 1837, 1839, 2477, 1841, 1842, 2478, 2952, 2953, 2954 en Scheemda, sectie L nummer 45 (hierna: de locatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bodem 2009/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803498/1.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) ingestemd met het saneringsplan voor de voormalige stortplaats Meidoornlaan, kadastraal bekend als gemeente Winschoten, sectie E nummers 2636, 1835, 1837, 1839, 2477, 1841, 1842, 2478, 2952, 2953, 2954 en Scheemda, sectie L nummer 45 (hierna: de locatie).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2008, beroep ingesteld. [appellanten] hebben de gronden van hun beroep bij brief van 11 juni 2008 aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2009, waar [appellanten], van wie [2 der appellanten] in persoon, bijgestaan door ing. A.M.L. van Rooij, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Dreise en ir. A. Bekkering, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Winschoten, vertegenwoordigd door drs. ing. S.C.M. Moed, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 19 september 2006 heeft het college vastgesteld dat de locatie van de voormalige stortplaats een geval van ernstige verontreiniging betreft waarvoor spoedige sanering noodzakelijk is. [appellanten] hebben het college verzocht dit besluit te herzien. Tegen het uitblijven van een besluit op hun verzoek hebben [appellanten] beroep ingesteld bij de Afdeling. De Afdeling heeft het beroepschrift doorgezonden naar het college ter behandeling als bezwaarschrift.

Bij besluit van 24 november 2008 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa's (hierna: het dagelijks bestuur) een handhavingsverzoek van [appellanten] afgewezen. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bezwaar gemaakt.

Ter zitting hebben [appellanten] verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen in afwachting van de nog door het college en het dagelijks bestuur te nemen besluiten.

2.1.1. De Afdeling kan slechts acht slaan op feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bekend waren. De door [appellanten] genoemde toekomstige besluiten kunnen daarom niet bij de beoordeling worden betrokken, zodat het verzoek om het onderzoek te schorsen reeds hierom wordt afgewezen.

2.2. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigde stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming voor zover hier van belang, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

2.3. [appellanten] voeren aan dat het college onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens hen had het college in 1991 gebruik moeten maken van de bevoegdheden in de Interimwet bodemsanering door een saneringsbevel af te geven, een saneringsplan op te stellen en over te gaan tot een multifunctionele sanering. Nu het college dit heeft nagelaten zijn [appellanten] eigenaar geworden van sterk vervuilde grond.

2.3.1. Ter beoordeling staat slechts of het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat aan artikel 38 van de Wet bodembescherming is voldaan en het college terecht heeft ingestemd met het saneringsplan voor de locatie. De door [appellanten] aangevoerde beroepsgrond over de bevoegdheden in het kader van de Interimwet bodemsanering is niet gericht tegen de ter beoordeling staande instemming met het ingediende saneringsplan en kan reeds om die reden in deze procedure niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. [appellanten] voeren aan dat de in het saneringsplan beschreven sanering niet voldoet aan artikel 38 van de Wet bodembescherming nu de daarin opgenomen saneringsdoelstelling afwijkt van een multifunctionele sanering zoals is voorgesteld in een saneringsonderzoeksrapport van Iwaco B.V. uit maart 1991. Voorts voldoet deze sanering volgens hen niet aan artikel 38 van de Wet bodembescherming omdat de uitvoering van de saneringswerkzaamheden niet conform de daarvoor geldende inzichten zullen worden verricht, er geen vergunning in het kader van de Wet verontreinigingen oppervlaktewateren is verleend en voor deze werkzaamheden geen bouwvergunning is verleend, aldus [appellanten].

2.4.1. Uit artikel 38, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming volgt dat het college slechts instemt met het saneringsplan als naar zijn oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Bij die beoordeling zijn de omstandigheid dat het saneringsplan een andere saneringsdoelstelling bevat dan eerder is voorgesteld in een saneringsonderzoek ten behoeve van dezelfde locatie, alsmede het feit dat de uitvoering van de saneringswerkzaamheden niet conform de daarvoor geldende inzichten zullen worden verricht, niet relevant. Voorts is niet relevant of voor de saneringswerkzaamheden geen vergunning is verleend in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, en dat geen bouwvergunning is verleend. Deze beroepsgronden falen.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

407-570.