Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200900558/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2008, kenmerk PZH-2008-956862, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij besluit van 26 augustus 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Veenwegzone-Noord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900558/2/R2.

Datum uitspraak: 12 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. [verzoekers sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2008, kenmerk PZH-2008-956862, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag bij besluit van 26 augustus 2008 vastgestelde uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Veenwegzone-Noord".

Tegen dit besluit hebben [verzoekers sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 april 2009, waar [verzoekers sub 1], bijgestaan door mr. A.A. de Groot, advocaat te Delft, en [verzoeker sub 2], in persoon, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. C.M. Krijgsman, ambtenaar in dienst van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ontwikkelingsbedrijf Leidschenveen Beheer B.V., vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker sub 2] kan zich niet met de goedkeuring van het plan verenigen, voor zover de gronden langs de (verlengde) Zaagjessingel niet in het plan zijn opgenomen en het plan derhalve een busbaan ter plaatse niet uitsluit.

2.2.1. De voorzitter vat het verzoek van [verzoeker sub 2] op als gericht tegen de planbegrenzing. Blijkens de stukken is het gemeentebestuur voornemens een busbaan langs de (verlengde) Zaagjessingel aan te leggen, hiertoe wordt een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gevolgd. Het college van burgemeester en wethouders heeft de desbetreffende gronden om die reden niet in het onderhavige bestemmingsplan opgenomen.

Gezien het vorenstaande is een voorlopige voorziening die de wens van [verzoeker sub 2] inwilligt te verstrekkend, aangezien het begrijpen van de in het geding zijnde gronden in het bestemmingsplan niet met een uitspraak van de Afdeling kan worden bewerkstelligd. De uitspraak in de bodemprocedure zou kunnen strekken tot vernietiging van de goedkeuring van de desbetreffende planbegrenzing, doch voor het verleggen van de plangrens is nadere besluitvorming noodzakelijk.

2.3. [verzoekers sub 1] kunnen zich niet verenigen met de goedkeuring van het plan. Zij voeren daartoe aan dat het college van burgemeester en wethouders onbevoegd was tot uitwerking van het bestemmingsplan.

Voorts maakt het uitwerkingsplan in strijd met artikel 1, onder F, en artikel 12 van de voorschriften van het bestemmingsplan de bouw van 9 woningen mogelijk aan de dijk gelegen aan de Veenweg en de Veenwegwatering. Gelet op de toelichting van het uitwerkingsplan is de beleidsregel "niet bouwen op veendijken" op deze gronden van toepassing, aldus [verzoekers sub 1]. Voorts heeft het college in navolging van het college van burgemeester en wethouders ten onrechte gesteld dat bij brief van 15 januari 2007, dan wel van 2 februari 2007 het Hoogheemraadschap met de woningbouw heeft ingestemd.

In strijd met het bestemmingsplan zullen er ten gevolge van het uitwerkingsplan meer dan 50 woningen worden gebouwd in het woongebied 6.1, aldus [verzoekers sub 1].

Tevens stellen zij dat het maximumaantal bouwlagen niet voldoet aan het bestemmingsplanvereiste dat de bebouwing aan weerszijden van de Veenweg op de bestaande verkavelings- en woningtypen behoort aan te sluiten. Voorts maakt het uitwerkingsplan het mogelijk dat een verdieping beneden peil wordt gerealiseerd, welke verdieping volgens het plan niet wordt aangemerkt als extra bouwlaag.

Tevens betogen [verzoekers sub 1] dat het uitwerkingsplan in strijd met het bestemmingsplan geen rekening houdt met de ecologische betekenis van de gronden waarop de woningbouw is voorzien. Ook achten zij onduidelijk of de benodigde ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet kunnen worden verleend.

Verder stellen [verzoekers sub 1] dat het uitwerkingsplan wellicht in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005.

Ten slotte zetten zij vraagtekens bij de financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan.

2.4. Met het bestemmingsplan "Parapluherziening Uitwerkings- en Wijzigingsbepalingen o.g.v. artikel 11 WRO", dat inmiddels onherroepelijk is geworden, is artikel 16 van de voorschriften van het bestemmingsplan voor zover hier van belang, in die zin gewijzigd dat niet langer de raad, maar het college van burgemeester en wethouders bevoegd is tot uitwerking van het plan.

2.5. De gronden waarop de dijkwoningen zijn voorzien hebben in het uitwerkingsplan de bestemming "Woondoeleinden (W)" en zowel in het bestemmingsplan als in het uitwerkingsplan de aanduiding, dan wel dubbelbestemming "Waterkering". In artikel 12 van het bestemmingsplan en in artikel 9 van het uitwerkingsplan zijn de voorschriften opgenomen behorende bij genoemde aanduiding respectievelijk dubbelbestemming. Blijkens de stukken zijn deze beide bepalingen inhoudelijk identiek.

Ingevolge artikel 1, onder F, van de voorschriften van het bestemmingsplan voor zover hier van belang, is het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden met genoemde aanduiding slechts toegestaan voor zover de belangen van het Hoogheemraadschap hierdoor niet worden geschaad. Geen bouwvergunning wordt verleend dan nadat tevoren de dijkbeheerder c.q. de waterbeheerder schriftelijk om advies is gevraagd.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan mag in afwijking van het bepaalde in de andere bestemming op gronden met de dubbelbestemming "Waterkering" niet worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 2, ten aanzien van bouwwerken mits:

a. geen evenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de waterkering en de veiligheid daarvan;

b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de betrokken waterkering omtrent het in sub 1 gestelde.

Gezien het vorenstaande en gelet op de door het Hoogheemraadschap Delfland verleende keurvergunning van 4 november 2008 en de brief van 2 februari 2007 is de voorzitter voorshands van oordeel dat het uitwerkingsplan in zoverre niet in strijd met het bestemmingsplan bebouwing mogelijk maakt zonder dat het Hoogheemraadschap daarvoor toestemming heeft verleend.

Van de zijde van het college van burgemeester en wethouders is gesteld en niet weersproken dat de beleidsregel "niet bouwen op veendijken" per 1 januari 2008 is vervallen.

2.6. Ingevolge artikel 1, onder F, van de voorschriften van het bestemmingsplan in samenhang bezien met kaart 1, zijn in woongebied 6.1. 50 woningen toegestaan.

[verzoekers sub 1] hebben gelet op het onderzoek ter zitting naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat genoemd aantal ten gevolge van dit uitwerkingsplan zal worden overschreden.

2.7. In artikel 1 onder C, van de beschrijving in hoofdlijnen van het bestemmingsplan is vermeld dat nieuwe bebouwing ter weerszijden van de Veenweg op de bestaande verkavelings- en woningtypen dient aan te sluiten.

Ingevolge artikel 1 onder F, aanhef van de voorschriften van het bestemmingsplan en de aanwijzingen op plankaart 1 zijn in woongebied 6.1. tussen de 1 en 3 bouwlagen toegestaan.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, van de voorschriften van het uitwerkingsplan in samenhang bezien met de plankaart, bedraagt het maximaal toegestane aantal bouwlagen voor de onderwerpelijke dijkwoningen 3.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder f, van de voorschriften van het uitwerkingsplan bedraagt de maximaal toegestane bouwhoogte 9 meter en de maximaal toegestane goothoogte 6 meter indien een maximaal aantal bouwlagen van drie is toegestaan.

Ingevolge artikel 3 onder II van de voorschriften van het uitwerkingsplan zijn voor zover op de plankaart en/of in de voorschriften geen expliciete bepalingen staan opgenomen, de plankaart en/of zijn de voorschriften van het bestemmingsplan Leidschenveen van toepassing. Het uitwerkingsplan bevat geen omschrijving van het begrip "bouwlaag".

Ingevolge artikel 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder bouwlaag verstaan een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een zolder, vliering en kelder. In afwijking van het hiervoor gestelde wordt een zolder(kamer) als bouwlaag aangemerkt indien deze, na verbouwing, boven tenminste de helft van de vloeroppervlakte een hoogte heeft van minimaal 2,20 meter.

Ingevolge artikel 2 van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder kelder verstaan een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven peil is gelegen.

Ingevolge artikel 1 onder 13 van de voorschriften van het uitwerkingsplan wordt onder peil voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst verstaan: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdingang na voltooiing van de aanleg van dat terrein.

Gezien het vorenstaande stelt de voorzitter vast dat het plan wat betreft het aantal bouwlagen niet in strijd is met artikel 1 onder F, aanhef van de voorschriften van het bestemmingsplan en de aanwijzingen op plankaart 1.

De voorzitter acht de keuze voor het peil ook niet op voorhand zodanig onredelijk dat hij de verwachting heeft dat deze in de bodemprocedure geen stand zal houden.

Tevens acht de voorzitter het aantal bouwlagen in overeenstemming met het "Toetsingskader Veenweg Leidschenveen". Verzoekers hebben naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwe bebouwing zodanig afwijkt van de bestaande verkavelings- en woningtypen dat het college het uitwerkingsplan niet heeft kunnen goedkeuren.

2.8. Voorts is de voorzitter van mening dat uit de op de kaarten 2 en 2a van het bestemmingsplan weergegeven aanwijzingen met betrekking tot de zichtrelaties en de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur niet zonder meer voortvloeit dat bijgebouwen uitsluitend geïntegreerd zijn toegestaan. Overigens zijn in het uitwerkingsplan bij acht van de negen woningen de bijgebouwen geïntegreerd opgenomen. Het college betoogt in navolging van het college van burgemeester en wethouders dat het bijgebouw bij de negende woning dusdanig is gepositioneerd dat daardoor de zichtlijnen behouden blijven, hetgeen de voorzitter niet onaannemelijk voorkomt.

2.9. Op kaart 2a van het bestemmingsplan zijn de gronden waarop de woningen zijn voorzien aangeduid als groene verbinding met ecologische waarden.

Ingevolge artikel 1 onder A, sub 2, van de voorschriften van het bestemmingsplan dient bij de uitwerking en realisering van het plan de op de kaarten 2 tot en met 6 gegeven aanwijzingen in acht te worden genomen onder andere met betrekking tot de zichtrelaties en de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur (kaart 2 en 2a). De genoemde aanwijzingen geven structuren aan en hebben dus een globaal karakter, met uitzondering van de waterkering en leidingen.

Het college heeft uitsluitend de Veenwegwatering en haar oevers alsmede de waterloop tussen de Veenwegwatering en de Arenastraat als zones van enige ecologische betekenis gerekend. Gezien het globale karakter van de kaarten acht de voorzitter dit niet op voorhand onredelijk.

Voorts hebben [verzoekers sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat het college van burgemeester en wethouders op voorhand had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Evenmin hebben [verzoekers sub 1] aannemelijk gemaakt dat luchtkwaliteitsaspecten, dan wel de financiële uitvoerbaarheid aan goedkeuring van het uitwerkingsplan in de weg staat.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken van [verzoeker sub 2] en [verzoekers sub 1] om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2009

425.