Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
200808729/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit onzorgvuldig voorbereid / dossier moeder ten onrechte niet betrokken

Nu de staatssecretaris bij het nemen van het besluit van 14 maart 2008 op de hoogte was van het verblijf van de moeder van de vreemdeling in Nederland en aan haar voorafgaande aan dat besluit voormelde vergunningen zijn verleend, lag het op de weg van de staatssecretaris om haar dossier bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit en nationaliteit te betrekken. De rechtbank heeft niet onderkend dat, nu dit achterwege is gelaten, de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De grief slaagt reeds hierom.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2009/131
JV 2009/267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808729/1/V2.

Datum uitspraak: 8 mei 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 31 oktober 2008 in zaak nr. 08/11741 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 oktober 2008, verzonden op 5 november 2008, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 december 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bevat het hoger-beroepschrift in aanvulling op de in artikel 6:5, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde eisen, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen, alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

2.1.1. Hetgeen de vreemdeling als grief 1 heeft aangevoerd, heeft hij niet als zodanig in eerste aanleg naar voren gebracht. Dat dat voor het eerst in hoger beroep gebeurt, verdraagt zich niet met het bepaalde in voormeld artikel 85 van de Vw 2000. Uit deze bepaling volgt dat de grieven in hoger beroep moeten blijven binnen de beoordeling van het bestreden besluit die de rechtbank heeft gegeven, danwel, gelet op de daartegen voor haar aangevoerde gronden en de door haar te verrichten ambtshalve toetsing, behoorde te geven. Nu hetgeen is aangevoerd daaraan niet voldoet, is geen sprake van een grief, als in deze bepaling bedoeld. Het aldus aangevoerde kan daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2. De vreemdeling klaagt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich, gelet op het rapport van de taalanalyse van 2 mei 2007, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert nu er geen geloof kan worden gehecht aan zijn gestelde identiteit en nationaliteit en een contra-expertise achterwege is gebleven. Hij betoogt daartoe onder meer dat het tegenstrijdig is dat de staatssecretaris er enerzijds vanuit gaat dat hij de zoon is van zijn in Nederland verblijvende moeder, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is verleend en aan wiens identiteit en nationaliteit derhalve kennelijk niet wordt getwijfeld, en anderzijds zijn identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig acht.

2.2.1. In het besluit van 14 maart 2008, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat, samengevat weergegeven, geen geloof kan worden gehecht aan de door de vreemdeling gestelde identiteit en Burundese nationaliteit en dat het asielrelaas mitsdien ongeloofwaardig is. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling, omdat zijn moeder in Nederland verblijft.

2.2.2. In het tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gerichte beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat het dossier van zijn moeder kan bijdragen aan de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit. Blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris desgevraagd verklaard dat aan de familierelatie niet wordt getwijfeld, dat aan de moeder van de vreemdeling, uitgaande van haar Burundese nationaliteit, in eerste instantie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is verleend en dat vervolgens aan haar bij besluit van 6 november 2007 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op de voet van artikel 33 van de Vw 2000 is verleend.

2.2.3. Nu de staatssecretaris bij het nemen van het besluit van 14 maart 2008 op de hoogte was van het verblijf van de moeder van de vreemdeling in Nederland en aan haar voorafgaande aan dat besluit voormelde vergunningen zijn verleend, lag het op de weg van de staatssecretaris om haar dossier bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit en nationaliteit te betrekken. De rechtbank heeft niet onderkend dat, nu dit achterwege is gelaten, de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.

De grief slaagt reeds hierom.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de staatssecretaris van 14 maart 2008 tot afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog gegrond verklaren en dit besluit in zoverre vernietigen.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 31 oktober 2008 in zaak nr. 08/11741;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 14 maart 2008, kenmerk 0703.27.0074, voor zover daarbij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Zwinkels

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2009

309-563.

Verzonden: 8 mei 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak