Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200805317/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2004 heeft de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat van de directie Zuid-Holland (hierna: de hoofdingenieur-directeur), gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003, in zaak nr. 200202312/1, opnieuw beslist op het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1] gemaakte bezwaar. De hoofdingenieur-directeur heeft het bezwaar gericht tegen de bij besluit van 19 december 2000 geweigerde ontheffing voor het innemen van een ligplaats in de Beneden-Merwede met meerdere schepen en/of een stevendok tot een maximale breedte van 23 meter buiten de eigendomsgrens van [appellant sub 1] opnieuw ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 december 2004 heeft de hoofdingenieur-directeur het besluit van 29 april 2004 aangevuld en aan [appellant sub 1] onder voorschriften ontheffing verleend voor het afmeren van ten hoogste één schip met een maximale breedte van 12 meter aan de kade van de scheepswerf.

Wetsverwijzingen
Scheepvaartverkeerswet
Scheepvaartverkeerswet 1
Scheepvaartverkeerswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805317/1/H3.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], gevestigd te [plaats],

2. de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat van de directie Zuid-Holland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 6 juni 2008 in zaak nr. 04/535 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat van de directie Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2004 heeft de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat van de directie Zuid-Holland (hierna: de hoofdingenieur-directeur), gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003, in zaak nr. 200202312/1, opnieuw beslist op het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1] gemaakte bezwaar. De hoofdingenieur-directeur heeft het bezwaar gericht tegen de bij besluit van 19 december 2000 geweigerde ontheffing voor het innemen van een ligplaats in de Beneden-Merwede met meerdere schepen en/of een stevendok tot een maximale breedte van 23 meter buiten de eigendomsgrens van [appellant sub 1] opnieuw ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 december 2004 heeft de hoofdingenieur-directeur het besluit van 29 april 2004 aangevuld en aan [appellant sub 1] onder voorschriften ontheffing verleend voor het afmeren van ten hoogste één schip met een maximale breedte van 12 meter aan de kade van de scheepswerf.

Bij uitspraak van 6 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 29 april 2004 en 7 december 2004 vernietigd en bepaald dat de hoofdingenieur-directeur een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2008, en de hoofdingenieur-directeur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2008, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 4 september 2008. De hoofdingenieur-directeur heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 1 augustus 2008.

[appellant sub 1] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2009, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. M.H.P. Claassen en mr. P.F.W.A. van Dam, beiden advocaat te Rotterdam, en de hoofdingenieur-directeur, vertegenwoordigd door mr. J. van der Heul en mr. J.G. Kwakernaat, beiden werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Scheepvaartverkeerswet (hierna: Svw), wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, tenzij daarin anders is bepaald, onder scheepvaartverkeer verstaan: verkeer van schepen en andere vaartuigen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, voor zover van belang, kan toepassing van artikel 4, behoudens het bepaalde in het tweede lid, slechts geschieden in het belang van:

a. het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;

b. het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

c. het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan toepassing van artikel 4 ten behoeve van een in het eerste lid genoemd belang mede geschieden in het belang van het voorkomen of beperken van hinder of gevaar door het scheepvaartverkeer voor personen die zich anders dan op een schip te water bevinden.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, sub 1°, kunnen de in het eerste lid, onder a, bedoelde regels slechts verplichtingen met betrekking tot het varen en het ligplaats nemen met schepen en andere vaartuigen inhouden.

Ingevolge artikel 6.20, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: Bpr) moet een schip zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend of een stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een werk zou kunnen worden veroorzaakt, wordt vermeden.

Ingevolge artikel 9.03, eerste lid, is het verboden op de in bijlage 14, onder a, vermelde vaarwegen, of gedeelten daarvan, ligplaats te nemen (ankeren en meren).

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a en b, mogen op een gedeelte van een vaarweg, waar ligplaats nemen is toegestaan, een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, evenwel niet aan herstelwerkzaamheden worden onderworpen of worden geladen, gelost, of ontgast.

Ingevolge het zesde lid, kan de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van het eerste lid. Deze kan onder beperkingen worden verleend en hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.

Ingevolge bijlage 14, onder a, sub 4, is de Beneden-Merwede een vaarweg, als bedoeld in artikel 9.03.

Volgens het Ligplaatsbeleid Hoofdvaarwegen Directie Zuid-Holland (hierna: het Ligplaatsbeleid) worden, behoudens in de in het Ligplaatsbeleid omschreven gevallen, in beginsel geen ontheffingen verleend op grond van artikel 9.03, zesde lid, van het Bpr voor ligplaatsen op onder andere de vaarweg Beneden-Merwede. In beginsel worden uitsluitend ontheffingen verleend om ligplaats te nemen op de Hoofdvaarwegen Directie Zuid-Holland indien het gaat om watergebonden bedrijfsactiviteiten die direct aan de hoofdvaarweg zijn gerelateerd, in die zin dat het noodzakelijk of wenselijk is dat voor de betreffende activiteiten op de vaarweg wordt afgemeerd. Daarbij kan worden gedacht aan bunkerstations. In de afweging zullen veiligheids- en hinderaspecten betrokken worden.

Het hoger beroep van de hoofdingenieur-directeur

Voor zover dit ziet op de vernietiging van het besluit van 29 april 2004

2.2. De hoofdingenieur-directeur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij het besluit van 29 april 2004 niet de veiligheid van het dok en de veiligheid van de daarin aanwezige werkzame personen mochten worden betrokken. Volgens de hoofdingenieur-directeur valt dit veiligheidsaspect onder de reikwijdte van de in artikel 3 van de Svw genoemde belangen.

2.2.1. Dit betoog faalt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Svw (Kamerstukken II 1987/88, 20 289, nr. 3, blz. 6) volgt dat in de bepalingen met betrekking tot de ordening van het scheepvaartverkeer een algemene regeling is gegeven van belangen die kunnen zijn betrokken bij het stellen van regels door de centrale overheid en het toepassen daarvan door de daartoe bevoegde bestuursorganen. De voorgestelde regeling geeft een iets bredere kring van belangen dan alleen de verkeersbelangen, maar beperkt deze reikwijdte van de voorgestelde bepalingen tot hetgeen noodzakelijk is voor een algemene wettelijke regeling met betrekking tot de ordening van het scheepvaartverkeer, aldus de memorie van toelichting bij de Svw. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Svw zich in het algemeen richt tot, en daarmee bedoeld is voor de ordening van de dynamische scheepvaart en geen betrekking heeft op het voorkomen dan wel beperken van veiligheidsrisico's aan boord van schepen dan wel aan boord van een niet aan het scheepvaartverkeer deelnemend dok. Een afgemeerd dok behoort, gelet op artikel 1, aanhef en onder c, van de Svw, niet tot het scheepvaartverkeer. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de veiligheid van het dok, alsmede de veiligheid van de daarin aanwezige werkzame personen geen belang is dat op grond van artikel 3 van de Svw bij de beoordeling van de door [appellant sub 1] verzochte ontheffing voor het innemen van een ligplaats in de Beneden-Merwede kan worden betrokken.

De aanwezigheid van het dok en de daarin werkzame personen kan bij de beoordeling van de door [appellant sub 1] verzochte ontheffing voor het innemen van een ligplaats worden betrokken voorzover het de verplichting van het scheepvaartverkeer om de snelheid zodanig aan te passen dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade optreedt wordt voorkomen, als neergelegd in artikel 6.20 van het Bpr raakt, een en ander bezien tegen de achtergrond van de in artikel 3 van de Svw opgenomen belangen.

2.3. De hoofdingenieur-directeur voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) van 12 april 2007, het besluit van 29 april 2004 niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Volgens de hoofdingenieur-directeur heeft de rechtbank de vraagstelling aan de StAB ten onrechte beperkt tot een vergelijking van het ruimtebeslag van een enkel afgemeerd schip en dat van een stevendok met daarin één of meer gedokte schepen. De hoofdingenieur-directeur wijst in dit verband op de bijzondere veiligheidsrisico's die samenhangen met een af te meren stevendok, zoals het in- en uitdokken van schepen en opdrijven en afzinken van het stevendok, ten gevolge waarvan de doorgaande vaart het vaargedrag aanpast bijvoorbeeld door snelheidsvermindering en/of koerswijziging. De hoofdingenieur-directeur stelt zich voorts op het standpunt dat de StAB een onvolledig uitgangspunt heeft gehanteerd door slechts de beroepsvaart die ter plaatse bekend is in de beoordeling te betrekken. De StAB heeft verder geen rekening gehouden met een toename in scheepsbewegingen, scheepsgrootte en ladingvolume, aldus de hoofdingenieur-directeur.

2.3.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank haar oordeel voor wat betreft de beroepsvaart kunnen baseren op het deskundigenbericht van de StAB. Niet is gebleken immers dat het deskundigenbericht, naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, in zodanige mate dat de rechtbank het deskundigenbericht niet aan haar uitspraak ten grondslag mocht leggen ten aanzien van de beantwoording van de vraag of een stevendok, dat is afgemeerd op een zodanige wijze dat het ruimtebeslag vergelijkbaar is met een schip dat is afgemeerd op de wijze als in de situatie bij [appellant sub 1] feitelijk wordt toegestaan, een groter effect heeft op de capaciteit van de vaarweg vanwege vaartvermindering door passerende beroepsvaart dan zo'n schip.

De rechtbank heeft in haar vraagstelling aan de StAB als uitgangspunt genomen dat het ruimtebeslag van het stevendok van maximaal 23 meter breed - dat niet op meerpalen wordt afgemeerd - nagenoeg vergelijkbaar is met dat van een op de drie huidige meerpalen afgemeerd schip van maximaal 12 meter breed en 135 meter lang. De Afdeling acht dit uitgangspunt in het licht van de feitelijke situatie, waarbij aan [appellant sub 1] op basis van een verleende ontheffing feitelijk wordt toegestaan een schip van maximaal 12 meter breed aan de ter plaatse aanwezige meerpalen af te meren, juist. De hoofdingenieur-directeur heeft daartegenover onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de door hem gestelde bijzondere veiligheidsrisico's, die samenhangen met het innemen van een ligplaats met het stevendok bij [appellant sub 1], een groter negatief effect hebben op de vlotte doorvaart van het scheepvaartverkeer en de capaciteit van de Beneden-Merwede en in sterkere mate tot gedragsaanpassing van de doorgaande vaart leiden dan het afmeren van een schip van maximaal 12 meter breed aan de meerpalen, zoals bij [appellant sub 1] wordt toegestaan. Uit het deskundigenbericht van de StAB volgt dat het onderzoek zich niet heeft beperkt tot uitsluitend het ruimtebeslag, zoals de hoofdingenieur-directeur heeft gesteld, maar dat de onderzoeksvraag in ruimere context is bezien.

Aan de hoofdingenieur-directeur kan worden toegegeven dat in het deskundigenbericht de nadruk is gelegd op de beroepsvaart, terwijl de hoofdingenieur-directeur bij de besluitvorming, naar hij stelt, ook met andere belangrijke aspecten rekening dient te houden, zoals recreatievaart, ter plaatse minder bekende binnenschippers, de aanwezigheid van coasters en verkeer onder ongunstige omstandigheden. De hoofdingenieur-directeur heeft echter met hetgeen hij op deze punten naar voren heeft gebracht onvoldoende geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt dat deze aspecten een zodanig grote rol hebben gespeeld in de besluitvorming dat de conclusie is gerechtvaardigd dat in het deskundigenbericht een te beperkt uitgangspunt is gehanteerd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de hoofdingenieur-directeur in het besluit op bezwaar van 29 april 2004 het belang van de recreatievaart slechts zijdelings heeft genoemd en niet heeft gemotiveerd waarom dit belang zwaarder dient te wegen dan het belang van [appellant sub 1] in het licht van de door de hoofdingenieur-directeur toegestane feitelijke situatie. De enkele stelling van de hoofdingenieur-directeur ter zitting bij de Afdeling dat veel recreatievaart passeert en dat de Beneden-Merwede is opgenomen in het "Basistoervaartnet recreatievaart", hoogste klasse, is daarvoor onvoldoende.

Het aspect dat rekening moet worden gehouden met ter plaatse minder bekende schippers en verkeer onder ongunstige omstandigheden, heeft de hoofdingenieur-directeur niet genoemd in het besluit op bezwaar van 29 april 2004. Verder heeft de hoofdingenieur-directeur in het besluit op bezwaar van 29 april 2004 overwogen dat het van groot belang is dat de Beneden-Merwede in staat blijft om de groei van het scheepvaartverkeer te blijven accommoderen. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat de Beneden-Merwede geen capaciteitsproblemen zal ondervinden van een toename van de beroepsvaart. De StAB heeft bij deze conclusie de aanleg van de Maasvlakte II betrokken. De stelling van de hoofdingenieur-directeur dat in het deskundigenbericht geen rekening is gehouden met een toename in scheepsbewegingen, scheepsgrootte en ladingvolume, is derhalve onjuist.

De Afdeling is, gelet op al hetgeen hiervoor in 2.3.1. is overwogen, van oordeel dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat aan het besluit van 29 april 2004, gelet op de feitelijke situatie waarbij aan [appellant sub 1] wordt toegestaan een schip van maximaal 12 meter breed aan meerpalen af te meren, geen deugdelijke motivering ten grondslag ligt.

2.4. De hoofdingenieur-directeur betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bepaalde in artikel 6.20 van het Bpr niet als grondslag kan worden gebruikt voor het weigeren van een ontheffing als bedoeld in artikel 9.03, zesde lid, van het Bpr. Volgens de hoofdingenieur-directeur ontstaat door de verplichting die het scheepvaartverkeer op grond van artikel 6.20 van het Bpr heeft een negatieve werking op de vlotheid van het scheepvaartverkeer, zodat deze bepaling als grondslag kan dienen voor het weigeren van de ontheffing.

2.4.1. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de verplichting voor het scheepvaartverkeer om de snelheid zodanig aan te passen dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade optreedt wordt voorkomen, als neergelegd in artikel 6.20 van het Bpr, gelet op hetgeen is overwogen in 2.2.1, kan worden betrokken bij de beoordeling van de door [appellant sub 1] verzochte ontheffing voor het innemen van een ligplaats met een stevendok. Het betoog van de hoofdingenieur-directeur is in zoverre terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op hetgeen in 2.3.1. is overwogen, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Voor zover dit ziet op de vernietiging van het besluit van 7 december 2004

2.5. De hoofdingenieur-directeur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in strijd met het doel en de strekking van artikel 9.03 van het Bpr aan de aan [appellant sub 1] bij besluit van 7 december 2004 verleende ontheffing voor het afmeren van een schip de voorwaarde is verbonden dat op het afgemeerde schip geen werkzaamheden mogen worden verricht.

2.5.1. Vaststaat dat de hoofdingenieur-directeur geen toestemming heeft verleend aan [appellant sub 1] om een aan de meerpalen afgemeerd schip aan herstelwerkzaamheden te onderwerpen, als bedoeld in artikel 9.03, tweede lid, van het Bpr. Ook ingeval de voorwaarde niet aan de ontheffing zou zijn verbonden, is het verbod als neergelegd in artikel 9.03, tweede lid, van het Bpr daarom van kracht. Het oordeel van de rechtbank dat de aan de ontheffing verleende voorwaarde dat geen werkzaamheden mogen worden verricht in strijd is met doel en strekking van artikel 9.03 van het Bpr, is dan ook onjuist. Het betoog van de hoofdingenieur-directeur is in zoverre terecht voorgedragen. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding om de aangevallen uitspraak op dit punt te vernietigen en overweegt daartoe het volgende. Ter beantwoording ligt de vraag voor of de hoofdingenieur-directeur in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verlenen van toestemming tot het verrichten van werkzaamheden aan een aan de meerpalen afgemeerd schip. Met de rechtbank wordt in dit verband overwogen dat de hoofdingenieur-directeur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van de veiligheid van de personen aan boord van een aan de meerpalen afgemeerd schip kan worden betrokken bij de beoordeling van het verlenen van toestemming op grond van artikel 9.03, tweede lid, van het Bpr. De veiligheid van personen aan boord van een aan de meerpalen afgemeerd schip valt niet onder de in artikel 3 van de Svw genoemde belangen. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar hetgeen onder 2.2.1 is overwogen. De hoofdingenieur-directeur heeft verder onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het verrichten van werkzaamheden aan een afgemeerd schip, gelet op de verplichting neergelegd in artikel 6.20 van het Bpr, leidt tot een groter risico op schade aan een schip ten gevolge van hinderlijke waterbeweging dan bij een afgemeerd schip waaraan geen werkzaamheden worden verricht.

Het hoger beroep van de hoofdingenieur-directeur leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoofdingenieur-directeur de bij besluit van 7 december 2004 verleende ontheffing heeft kunnen beperken tot slechts één schip. [appellant sub 1] heeft jarenlang meer dan twee schepen aan haar kade afgemeerd, hetgeen is gedoogd door de hoofdingenieur-directeur. Gelet op het gedoogbeleid van de hoofdingenieur-directeur mocht zij er dan ook op vertrouwen dat ontheffing zou worden verleend voor het innemen van een ligplaats met meer dan één schip, aldus [appellant sub 1].

2.6.1. Dit betoog faalt. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellant sub 1] jarenlang met meer dan twee schepen ligplaats heeft ingenomen aan haar kade, hetgeen door de hoofdingenieur-directeur zou zijn gedoogd, niet met zich brengt dat de hoofdingenieur-directeur om die reden gehouden is ontheffing te verlenen voor het innemen van ligplaats met meer dan één schip. Uit mutatieformulieren, gevoegd achter het besluit van 29 april 2004, volgt dat de hoofdingenieur-directeur [appellant sub 1] meermaals heeft gewezen op de omstandigheid dat in strijd met wettelijke bepalingen ligplaats was ingenomen met meer dan één schip. Aan de enkele omstandigheid dat de hoofdingenieur-directeur vervolgens niet is overgegaan tot handhavend optreden tegen het overtreden van het verbod neergelegd in artikel 9.03 van het Bpr, kon [appellant sub 1] niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat aan haar een ontheffing zou worden verleend voor het innemen van een ligplaats met meer dan één schip.

2.7. [appellant sub 1] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

2.7.1. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat aan andere bedrijven ontheffingen zijn verleend voor het innemen van een ligplaats met meer dan één schip niet tot het oordeel leidt dat aan [appellant sub 1] eveneens ontheffing moet worden verleend voor het innemen van een ligplaats met meer dan één schip. De hoofdingenieur-directeur heeft in de uitgebreide uiteenzetting "Ligplaatsen langs rivieren Beneden Merwede en Noord in het Benedenrivierengebied", die als bijlage bij het besluit van 29 april 2004 is gevoegd, voldoende gemotiveerd dat de door [appellant sub 1] genoemde gevallen op relevante punten niet gelijk zijn aan de situatie van [appellant sub 1].

Het hoger beroep van [appellant sub 1] leidt evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust. De hoofdingenieur-directeur dient opnieuw op de bezwaren te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Afdeling ziet geen aanleiding om, zoals [appellant sub 1] voorstaat, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Hiertoe wordt overwogen dat aan de hoofdingenieur-directeur bij het nemen van een nieuw besluit op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak beleids- en beoordelingsvrijheid resteert, waarbij de hoofdingenieur-directeur het recht toekomt om aan een eventueel te verlenen ontheffing voorschriften te verbinden.

2.9. De hoofdingenieur-directeur dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voorts dient de Staat der Nederlanden gelet op artikel 40, derde lid, van de Wet op de Raad van State griffierecht te voldoen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat van de directie Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden aan [appellant sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de Staat der Nederlanden griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

280-581.