Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200807284/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2007 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd om ten behoeve van [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807284/1/H3.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2008 in zaak nr. 07/4687 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2007 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd om ten behoeve van [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2008, verzonden op 1 september 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar [appellant], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B. Lijnse, ambtenaar in dienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt onder een vertrouwensfunctie verstaan: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen.

Ingevolge het bepaalde onder b wordt onder een verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, wijst de minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort, functies die de mogelijkheid bieden de nationale veiligheid te schaden aan als vertrouwensfuncties.

Ingevolge artikel 4, derde lid, belast de werkgever een persoon eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie, nadat de minister ten aanzien van die persoon een verklaring heeft afgegeven.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld.

Ingevolge het tweede lid omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie, waarbij uitsluitend wordt gelet op gegevens betreffende het onder a tot en met d vermelde. Onder a zijn vermeld de justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens uit politieregisters als bedoeld in de Wet politieregisters.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder c, geschiedt weigering van een verklaring door de minister in overeenstemming met de minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat.

Ingevolge het tweede lid kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit van 15 maart 2006, nr. 5405405/06/NCTb, houdende aanwijzing van vertrouwensfuncties ten behoeve van de beveiliging van de burgerluchtvaart, voor zover thans van belang, zijn functies waarbij regulier toegang tot om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones van de Luchthaven Schiphol moet worden verkregen, aangewezen als vertrouwensfuncties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wvo.

2.1.1. In de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens (hierna: de Beleidsregel) van 30 januari 1997 (Stcrt. 1997, nr. 35, p. 9) heeft de minister een leidraad gegeven voor het afgeven van verklaringen van geen bezwaar in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens.

In artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel is als uitgangspunt neergelegd dat indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a van de Wvo, bij de beoordeling daarvan rekening wordt gehouden met:

[…]

b. de ouderdom van de gegevens;

c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

[…]

Met betrekking tot de ouderdom van de gegevens bepaalt de toelichting bij artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel dat in beginsel gekeken wordt naar gegevens die niet ouder zijn dan acht jaar.

Volgens artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel wordt bij voormelde beoordeling in het bijzonder gelet op gegevens betreffende:

[…]

g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling;

[…].

2.2. [appellant] is door Bostonair aangemeld bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst voor een veiligheidsonderzoek in verband met de door hem geambieerde vertrouwensfunctie van vliegtuigtechnicus op de Nederlandse burgerluchthaven Schiphol. Naar aanleiding van het uitgevoerde veiligheidsonderzoek heeft de minister, in overeenstemming met de minister van Justitie, geweigerd [appellant] een verklaring van geen bezwaar te verstrekken. De minister heeft aan deze - bij het besluit op bezwaar gehandhaafde - weigering ten grondslag gelegd dat uit navraag bij de dienst Centrale Justitiële Documentatie van het Ministerie van Justitie is gebleken dat [appellant] in 2005 is veroordeeld tot 50 uren werkstraf en twee weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren voor een poging tot zware mishandeling. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet hierop onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan de voorwaarde die artikel 8, tweede lid, van de Wvo stelt aan het gebruik van de bevoegdheid tot weigering van een verklaring. De rechtbank is tevens van oordeel dat niet is gebleken dat de minister niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Voorts heeft de rechtbank de stelling van [appellant] dat hij geen ander werk kan verrichten dan het werk van vliegtuigtechnicus als niet onderbouwd verworpen.

2.4. [appellant] betoogt dat het oordeel van de rechtbank niet in stand kan blijven, reeds omdat de rechtbank door een fout van de minister geen kennis heeft kunnen nemen van het volledige verslag van de hoorzitting die in bezwaar is gehouden.

2.4.1. Dit betoog faalt. In het advies van de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken van 5 oktober 2007 worden de bezwaren van [appellant] die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gekomen, weergegeven en inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft van dit advies, dat deel uitmaakt van het dossier, kennis kunnen nemen. Tevens heeft de minister ter zitting bij de Afdeling onweersproken gesteld dat inhoudelijk alle argumenten gewisseld zijn. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellant] tijdens de behandeling van zijn beroep in zijn processuele belangen is geschaad.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank bij haar oordeel ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat hij tot 54 jaar voor het begaan van het strafbare feit niet bij justitie bekend was.

2.5.1. De rechtbank heeft - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006 in zaak nr. 200507765/1 - terecht overwogen dat de minister bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen, beoordelingsvrijheid toekomt die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Deze vrijheid heeft de minister voor wat betreft de beoordeling van justitiële gegevens ingevuld in de Beleidsregel. Blijkens artikel 1, tweede lid, onder g van de Beleidsregel wordt bij de beoordeling van deze gegevens in het bijzonder gelet op gegevens betreffende zware vormen van mishandeling. Voorts staat in de toelichting bij artikel 1 dat in beginsel gekeken wordt naar justitiële gegevens die niet ouder zijn dan acht jaar. Indien de opgelegde veroordeling meer dan 40 uren werkstraf bedraagt, wordt deze termijn strikt toegepast. Met de rechtbank acht de Afdeling dit beleid, en de toelichting daarop, niet onredelijk.

Vaststaat dat [appellant] in 2005 is veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling en hiervoor ondermeer een werkstraf van 50 uren opgelegd heeft gekregen. Het feit dat [appellant] in de 54 jaren voor het begaan van de strafbare poging nooit is veroordeeld, doet hier, gelet op het vorenstaande, niet aan af, zodat de rechtbank daaraan terecht voorbij is gegaan.

2.6. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte zijn stelling heeft verworpen dat hij gezien zijn leeftijd en gebrek aan ervaring geen ander werk kan verrichten dan het werk van vliegtuigtechnicus.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 mei 2008 in zaak nr. 200709061/1 acht de Afdeling het uitgangspunt van de minister dat het belang van de nationale veiligheid - in dit geval bestaande uit de veiligheid van personen en goederen op de luchthaven - bij de afweging van de betrokken belangen, zwaarder weegt dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie wil vervullen, gelet op het bijzondere karakter van een dergelijke functie, niet onredelijk.

Zoals de Afdeling voorts meermalen heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200705784/1) is het niet kunnen vervullen van de vertrouwensfunctie door de betrokkene die niet beschikt over een verklaring van geen bezwaar inherent aan het systeem van de Wvo en moeten de daarmee samenhangende belangen van de betrokkene derhalve worden geacht te zijn verdisconteerd in de Wvo. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat hij wegens zijn leeftijd en gebrek aan ervaring geen ander werk kan verrichten, kan derhalve niet als zodanig bijzonder worden aangemerkt dat de minister op grond hiervan van het door hem gehanteerde uitgangspunt had moeten afwijken. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt derhalve.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

312-611.