Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200806137/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlist (hierna: het college) Stichting Evangelisch Centrum "De Rivier" (hierna: de stichting) gelast het met het ter plaatse geldende bestemmingsplan strijdige gebruik, te weten het houden van bijeenkomsten, van het pand op het perceel Provincialeweg West 44 te Vlist (hierna: het pand) te beëindigen en beëindigd te houden, zulks onder oplegging van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2009, 1017
JB 2009/172
JOM 2009/579
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806137/1/H1.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Evangelisch Centrum De Rivier, gevestigd te Haastrecht, gemeente Vlist,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 2008 in zaak nrs. 08/4085 en 08/4086 in het geding tussen:

de stichting Stichting Evangelisch Centrum De Rivier

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlist (hierna: het college) Stichting Evangelisch Centrum "De Rivier" (hierna: de stichting) gelast het met het ter plaatse geldende bestemmingsplan strijdige gebruik, te weten het houden van bijeenkomsten, van het pand op het perceel Provincialeweg West 44 te Vlist (hierna: het pand) te beëindigen en beëindigd te houden, zulks onder oplegging van een dwangsom.

Bij besluit van 28 april 2008 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard, met dien verstande dat daarbij alsnog een begunstigingstermijn is vastgesteld en is bepaald dat de stichting binnen tien weken na de verzending van dit besluit de met het geldende bestemmingsplan strijdige activiteit(en) dient te (doen) beëindigen en beëindigd te houden.

Bij uitspraak van 7 juli 2008, verzonden op 8 juli 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.H. Fleers, advocaat te Den Haag, en A.C. van Hoogstraten, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, en mr. B. Zevenhuizen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het pand is gelegen op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Haastrecht" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de subbestemming "aardewerkbedrijf (Bllaw)" hebben.

2.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" ter plaatse van de bestemmingsaanduiding "Bll" zonder subbestemming bestemd voor bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Inrichtingen en ter plaatse van de subbestemming "Bllaw" tevens voor het uitoefenen van een aardewerkbedrijf.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

2.3. Het door de stichting gemaakte gebruik van het pand voor het houden van bijeenkomsten kan niet worden aangemerkt als de uitoefening van een aardewerkbedrijf. Evenmin betreft dit gebruik een bedrijf dat is genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Inrichtingen. Het gewraakte gebruik is derhalve in strijd met het in voormeld artikel 26 van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod.

2.4. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat dit gebruiksverbod, wat betreft het thans in geding zijnde gebruik, buiten toepassing moet worden gelaten, omdat dit verbod een ontoelaatbare beperking inhoudt van de in artikel 9 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde vrijheid van godsdienst. Ter ondersteuning van haar betoog heeft de stichting gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2008 in zaak nr. 200706809/1.

2.4.1. Artikel 9 van het EVRM luidt:

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.4.2. In de door de stichting genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2008 is overwogen dat het feit dat een grondrecht in het geding is, niet zonder meer betekent dat een in de planvoorschriften neergelegd gebruiksverbod ter zijde wordt gesteld. Daarvoor is van belang dat de planvoorschriften niet zijn gericht op regeling van de inhoud van de godsdienst of de wijze van belijden daarvan. De beperking door het gebruiksverbod, neergelegd in artikel 26 van de planvoorschriften, van de rechten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het EVRM vindt haar grondslag in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en de op grond van die wet, onder andere door het gemeentebestuur, nader vastgestelde regelgeving, daaronder begrepen een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de WRO. Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2004 in zaak nr. 200306212/1, is het gebruiksverbod derhalve bij wet voorzien.

Aangezien de beperking van de in artikel 9, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten door het gebruiksverbod ertoe strekt dat onder meer de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt, dient dit een legitiem doel, namelijk de bescherming van de openbare orde en de rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Naar het college ter zitting onweersproken heeft gesteld, bestaan binnen de gemeente Vlist verschillende locaties met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", waar het in geding zijnde gebruik wel onder valt. Voorts is gebleken dat de stichting na het verlaten van het pand haar bijeenkomsten op andere locaties, laatstelijk in het nabijgelegen Gouda, heeft kunnen voortzetten. Aldus maakt het in artikel 26 van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod het houden van bijeenkomsten door de stichting niet onmogelijk. De uit dat verbod voortvloeiende beperking is, anders dan de stichting betoogt, onder die omstandigheden niet onevenredig aan het ermee beoogde doel. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de belangen van de stichting er niet toe nopen toepassing van het gebruiksverbod of optreden ter handhaving daarvan achterwege te laten.

Het betoog faalt.

2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. De stichting betoogt dat een tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO kan worden verleend en om die reden sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Volgens de stichting is de tijdelijkheid van het gebruik gewaarborgd door toekomstige plannen van het college om op de onderhavige locatie binnen afzienbare termijn woningbouw te realiseren. Ook heeft de stichting twee hectare grond aangekocht waarop zij, indien het college bereid is medewerking te verlenen aan een bestemmingsplanwijziging, haar activiteiten kan ontplooien. Deze omstandigheid is volgens haar niet ongewis te noemen, omdat het college zelf invloed heeft op de daadwerkelijke uitvoering van die ontwikkeling. De uitvoering zou bijvoorbeeld in de vorm van een vaststellingsovereenkomst kunnen worden verankerd, aldus de stichting.

2.6.1. Ook dit betoog faalt. Het college heeft aangegeven niet bereid te zijn de door de stichting bedoelde vrijstelling te verlenen, omdat de tijdelijkheid van het gebruik niet vaststaat. Dat standpunt is niet op voorhand onjuist te achten.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 29 maart 2006, nr. 200504171/1, waarnaar ook de rechtbank heeft verwezen, is voor de toepassing van artikel 17 van de WRO vereist dat er voldoende concrete, objectieve gegevens zijn om aan te nemen dat de situatie waar de te verlenen vrijstelling op ziet slechts een tijdelijk karakter heeft. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat met betrekking tot het in geding zijnde gebruik niet van dergelijke gegevens is gebleken. De aankoop van twee hectare grond door de stichting en de nog niet concrete plannen van het college met het perceel zijn onvoldoende om aan te nemen dat het hier gaat om een situatie van tijdelijke aard.

De voorzieningenrechter is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat geen concreet zicht op legalisatie bestond.

2.7. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij voert daartoe aan dat het college niet handhavend optreedt ten aanzien van drie gevallen waarin het pand eveneens in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt.

2.7.1. De door de stichting bedoelde gevallen betreffen twee bedrijven en de brandweer, die volgens de stichting ter plaatse evenementen en feesten organiseert. Vast staat dat voor de activiteiten van de twee bedrijven in het verleden tijdelijke vrijstellingen zijn verleend, zodat in die gevallen van illegaal gebruik geen sprake is. Voorts is gebleken dat de brandweer de door de stichting genoemde activiteiten, wat daar verder van zij, inmiddels niet meer op het perceel uitoefent. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

2.8. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het dagelijks bestuur ertoe hadden moeten leiden van handhavend optreden af te zien.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

270-580.