Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200806105/1/H1 en 200806363/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel Kapellerpad 15 te Valkenswaard (hierna: het perceel) voor kampeerdoeleinden en horeca-gerelateerde doeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806105/1/H1 en 200806363/1/H1.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellanten sub 1]

2. [appellant sub 2]

allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 juli 2008 in zaken nrs. 07/2779, 07/2926 en 07/2891 in het geding tussen:

[appellanten sub 1],

[appellant sub 2],

[wederpartij],

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel Kapellerpad 15 te Valkenswaard (hierna: het perceel) voor kampeerdoeleinden en horeca-gerelateerde doeleinden.

Bij besluit van 24 juli 2007, voor zover hier van belang, heeft het college het door [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] (hierna: in enkelvoud [appellant sub 1]) daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2008, verzonden op 7 juli 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 juli 2007 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2008, en [appellant sub 2], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2003, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.L.R.E.M. Ludwig, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.G.W. van Heugten, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [wederpartij].

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat niet het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied", maar het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" van toepassing is.

2.1.1. Dit betoog slaagt. Het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" bevat hoofdbestemmingen, welke zijn weergegeven op plankaart 1, en dubbelbestemmingen, welke zijn weergegeven op plankaart 2. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan is aan het perceel blijkens plankaart 1 de (hoofd)bestemming "Agrarische Hoofdstructuur" toegekend en blijkens plankaart 2 de (dubbel)bestemming "Kampeerterrein". Bij uitspraak van de Afdeling van 19 april 2006, nr. 200504868/1, is, voor zover hier van belang, slechts goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" voor zover daarin aan het perceel de (dubbel)bestemming "Kampeerterreinen" is gegeven. Hieruit volgt dat voor het perceel het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" geldt en het overgangsrecht van dit bestemmingsplan in acht dient te worden genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.2. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" de (hoofd)bestemming "Agrarische Hoofdstructuur". Vaststaat dat het gebruik van het perceel voor kampeerdoeleinden met die bestemming in strijd is. Deze strijdigheid betreft het gebruik voor kampeerdoeleinden van zowel de gronden als de daarop gelegen opstallen. Nu het gebruik van de voormalige stal als groepsaccommodatie deel uitmaakt van de kampeerfaciliteiten, moet ervan worden uitgegaan dat het oordeel van de rechtbank ook daarop ziet.

2.3. Ingevolge artikel 0.8, lid B/C, onder 1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing, en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan en dat bestaat op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd.

Ingevolge dat lid, onder 2 mag het onder 1 bedoelde gebruik na feitelijke beëindiging daarvan niet worden hervat. Onder feitelijke beëindiging wordt in ieder geval verstaan een onderbreking van het gebruik langer dan drie jaar.

Ingevolge dat lid, onder 3 is het verboden het met het plan strijdig gebruik van grond en opstallen te wijzigen, indien hierdoor de afwijking van het plan wordt vergroot.

Ingevolge dat lid, onder 4, is het bepaalde onder 1 niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge artikel 43, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover hier van belang, mag het gebruik van grond en bouwwerken, bestaande op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan en strijdig met het plan, worden gehandhaafd. Deze bepaling geldt echter voor wat betreft het gebruik van de grond als staanplaats voor caravans, woon- of stacaravans, tenten, kampeerauto's en/of andere al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken en voor kamperen bestemde voer- en vaartuigen, en voor wat betreft het gebruik van vorenvermelde opstallen uitsluitend voor degenen, die op voormeld tijdstip zakelijk of persoonlijk gerechtigde zijn van gronden en/of opstallen, die tot voormeld tijdstip voor zodanig gebruik werden gebezigd.

Ingevolge het tweede lid, onder b, van dat artikel is wijziging van het met het plan strijdige gebruik van de gronden en opstallen toegestaan, mits door deze wijziging van het gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

2.4. Uit artikel 0.8, lid B/C, onder 4 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" volgt dat bij de beantwoording van de vraag of het college bevoegd was om handhavend op te treden, moet worden bezien welke omvang het gebruik van het perceel voor kampeerdoeleinden had ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Buitengebied", te weten 29 juni 1986 (hierna: de peildatum). Indien het thans bestaande gebruik niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied" valt kan het, gelet op artikel 0.8, lid B/C, onder 4, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998, evenmin onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" worden gebracht.

Daarbij dient eveneens te worden bezien of het gebruik na de peildatum is geïntensiveerd nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 april 2007, nr. 200605047/1), intensivering van het gebruik een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan naar de aard met zich brengt. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, komt in dit verband geen betekenis toe aan de tweede volzin van artikel 43, tweede lid, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied".

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het aannemelijk heeft kunnen achten dat ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Buitengebied" reeds sprake was van het gebruik van het perceel voor kampeerdoeleinden. Voorts betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat voor zover het overgangsrecht wel van toepassing is, dient te worden vastgesteld wat dan precies onder het overgangsrecht valt.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt kon stellen dat aannemelijk kan worden geacht dat het perceel ten tijde van de peildatum gebruikt werd voor kampeerdoeleinden. Uit de verklaring van de oud-directeur van de basisschool Molenwijk te Malden, de foto van de door die school aan [belanghebbende] verleende beker voor het kamperen in het groepsgebouw, de kampeeradministratie en de vermelding in de kampeernota blijkt, in onderling verband bezien, voldoende dat op de peildatum sprake was dergelijk gebruik. De rechtbank heeft daarbij terecht geoordeeld dat [appellant sub 2] door het betrekken van de door [belanghebbende] in de bezwaarfase overgelegde reserveboekhouding bij het besluit op bezwaar niet in zijn belangen is geschaad, nu hij de gelegenheid heeft gehad zich over deze boekhouding uit te laten.

Dat het perceel ten tijde van de peildatum werd gebruikt voor kampeerdoeleinden betekent evenwel nog niet dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. Niet gebleken is dat de rechtbank op enigerlei wijze de vraag naar de eventuele intensivering van het gebruik na de peildatum bij haar oordeel heeft betrokken. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat zodanige intensivering heeft plaatsgevonden. Het college was in zoverre dan ook bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 24 juli 2007 in stand zijn gelaten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. Het college dient met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren te nemen. Daarbij zal duidelijkheid dienen te worden verkregen omtrent de omvang van het gebruik voor kampeerdoeleinden ten tijde van de peildatum en van de daarna opgetreden intensivering van dat gebruik.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 juli 2008 in zaak nrs. 07/2779 en 07/2926 voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juli 2007 in stand zijn gelaten;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 juli 2008 in die zaak nrs. voor het overige;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Valkenswaard onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald:

- aan [appellant sub 2] € 644,00

- aan [appellanten sub 1] € 322,00;

V. gelast dat de gemeente Valkenswaard aan [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] de door hen betaalde griffierechten, elk ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

270-580.