Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200803491/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het inzamelen, op- en overslaan, sorteren en bewerken van oud papier, plastics, hout, ferro- en non-ferrometalen, bouw- en sloopafval en overige afvalstoffen, gelegen aan de [locatie 1] en de [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 3 april 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3519
JAF 2009/42 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803491/1.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het inzamelen, op- en overslaan, sorteren en bewerken van oud papier, plastics, hout, ferro- en non-ferrometalen, bouw- en sloopafval en overige afvalstoffen, gelegen aan de [locatie 1] en de [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 3 april 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2008, [appellant sub 2] en anderen (hierna: [appellant sub 2] e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2008, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2009, waar [appellant sub 2] e.a. en [appellant sub 4], vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.A. Oordt en ing. A.L. Broshuis, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting, waarvoor bij besluit van 21 april 1999 aan [bedrijf], rechtsvoorgangster van [vergunninghoudster], een revisievergunning is verleend, is gesitueerd op het gezoneerde industrieterrein "Euregio Bedrijvenpark". De bedrijven of (bedrijfs)woningen van appellanten liggen ook op dit gezoneerde industrieterrein.

De eerder bij besluit van 3 mei 2006 aan [vergunninghoudster] verleende revisievergunning is bij uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007 in zaak nr. 200604673/1 vernietigd.

Intrekking beroepsgrond

2.2. [appellant sub 2] e.a. hebben ter zitting de beroepsgrond die betrekking heeft op het Landelijk Afvalbeheer Plan ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.3. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten.

2.4. [appellant sub 4] stelt dat het weliswaar geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht, maar dat het beroep ook voor zover door hem ingesteld ontvankelijk moet worden geacht, aangezien de bekendmaking van het ontwerp van het besluit niet op juiste wijze is geschied. Nu het gaat om een aanvraag die vóór 1 juli 2005 is ingediend, had het college het besluit volgens hem moeten voorbereiden met toepassing van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die afdeling luidde vóór 1 juli 2005. Het college heeft het besluit volgens hem ten onrechte voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.1. Het college heeft de aanvraag van [vergunninghoudster] om vergunning krachtens de Wet milieubeheer ontvangen op 8 juni 2005. Uit de stukken blijkt dat het college met toepassing van artikel 14.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft bepaald dat als datum van ontvangst van deze aanvraag geldt de datum van ontvangst van de aanvraag om vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, te weten 13 juli 2005. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de genoemde uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200604673/1 is dit niet onjuist. Derhalve zijn de bij de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb doorgevoerde wetswijzigingen op het geding van toepassing. Het college heeft het bestreden besluit derhalve terecht voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die afdeling luidt met ingang van 1 juli 2005.

Niet is gebleken dat het college, gelet op artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, van het ontwerp van het besluit onvoldoende kennis heeft gegeven.

Gezien het vorenstaande valt het [appellant sub 4] redelijkerwijs te verwijten dat het geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. Het door hem ingestelde beroep is daarom niet-ontvankelijk.

2.5. [appellant sub 2] e.a. hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijk afval. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 2] e.a. voor zover dat betrekking heeft op de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijk afval niet-ontvankelijk is.

Voorbereidingsprocedure

2.6. [appellant sub 2] e.a. betogen dat het college het bestreden besluit ten onrechte heeft voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die afdeling luidt met ingang van 1 juli 2005, aangezien de aanvraag is ingediend vóór 1 juli 2005. Volgens hen kon artikel 14.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet meer worden toegepast omdat op de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren inmiddels een besluit is genomen.

2.6.1. Het college heeft een gecoördineerde behandeling van de aanvraag om de onderhavige vergunning met de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevorderd en daarbij met toepassing van 14.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaald dat als datum van ontvangst van de aanvraag om de onderhavige vergunning geldt de datum van ontvangst van de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Dat inmiddels een besluit is genomen op de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren heeft in de aldus bepaalde datum geen wijziging gebracht. De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

De aanvraag

2.8. Volgens [appellant sub 3] voldoet de aanvraag niet aan de daaraan te stellen eisen, en had zij in verband daarmee niet mogen worden geaccepteerd. [appellant sub 3] betoogt in dit verband dat de bij de aanvraag verstrekte informatie ondeugdelijk is, omdat verouderde documenten en tekeningen zijn gebruikt, aangezien op geen enkel document of tekening de uitbreiding van het Bedrijvenpark II is weergegeven.

[appellant sub 3] betoogt voorts dat het aanvraagformulier onjuist is ingediend omdat daarin staat dat er geen milieulogboek en geen milieuzorghandboek aanwezig zijn, terwijl in het besluit en de verstrekte informatie is beschreven dat er een milieulogboek zal worden bijgehouden en op aanvraag beschikbaar zal zijn.

2.8.1. Hetgeen [appellant sub 3] naar voren heeft gebracht leidt niet tot de conclusie dat de bij de aanvraag gevoegde gegevens niet voldoen aan de eisen van artikel 5.1 in samenhang met artikel 5.18 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] e.a. betogen dat in de aanvraag vele documenten zijn opgenomen die op naam van [bedrijf] zijn opgesteld. Nu niet is aangetoond dat [vergunninghoudster] de volledige verantwoordelijkheid overneemt van [bedrijf], is de verstrekte informatie volgens hen onjuist.

2.9.1. De aanvraag om vergunning is ingediend door [vergunninghoudster]. Dat een deel van de tot de aanvraag behorende documenten is opgesteld door [bedrijf] brengt niet mee dat niet wordt voldaan aan artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 5.18 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Overigens geldt de vergunning ingevolge artikel 8.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor degene die de inrichting drijft. De beroepsgrond faalt.

2.10. Volgens [appellant sub 2] e.a. had wegens het ontbreken van de gegevens in de aanvraag die aanvraag niet in behandeling mogen worden genomen. De aanvraag biedt volgens hen te weinig informatie over de acceptatieprocedure en de goederenadministratie waardoor de belasting voor het milieu niet goed kan worden beoordeeld. Voorts is volgens hen de grens van de inrichting niet duidelijk zijn, waardoor de geluidvoorschriften voor verscheidene uitleg vatbaar zijn.

2.10.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar eerder genoemde uitspraak van 2 mei 2007, in zaak nr. 200604673/1, zijn de grenzen van de inrichting aangegeven op de tekeningen die bij de aanvraag zijn gevoegd. Voorts is een beschrijving van de acceptatie- en administratieprocedure bij de aanvraag gevoegd. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] e.a. naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. De beroepsgrond faalt.

2.11. Volgens [appellant sub 3] zou, omdat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, iedere afwijking van de bij de aanvraag gevoegde gegevens ertoe leiden dat de vergunning zou moeten worden ingetrokken en alle werkzaamheden zouden moeten worden gestaakt, en had om deze reden moeten worden afgezien van het verstrekken van deze vergunning.

2.11.1. Het betoog van [appellant sub 3] ziet op de vrees dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften niet worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.

Gebruik vergunning

2.12. Ter zitting hebben [appellant sub 2] e.a. naar voren gebracht dat de vergunde uitbreiding van de inrichting waarschijnlijk niet zal worden gerealiseerd, omdat hiervoor geen bouwvergunning zal worden verleend. Dit kan er volgens hen toe leiden dat de inrichting zonder vergunning in werking zal zijn, aangezien de bij besluit van 21 april 1999 verleende vergunning 10 jaar na haar inwerkingtreding vervalt.

2.12.1. De Afdeling overweegt dat, wat hier van zij, dit aspect niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Geluid

2.13. [appellanten sub 1] betogen dat uit ervaring blijkt dat [vergunninghoudster] niet kan voldoen aan de geluidvoorschriften. Volgens hen blijkt uit de overtredingen die hebben plaatsgevonden dat de inrichting niet kan worden geëxploiteerd binnen de tijd die in de geluidvoorschriften besloten ligt. Ook zijn volgens hen de echte geluidbronnen onvermeld gebleven.

2.13.1. Het college heeft zich voor de beoordeling van de geluidbelasting en het stellen van voorschriften gebaseerd op het akoestisch rapport van Akoestisch Bureau Tideman van 25 februari 2005. Gelet op het deskundigenbericht bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport een onjuist of onvolledig beeld geeft van de geluidbelasting bij de representatieve bedrijfssituatie. Het college heeft het gelet daarop terecht aannemelijk geacht dat de geluidvoorschriften kunnen worden nageleefd. De beroepsgrond faalt.

2.14. [appellant sub 2] e.a. betogen dat de in de voorschriften 5.1.4 en 5.1.5 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode van 76, 82, 68 en 78 dB(A) te hoog zijn, hetgeen zal leiden tot aantasting van het leefmilieu en verstoring van de slaap van bewoners van woningen van derden.

2.14.1. Het college merkt op dat alleen het immissiepunt 6 ziet op een (bedrijfs)woning en dat deze is gelegen op het gezoneerde industrieterrein. Het college betoogt dat aan woningen die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein geen wettelijke bescherming toekomt. Wel wordt volgens het college, door de grenswaarden die zijn gesteld op basis van het tot de aanvraag behorende akoestische rapport, de op het industrieterrein gelegen woningen een zekere bescherming tegen geluidhinder geboden. Het college acht de geboden bescherming aanvaardbaar.

2.14.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals haar uitspraak van 14 december 2005 in zaak no. 200410115/1, kan de geluidbelasting ter plaatse van een woning op een gezoneerd industrieterrein geen grond vormen voor weigering van een vergunning voor een inrichting op dat industrieterrein. Voor dergelijke inrichtingen is de geluidbelasting op de zone en de geluidbelasting op gebouwen die binnen de zone maar buiten het industrieterrein staan bepalend bij vergunningverlening. Wel kunnen voorschriften worden gesteld waardoor woningen op een gezoneerd industrieterrein een zekere bescherming wordt geboden zolang daardoor het speciale vestigingsklimaat voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein niet wordt aangetast. Het college heeft op basis van het bij de aanvraag gevoegde akoestische rapport voorschriften gesteld voor het maximale geluidniveau ter plaatse van op het industrieterrein gelegen immissiepunten. Het betoog van [appellant sub 2] e.a. geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze voorschriften niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten. De beroepsgrond faalt.

2.15. [appellant sub 2] e.a. betogen dat de geluidvoorschriften 5.1.1 en 5.1.5 niet handhaafbaar zijn. Volgens hen liggen de in deze voorschriften opgenomen immissiepunten te ver van de inrichting, waardoor de stoorgeluiden van andere inrichtingen te omvangrijk zijn om een correcte meting van de geluidbelasting vanwege [vergunninghoudster] op deze punten te verrichten.

2.15.1. Zoals bepaald in het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.3.1 dient de beoordeling en controle van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau plaats te vinden volgens de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Deze Handleiding bevat onder meer instructies over de wijze waarop met stoorgeluid moet worden omgegaan. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat de mogelijke aanwezigheid van stoorgeluid aan een correcte bepaling van de geluidbelasting vanwege [vergunninghoudster] in de weg staat. De beroepsgrond faalt.

2.16. [appellant sub 3] betoogt dat het bestreden besluit tot een toename van de geluidoverlast zal leiden, nu met het huidige bestemmingsplan de geluidcontour van 50 dB(A) op de buitenste terreingrens van het Bedrijvenpark II is komen te liggen, terwijl deze geluidcontour voorheen op de Glanerveldweg, noordzijde, lag.

Deze beroepsgrond heeft betrekking op een voorgaande wijziging van het bestemmingsplan, niet op het thans ter beoordeling staande besluit, en kan reeds daarom niet slagen.

2.17. [appellant sub 2] e.a. en [appellant sub 3] betogen dat onvoldoende is gebleken dat de geluidbelasting vanwege [vergunninghoudster] inpasbaar is in de geluidzone. Zij betogen in dit verband dat de kaarten van de bedrijfscontouren van de geluidzonering van het bedrijvenpark niet ter inzage hebben gelegen. Dat klemt volgens hen temeer, omdat uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat het bedrijf pas inpasbaar was nadat aanvullende geluidreducerende maatregelen waren getroffen, terwijl het eerder genomen besluit tot vergunningverlening van 3 mei 2006 bij de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007 werd vernietigd wegens dit aspect.

[appellant sub 3] betoogt in dit verband dat de geluidrapporten zijn gebaseerd op sterk verouderde geografische kaarten. De uitbreiding van het bedrijvenpark met het gedeelte Bedrijvenpark II is niet meegenomen in de berekening terwijl daar nieuwe bedrijven in werking zijn die volgens hem een verhoging hebben veroorzaakt van de totale geluidproductie binnen de geluidzone.

2.17.1. De zonebeheerder, het college van burgemeester en wethouders van Enschede, heeft de inpasbaarheid van de inrichting in de geluidzone getoetst en een advies uitgebracht op 25 september 2007. De conclusie is dat de inrichting inpasbaar is in de zone. Volgens het deskundigenbericht is dit advies gebaseerd op de actuele situatie. Er is geen aanleiding om het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten. Voor het oordeel dat de zonetoets is gebaseerd op verouderde of anderszins onjuiste gegevens is gelet daarop geen aanleiding. De beroepsgrond faalt.

2.18. [appellant sub 2] e.a. en [appellant sub 3] betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid op de zonegrens, omdat de geluidbijdrage vanwege door het gezoneerde industrieterrein lopende wegen alsmede een spoorlijn niet inzichtelijk is gemaakt. Zij wijzen daarbij op de verplichting ingevolge artikel 110f van de Wet geluidhinder om rekening te houden met de effecten van samenloop van verschillende geluidbronnen.

2.18.1. De Afdeling overweegt dat geen sprake is van een van de situaties, bedoeld in artikel 110f van de Wet geluidhinder, zodat dit artikel het college er niet toe noopte rekening te houden met de cumulatie van het geluid van verschillende geluidbronnen. De beroepsgrond faalt.

2.19. [appellant sub 2] e.a. betogen dat de geluidbelasting vanwege de shredderinstallatie, die op maximaal 12 dagen per jaar mag worden gebruikt, ten onrechte niet is getoetst aan de inpasbaarheid in de zone.

2.19.1. Het college heeft bij de beoordeling van het geluid vanwege de shredderinstallatie aansluiting gezocht bij paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). Volgens paragraaf 5.3 van de Handreiking kan ontheffing worden verleend om maximaal 12 maal per jaar bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties) uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. De geluidbelasting veroorzaakt in de incidentele bedrijfssituatie wordt niet toegerekend aan de bijdrage van de inrichting aan de geluidbelasting vanwege het industrieterrein. Het college mocht de Handreiking in dezen volgen. De beroepsgrond faalt.

2.20. Volgens [appellant sub 2] e.a. en [appellant sub 3] staan in de vergunning onvoldoende maatregelen vermeld om geluidproblemen die ontstaan bij de mechanische verwerking en transport van de afvalstromen in voldoende mate te beperken.

Volgens [appellant sub 2] e.a. is ten onrechte niet voorgeschreven dat de deuren van de inrichting gesloten moeten zijn en alleen geopend mogen worden voor het onmiddellijk doorlaten van goederen en personen.

In de aanvraag wordt volgens [appellant sub 3] ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat deuren van diverse ruimtes open kunnen staan tijdens het aan- en afvoeren van afvalstoffen. Ook wordt volgens hem onvoldoende aangetoond dat de te gebruiken heftrucks voldoen aan de laatste wettelijk geldende geluideisen.

Voorts wordt volgens [appellant sub 3] op de huidige locatie aan de Lenteweg tot laat in de avond gebruik gemaakt van bladblazers met benzinemotor om het terrein schoon te blazen.

Het voorschrift dat het storten van afval of goederen gebonden is aan een maximale valhoogte van 1 meter in lege stalen containers is volgens [appellant sub 3] in de praktijk onuitvoerbaar, omdat een container zelf al 2 meter hoog is.

2.20.1. Het college betoogt dat in de aanvraag toereikende geluidreducerende voorzieningen zijn opgenomen. Voorts is de tijd aangegeven dat de deuren geopend zijn. Tevens zijn in de aanvraag de relevante geluidbronnen voor de representatieve bedrijfssituatie, waaronder de transportbewegingen en het gebruik van de bladblazer opgenomen. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.1 is bepaald dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. De in de voorschriften gestelde grenswaarden zijn volgens het college gebaseerd op de situatie inclusief de voorzieningen. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.3.3 dienen binnen zes maanden na het in werking treden van de vergunning de in het akoestisch rapport beschreven geluidreducerende voorzieningen te zijn uitgevoerd en dient de werkelijke geluidemissie te worden bepaald en te worden getoetst aan de grenswaarden in de voorschriften. Voorts betoogt het college dat ingevolge voorschrift 5.2.5 de storthoogte beperkt is, en dat dit voorschrift kan worden nageleefd door materiaal te laten vallen binnen de containers.

2.20.2. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bedoelde maatregelen en voorschriften toereikend zijn. Voor zover in de beroepsgrond de verwachting wordt verwoord dat de gestelde voorschriften zullen worden overtreden, heeft de beroepsgrond geen betrekking op de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De beroepsgrond faalt.

Afvalbeheer

2.21. Volgens [appellant sub 3] leert de praktijk dat afvalstoffen van onduidelijke samenstelling worden aangeboden waarvan eerst achteraf komt vast te staan om welke, mogelijk gevaarlijke, afvalstoffen het gaat. Dientengevolge kan het volgens [appellant sub 3] voorkomen dat in de inrichting afvalstoffen worden opgeslagen die volgens de vergunning niet aanwezig mogen zijn, en kan een periode van dagen tot weken voorbij gaan alvorens de samenstelling van het afval bekend is en de stoffen van de inrichting worden verwijderd.

2.21.1. Inname en opslag van gevaarlijke afvalstoffen is niet vergund. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.2.4 is bepaald dat binnen een termijn van een week na binnenkomst van een partij deze hetzij moet zijn geaccepteerd, hetzij moet zijn geweigerd en afgevoerd buiten de inrichting. Ingevolge dit voorschrift is de periode voordat de samenstelling van het afval bekend is, derhalve beperkt tot ten hoogste een week. Volgens het deskundigenbericht (blz. 10) kan niet geheel worden uitgesloten dat zich onverhoopt gevaarlijk afval, zoals verfblikken en kitpatronen en dergelijke tussen het afval bevinden. Gelet op het deskundigenbericht betreft dit kleine hoeveelheden. Ingevolge voorschrift 12.2.1 dient de opslag van deze afvalstoffen te voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 3 en 10 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 15, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Ingevolge voorschrift 12.4.3 mogen stoffen ten hoogste een jaar in de inrichting worden opgeslagen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn om te voorkomen dat een in de inrichting aanwezige kleine hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen leidt tot nadelige gevolgen voor het milieu. De beroepsgrond faalt.

Stof

2.22. [appellant sub 3] betoogt dat in de vergunning onvoldoende maatregelen zijn voorgeschreven om de emissie van stof als gevolg van mechanische verwerking, transportactiviteiten en overhevelen van afvalstromen volledig te voorkomen.

[appellant sub 2] e.a. betogen dat het college ten onrechte geen voorschriften heeft opgenomen betreffende stofverspreiding door het veegvuil op het terrein van de inrichting.

2.22.1. Volgens het deskundigenbericht (blz. 18) vinden de activiteiten waarvan de meeste stofemissie te verwachten valt, zoals shredderen, inpandig plaats. Ten aanzien van diffuse stofverspreiding is in voorschrift 3.1.2, 12.4.1 en 12.4.2 bepaald dat stofverspreiding buiten de inrichting dient te worden voorkomen. Mede gelet op het gestelde in het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende maatregelen zijn voorgeschreven om stofhinder te voorkomen. De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.23. [appellant sub 3] betoogt dat in de vergunning onvoldoende maatregelen zijn voorgeschreven om de emissie van fijn stof als gevolg van mechanische verwerking, transportactiviteiten en overhevelen van afvalstromen volledig te voorkomen, en dat geen rekening is gehouden met de verhoging van de fijn stof emissie als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen door personenauto's en vrachtwagens op de Euregioweg sinds 2007.

[appellant sub 2] e.a. betogen dat het college onvoldoende kennis heeft vergaard en onvoldoende inzicht heeft geboden in de gevolgen van de activiteiten van de inrichting voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes.

2.23.1. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, volgt dat bestuursorganen de bevoegdheid te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in gevallen waarin aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.23.2. Volgens het deskundigenbericht (blz. 20) blijkt uit de kaarten met grootschalige concentraties voor Nederland (GCN) dat in 2007 de achtergrondconcentratie van zwevende deeltjes in het gebied waarin de inrichting is gelegen dusdanig is dat niet te verwachten is dat door het in werking zijn van de inrichting de grenswaarden voor zwevende deeltjes ter plaatse zullen worden overschreden. Er is geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre onjuist te achten. Gelet daarop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de bijdrage van deze inrichting, gezien de aard van de activiteiten en de achtergrondwaarde ter plaatse, niet kan leiden tot een overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes. De beroepsgrond faalt.

Trillingen

2.24. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] e.a. betogen dat in de vergunning onvoldoende maatregelen zijn voorgeschreven om trillingen als gevolg van transportactiviteiten en het gebruik van een brekerinstallatie te voorkomen voor direct aangelegen bedrijven, bedrijfswoningen en privéwoningen.

2.24.1. Volgens het college is geen trillinghinder te verwachten. De in de inrichting gebruikte shredderinstallatie is volgens het college niet te vergelijken met grote puinbrekers.

2.24.2. Gelet op de aard van de activiteiten, waarvan volgens het deskundigenbericht geen aanzienlijke trillingniveaus behoeven te worden verwacht, en het bepaalde in de voorschriften 5.2.5, waarin is bepaald dat materialen niet via vrije val mogen worden verplaatst, dan wel indien verplaatsing alleen met vrije val mogelijk is, via een val van maximaal 1 meter, en 5.2.6, waarin is bepaald dat bestrating vlak afgewerkt moet zijn, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat nadere voorschriften ter voorkoming dan wel beperking van trillinghinder niet nodig zijn. De beroepsgrond faalt.

Verkeersveiligheid

2.25. Volgens [appellant sub 2] e.a. en [appellant sub 3] is door het college te weinig aandacht geschonken aan de verkeersonveilige situatie die ontstaat door de vele vrachtwagens. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds om die reden.

Waarde woningen

2.26. Volgens [appellant sub 3] zal de economische waarde van bedrijven, bedrijfswoningen en privéwoningen nadelig worden beïnvloed worden door aan een bedrijf als [vergunninghoudster] een vergunning te verlenen. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds om die reden.

Bestemmingsplan

2.27. [appellant sub 3] betoogt dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Nu het bestreden besluit is genomen voor de wijziging van de Wet milieubeheer bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180), mocht het college geen regels gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening in aanmerking nemen. De beroepsgrond faalt.

2.28. Het beroep van [appellant sub 4] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 2] e.a. is gedeeltelijk niet-ontvankelijk. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op de mogelijke aanwezigheid van gevaarlijk afval;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. K. Brink en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Sparreboom

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

271-539.