Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200806743/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) geweigerd om aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te verlenen voor het legaliseren van de grasmaaierhandel van [appellant] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806743/1/H1.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 juli 2008 in zaak nr. 07/4747 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) geweigerd om aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) te verlenen voor het legaliseren van de grasmaaierhandel van [appellant] aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 14 juni 2007 heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift in handen gesteld van het college ter behandeling als bezwaarschrift.

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 26 september 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 september 2008.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2009, waar uitsluitend het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is gelegen in het agrarisch kernrandgebied ten noorden van de kern Ewijk. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Beuningen heeft het perceel de bestemming "Burgerwoningen".

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bouwplan ten onrechte in strijd heeft geacht met het streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan). Hij voert aan dat de onderdelen van het streekplan waaraan het college het bouwplan heeft getoetst in dit geval niet van toepassing zijn.

2.3. Het betoog faalt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de paragrafen 2.3.3 en 2.3.5 van het streekplan. Deze paragrafen maken deel uit van hoofdstuk 2.3 van het streekplan, getiteld: "Functieverandering van gebouwen in het buitengebied". In dit hoofdstuk is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"2.3.1 Doelstelling bij functieverandering

Vanwege ontwikkelingen in sectoren als land- en tuinbouw, zorg en defensie, verliezen in de komende periode veel (vooral agrarische) gebouwen en bouwpercelen in het buitengebied hun huidige functie, of hebben die functie al verloren. Ook zijn er agrariërs die hun agrarische gebouwen deels willen gebruiken voor niet-agrarische activiteiten. De provincie wil bevorderen dat deze gebouwen op een goede wijze worden (her)gebruikt.

Door functieverandering kan tegemoet worden gekomen aan de aanwezige behoefte aan wonen en werken in het buitengebied, zonder daarvoor extra bouwlocaties toe te voegen.

De doelen van het provinciaal ruimtelijk beleid voor functieverandering van gebouwen in het buitengebied zijn de volgende:

• land- en tuinbouwbedrijven de mogelijkheid geven niet-agrarische nevenfuncties te vervullen;

• de behoefte aan landelijk wonen en in tweede instantie werken accomoderen in vrijgekomen gebouwen in het landelijk gebied. Hiermee kan een impuls worden gegeven aan de leefbaarheid en de vitaliteit van het landelijk gebied;

• niet-agrarische bedrijvigheid die gebonden is aan de kwaliteiten en de functies van dat buitengebied de ruimte bieden;

• verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit door vrijgekomen gebouwen te hergebruiken en door per bouwperceel waar functieverandering plaatsvindt de resterende vrijgekomen gebouwen te slopen."

Volgens paragraaf 2.3.3 van het streekplan, voor zover hier van belang, geldt voor functieveranderingen van gebouwen waarbij nieuwe wooneenheden worden gecreëerd of nieuwe bedrijfsactiviteiten worden opgezet onder meer de algemene voorwaarde dat die functieverandering wordt geëffectueerd door bestemmingswijziging van het gehele voormalige perceel en verkleining van het bouwvlak.

Volgens paragraaf 2.3.5 van het streekplan, voor zover hier van belang, wordt bij functieverandering naar werken of woon-werkcombinaties voor niet-agrarische bedrijvigheid een maximum gehanteerd van 500 m2 vloeroppervlak per locatie, moeten de resterende vrijgekomen gebouwen worden gesloopt en is geen detailhandel mogelijk (behalve van op het bedrijf zelfgemaakte producten)

2.3.1. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat uit paragraaf 2.3.1 van het streekplan niet kan worden afgeleid dat het in hoofdstuk 2.3 omschreven provinciale ruimtelijke beleid niet op dit geval van toepassing is. Uit het streekplan volgt niet dat, indien na een functieverandering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen die heeft plaatsgevonden voordat het streekplan is vastgesteld een tweede functieverandering plaatsvindt, niet aan de in dit hoofdstuk omschreven voorwaarden behoeft te worden voldaan. Voorts kan uit de beslissing van het college van 23 oktober 2007 over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Millingen aan de Rijn, die overigens is genomen na het besluit op bezwaar, niet worden afgeleid dat dit beleid alleen van toepassing is op verandering van een agrarische bestemming in een niet-agrarische bestemming. Uit de overwegingen bij dit besluit blijkt alleen dat het beleid niet van toepassing is als geen sprake is van functiewijziging. Aan deze overwegingen kan derhalve niet de betekenis worden toegekend die [appellant] daaraan gehecht wil zien.

2.3.2. De rechtbank heeft voorts op goede gronden overwogen dat niet wordt voldaan aan de algemene voorwaarde dat het bouwvlak wordt verkleind en aan de specifieke voorwaarde dat geen detailhandel mag plaatsvinden. De omstandigheid dat de omgeving reeds wordt gedomineerd door niet-agrarische functies, waaronder een groot restaurant op het perceel naast dat van [appellant], is niet van belang. Het college heeft de verklaring van geen bezwaar niet geweigerd, omdat het de agrarische functie van het gebied wilde handhaven, maar uitsluitend omdat de gevraagde functieverandering niet aan alle in het streekplan omschreven voorwaarden voldoet.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

17.