Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200806725/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2008:BE8627, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) aan [appellante] (hierna: [appellante]) bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een woning ten behoeve van 6 appartementen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 253 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2010/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806725/1/H1.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 31 juli 2008 in zaak nr. 07/1550 in het geding tussen:

[appellante], [wederpartijen A], [wederpartij B], [wederpartij C], [wederpartij D] en [wederpartij E].

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) aan [appellante] (hierna: [appellante]) bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een woning ten behoeve van 6 appartementen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft het college de daartegen door de Vereniging van Eigenaren Banninkhof, de Brêger Raadhuis B.V., [belanghebbende] en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B] (hierna: [belanghebbenden]) en [persoon] gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de bouwvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 31 juli 2008, verzonden op 6 augustus 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [wederpartijen A], [wederpartij B], [wederpartij C] en [wederpartij D] en [wederpartij E] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, en voor het overige, derhalve voor zover ingesteld door [appellante], ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.P.Th. Elshoff, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. de Kok, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. P.A. Westerhout, als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hengelo Kom 1983" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Centrumbebouwing", met de nadere aanduiding "II".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden met deze bestemming in bestemmingsvlak "II" onder meer bestemd voor bewoning.

2.2. Het bouwplan betreft de verbouwing van een in het centrum van Hengelo gelegen woning tot zes appartementen. Het bouwplan is in overeenstemming met het bestemmingsplan. Het college heeft de bouwvergunning in bezwaar echter alsnog geweigerd wegens strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening van de gemeente Bronckhorst (hierna: de bouwverordening).

2.2.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, er ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort. Deze ruimte mag niet zijn overbemeten, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan van het vereiste van het eerste lid ontheffing worden verleend

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover er op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat gelet op het bepaalde in artikel 9 van de Woningwet geen toepassing had mogen worden gegeven aan deze bepaling.

2.3.1. In artikel 9, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

2.3.2. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat voormeld artikel 9 geen grondslag biedt voor het oordeel dat artikel 2.5.30 buiten toepassing had moeten blijven. Het gegeven dat in paragraaf 5.6 van de toelichting van het bestemmingsplan wordt ingegaan op het parkeerbeleid, betekent niet dat het bestemmingsplan voorschriften bevat omtrent parkeren, aangezien de toelichting geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan. De stelling van [appellante] dat de planwetgever het kennelijk niet nodig heeft geacht ter zake voorschriften in het bestemmingsplan op te nemen treft geen doel, nu in het bestemmingsplan niet is bepaald dat de voorschriften van de bouwverordening buiten toepassing blijven. Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft nagelaten te motiveren waarom de bestemming aanleiding geeft tot het stellen van een parkeereis.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college, gelet op de omvang en de bestemming van het gebouw na de verbouwing, de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening gestelde parkeereis kon stellen. Het college heeft in het besluit op bezwaar voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding bestond voor dit bouwplan een uitzondering te maken. Dat het college bij het primaire besluit nog een ander standpunt heeft ingenomen is niet van belang. Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht diende het college dit standpunt te heroverwegen, hetgeen het heeft gedaan. Ook de omstandigheid dat in het verslag van het vooroverleg welstand van 6 juli 2006 is vermeld dat het parkeren een groot en steenachtig oppervlak in beslag neemt en op gespannen voet staat met de privacy van de woningen laat de noodzaak van de parkeereis onverlet.

2.5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college een ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening had moeten verlenen.

2.5.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de directe omgeving van het perceel onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is. Evenmin is gebleken dat op korte termijn voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, waardoor kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte. In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan, dat in 2007 door de gemeenteraad is vastgesteld, is slechts vermeld dat parkeercapaciteit ten behoeve van onder meer woonwijken dient te worden opgelost door de beheerder (in casu de gemeente Bronckhorst). Uit deze passage kan niet worden afgeleid dat het college in dit geval gehouden is te garanderen dat voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. Aan dit plan kan derhalve niet de betekenis worden toegekend die [appellante] daaraan gehecht wil zien.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

17.