Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200806531/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling op grond van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806531/1/H1.

Datum uitspraak: 13 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 juli 2008 in zaak nr. 07/310 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling op grond van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 oktober 2003 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2003, verzonden op 6 november 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht in de bodemzaak het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 oktober 2003 vernietigd.

Bij besluit van 13 april 2004 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 29 juli 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de vrijstelling werd verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO.

Bij uitspraak van 26 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 april 2004 vernietigd.

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 29 juli 2003 gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de grondslag van de vrijstelling betreft en die gewijzigd in artikel 19, derde lid, van de WRO. Voor het overige zijn de gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard, met dien verstande dat de op 28 maart 2005 gewijzigde bouwtekeningen in de plaats traden van de oorspronkelijk bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen.

Bij uitspraak van 7 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 juli 2005 vernietigd.

Bij besluit van 22 januari 2007 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 29 juli 2003 gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard, met dien verstande dat de vrijstelling wordt verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO en dat de op 28 maart 2005 gewijzigde bouwtekeningen, met uitzondering van de bouwtekening waarop de voorgevel/het straatbeeld is weergegeven, in de plaats treden van de oorspronkelijk bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen. De bouwtekening waarop de voorgevel/het straatbeeld was aangegeven, werd vervangen door de naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Maastricht ingediende bouwtekening (inclusief aanvulling).

Bij uitspraak van 16 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. O.W. Wagenaar, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.L. Devoi, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft een dakopbouw op de aan de woning gebouwde garage op het perceel. De dakopbouw heeft een inpandige verbinding met de woning, heeft een hoogte van circa 6.45 m en is voorzien van een plat dak. De dakopbouw heeft geen enkele open verbinding met de daaronder gelegen garage. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank reeds daarom terecht geoordeeld dat het bouwplan een uitbreiding van de woning behelst en niet een uitbreiding van de garage.

2.2. Ingevolge het ter plaatse ten tijde van het besluit op bezwaar geldende bestemmingsplan "Welten-Kommert" rust op het perceel de bestemming "Meer-dan-twee-aaneen-gebouwde eengezinswoningen Klasse III 1-2"

Ingevolge artikel 2, tweede lid, onder b, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, zoals deze luiden na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Welten-Kommert, 1e herziening" (hierna: de planvoorschriften), voor zover hier van belang, kan de hoogte van een gebouw worden uitgedrukt in een woonlaag van minimaal 2,40 m tot maximaal 3,2 m.

Ingevolge artikel 9, aanhef, van de planvoorschriften mogen op gronden met deze bestemming meer-dan-twee-aaneen-gebouwde eengezinswoningen worden gebouwd in een of twee woonlagen.

Ingevolge het tweede lid onder a van dat artikel zal de dakhelling minimaal 25o en maximaal 45o bedragen.

2.3. Het bouwplan is in strijd met dit bestemmingsplan, omdat de maximaal toegestane hoogte is overschreden en omdat de dakopbouw niet is voorzien van een hellend dak. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college een vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985). Op grond van deze bepalingen kan het college, voor zover hier van belang, vrijstelling verlenen voor de uitbreiding van een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat als gevolg van de verlening van de vrijstelling hij ernstig in zijn belangen wordt geschaad, omdat de schaduwwerking als gevolg van het bouwplan aanzienlijk is. Volgens [appellant] is het toestaan van een dergelijke afwijking in strijd met de rechtszekerheid die het bestemmingsplan biedt. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college hiermee tevens het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

2.4.1. Dit betoog faalt. Artikel 19, derde lid, van de WRO biedt de mogelijkheid om in de gevallen als omschreven in het Bro 1985 vrijstelling te verlenen. De rechtszekerheid strekt reeds daarom niet zo ver dat de bepalingen van het bestemmingsplan er steeds aan in de weg staan dat voor daarvan afwijkend bouwplan vergunning kan worden verleend. Evenmin heeft het college het vertrouwen gewekt dat het nimmer vergunning zou verlenen voor het bouwplan.

De rechtbank heeft voorts terecht vastgesteld dat op grond van de maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt een dakopbouw mogelijk is met een lessenaardak dat op de perceelsgrens een hoogte heeft van 6,4 m. Om die reden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de schaduwwerking als gevolg van het bouwplan slechts in geringe mate afwijkt van de schaduwwerking als gevolg van die maximale bouwmogelijkheden. De stelling van [appellant] dat het niet praktisch is om op deze wijze een dakopbouw realiseren doet daaraan niet af. Slechts de bouwmogelijkheden als zodanig, niet de geringere efficiëntie daarvan, zijn van belang. Evenmin is hetgeen is bepaald in het thans geldende bestemmingsplan "Heerlen-West - deelgebied 1 - "van belang, reeds omdat dit plan ten tijde van het besluit op bezwaar nog niet in werking was getreden.

2.5 [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij zijn welstandsoordeel over het bouwplan mocht afgaan op het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Heerlen (hierna: de welstandscommissie). Volgens [appellant] is het bouwplan in strijd met de stedenbouwkundige opzet van de wijk. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de welstandscommissie ten onrechte haar standpunt op basis van de juiste tekeningen niet heeft herzien. Ten slotte voert [appellant] aan dat het welstandsoordeel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, nu hij deskundige rapporten heeft ingebracht en de welstandscommissie niet uitgebreid op deze rapporten is ingegaan.

2.5.1. In het advies van 6 december 2006 heeft de welstandscommissie aangegeven dat zij bij haar advies rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie, waaronder de ligging van de woning van [appellant] ten opzichte van de woning van [vergunninghouder], en kennis heeft genomen van de adviezen van R.M.J. Bertels (hierna Bertels) van 8 september 2005 en van G. Rutten (hierna: Rutten) van 15 september 2005, die [appellant] heeft overgelegd. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het advies een juiste feitelijke grondslag ontbeert.

2.5.2. In het advies van Bertels is vermeld dat de uitbreiding werkt als een vrij grote massa en fysiek storend, gezien van de patio en de woonkamer van de woning van [appellant]. Vervolgens is in het advies ingegaan op de schaduwwerking van de uitbreiding, het langwerpige raam in de erfgrens en het onderhoud van de zijgevel van de uitbreiding. Voorts is aangegeven dat indien het bouwvolume op de eerste verdieping in haar geheel naar voren wordt geschoven, zodat de bouwmassa minder gevolgen heeft voor de patio, en indien de hoogte van de uitbreiding wordt verlaagd tot de bovenkant van de bestaande tweede verdieping, het bouwvolume enigszins aannemelijker gaat worden.

In het advies van Rutten is, voor zover hier van belang, vermeld dat het principe van de schakeling is het maken van een buffer tussen twee woningen door middel van een daartussen gebouwde garage met maar één bouwlaag. Ten gevolge van het verhogen van de bouwlaag van de aanpalende woning wordt enerzijds het straatbeeld volledig vertekend, anderzijds wordt de natuurlijke lichtinval van de binnentuin verhinderd, aldus dit advies.

In het advies van 6 december 2006 heeft de welstandscommissie medegedeeld dat zij op grond van de verstrekte gegevens en adviezen van Bertels en Rutten persisteert bij haar eerdere adviezen van 17 maart 2004 en van 20 april 2005.

In het advies van 17 maart 2004 is het volgende vermeld:

"De commissie is van mening dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij is ervan uitgegaan dat de nieuwe bouwmassa, welke op en over de bestaande bouwmassa wordt geplaatst, een eigenzinnig, los en op zich zelf staand element is qua materialisatie, vormgeving, gevelindeling en massavorming. Het betreft hier een eindoplossing in een rij woningen welke zich los maakt van de architectuur van het straatbeeld."

In het advies van 20 april 2005 is het volgende vermeld:

"De commissie constateert aan de hand van de overgelegde tekeningen dat er een verschil is qua bouwhoogte ten opzichte van de eerder ingediende tekening doch dat de hoofdopzet gelijk is gebleven. De bouwhoogte is 20 cm lager en de aansluiting met de buren is aangepast. Er is een goede notie genomen van de situering van het bouwplan ten opzichte van de woning van de buren.

Door de uitbreiding op de bestaande garage 20 cm minder hoog boven de bestaande woning te laten uitsteken is de commissie van mening dat de ritmiek van de hoofdstructuur hierdoor niet wordt verstoord. De woningen blijven in het straatbeeld als zodanig herkenbaar en blijven in het straatbeeld één stedenbouwkundig geheel vormen."

2.5.3. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college zich op grond van de adviezen van de welstandscommissie op het standpunt kon stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Uit de motivering van het welstandsadvies van 6 december 2006, gelezen in samenhang met de adviezen van 17 maart 2004 en 20 april 2005 blijkt voldoende, zij het summier, dat de welstandscommissie de adviezen van Bertels en Rutten niet onderschrijft. De rechtbank heeft verder terecht vastgesteld dat het college in het besluit op bezwaar van 22 januari 2007 uitvoerig heeft gemotiveerd waarom de adviezen van Bertels en Rutten niet tot een ander welstandsoordeel hebben geleid. Voor zover het de vermindering van de lichtinval betreft, moet worden vastgesteld dat dit geen welstandsaspect betreft. Ten aanzien van de doorbreking van het straatbeeld heeft het college terecht overwogen dat ook het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende bestemmingsplan een doorbreking van het straatbeeld en de stedenbouwkundige opzet van de wijk rechtstreeks mogelijk maakt. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] verzoekt ten slotte de overige bij de rechtbank aangevoerde gronden als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank heeft deze gronden echter terecht verworpen, zodat de Afdeling daaraan verder voorbij gaat.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009

17.