Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI3661

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
200901411/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2008, kenmerk 108.8716, heeft de raad van de gemeente Tubbergen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "RK Begraafplaats Tubbergen 2008" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2009, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2009/3 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901411/2/R3.

Datum uitspraak: 6 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

de raad van de gemeente Tubbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2008, kenmerk 108.8716, heeft de raad van de gemeente Tubbergen (hierna: de raad) het bestemmingsplan "RK Begraafplaats Tubbergen 2008" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2009, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 april 2009, waar [verzoekers], bij monde van [verzoeker], en de raad, vertegenwoordigd door W.G. Hueck, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een begraafplaats met daarbij behorende voorzieningen aan de Prins Bernhardstraat in Tubbergen.

2.3. [verzoekers] stellen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld en beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding hiervan te voorkomen. Daartoe voeren zij onder meer aan dat de gevolgen voor de archeologische waarden in de bodem onvoldoende zijn onderzocht en zij vrezen dat deze waarden zullen worden verstoord indien met de aanleg van de begraafplaats zal worden begonnen.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, dat naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem onderzoek is gedaan en dat aan het belang van deze waarden voldoende gewicht is toegekend.

2.5. De vraag of alle personen, namens wie [verzoeker] beroep heeft ingesteld en een voorlopige voorziening heeft verzocht, in dit geval als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen worden aangemerkt, behoeft in het kader van deze procedure geen beantwoording, aangezien in ieder geval [verzoeker] als belanghebbende kan worden aangemerkt en naar het oordeel van de voorzitter in zoverre sprake zal zijn van een ontvankelijk beroep.

2.6. De archeologische waarden in het plangebied zijn door middel van een zogenoemd proefsleuvenonderzoek van het onderzoeksbureau "ADC Archeoprojecten" in kaart gebracht. In dit onderzoek staat onder meer dat binnen het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats met een aanzienlijke informatiewaarde, met name in verband met de aanwezige grondsporen. Uit de brief van het bestuur van de St. Pancratiusparochie Tubbergen van 20 april 2009 en hetgeen de raad ter zitting heeft aangegeven volgt dat naar de archeologische waarden nog nader onderzoek dient plaats te vinden teneinde de beschikbare informatie uit het bodemarchief op een wetenschappelijk verantwoorde wijze te lezen en vast te leggen. De voorzitter is in dit verband van oordeel dat niet eerder met de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de begraafplaats mag worden begonnen dan nadat voormeld nader archeologisch onderzoek is afgerond. Uit hetgeen de raad ter zitting heeft verklaard is de voorzitter onvoldoende duidelijk geworden dat dit voldoende is gewaarborgd en derhalve ziet hij, gelet op de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, aanleiding voor het schorsen van het besluit tot vaststelling hiervan. In dit verband wijst de voorzitter er op dat na het afronden van het nadere archeologische onderzoek, indien gewenst, ingevolge artikel 8:87 van de Awb, kan worden verzocht om opheffing van deze voorlopige voorziening.

2.7. Gezien het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding het verzoek van [verzoekers] in te willigen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De door [verzoekers] gemaakte kosten voor het in hun opdracht opgestelde hydrologische onderzoek van het onderzoeksbureau "Hoogveld milieutechniek" komen in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien dit onderzoek geen betekenis heeft gehad voor de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 1 december 2008, kenmerk 108.8716, tot vaststelling van het bestemmingsplan "RK Begraafplaats Tubbergen 2008";

II. veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij J.B.J. [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van

€ 42,49 (zegge: tweeënveertig euro en negenveertig cent); het dient door de gemeente Tubbergen aan J.B.J. [verzoekers] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. gelast dat de gemeente Tubbergen aan J.B.J. [verzoekers] het door hen voor de behandeling van hun verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2009

459.