Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
200800582/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2005, no. 1099017/1139524, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Laarbeek (hierna: de raad) bij besluit van 28 april 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Glastuinbouwdoorgroeigebied Laarbeek" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800582/1.

Datum uitspraak: 6 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de stichting Stichting Middengebied en de stichting Brabantse Milieu Federatie, gevestigd te Nuenen onderscheidenlijk Tilburg,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], en anderen,

6. [appellant sub 6] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2005, no. 1099017/1139524, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Laarbeek (hierna: de raad) bij besluit van 28 april 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Glastuinbouwdoorgroeigebied Laarbeek" (hierna: het plan).

De Afdeling heeft het besluit van het college bij uitspraak van 28 maart 2007 in zaak no. 200600056/1, voor zover thans van belang, gedeeltelijk vernietigd.

Het college heeft bij besluit van 27 november 2007, no. 1099017, opnieuw over de goedkeuring van het plan beslist.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] (hierna: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2008, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2008, de stichting Stichting Middengebied en de stichting Brabantse Milieu Federatie (hierna: de stichting en BMF) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2008, [appellant sub 5] en anderen (hierna: [appellant sub 5] e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2008, en [appellant sub 6] en anderen (hierna: [appellant sub 6] e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 13 maart 2008. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 februari 2008. [appellant sub 6] e.a. hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting en BMF en de raad hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna: [belanghebbenden]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2008, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Rooij, advocaat te Tilburg, en [appellant sub 5] e.a., in de persoon van [appellant sub 5], en het college, vertegenwoordigd door A.C.H.A. Tulkens, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van Heijningen, advocaat te Den Bosch, A.J.M. van Doorn en M.A.G. Rovers, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. A.A.M. van der Aa, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau van der Aa B.V., als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is het beroep van [appellanten sub 2] voor zover dit is ingesteld door [appellant], ingetrokken.

Ontvankelijkheid

2.2. [appellant sub 6] e.a. richten zich in beroep tegen de gedeeltelijke goedkeuring van het plan. [appellant sub 6] e.a. hebben tegen het besluit omtrent goedkeuring van 8 november 2005 geen beroep ingesteld. Het besluit omtrent goedkeuring van 27 november 2007 is een heroverweging van voormeld besluit van 8 november 2005. Vaststaat dat [appellant sub 6] e.a. door het heroverwegingsbesluit niet in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren dan waarin zij zich bevonden na het besluit omtrent goedkeuring van 8 november 2005, waarbij op hun bedenkingen is beslist. Zij moeten worden geacht in dit besluit te hebben berust, nu zij daartegen destijds geen beroep hebben ingesteld. Voormelde besluiten behelzen immers beide de goedkeuring van de in het plan opgenomen mogelijkheid voor drie glastuinbouwbedrijven om glasopstanden op te richten. Nu niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden dient het beroep van [appellant sub 6] e.a. niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Formele aspecten

2.3. [appellant sub 5] e.a. betogen dat ten onrechte vóór de terinzagelegging van het ontwerpplan geen informatieavond voor de buurtbewoners is georganiseerd.

2.3.1. Zoals reeds is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007 heeft blijkens de stukken van 2 augustus 2004 tot 13 september 2004 het voorontwerpplan ter inzage gelegen ten behoeve van de inspraak. Uit het eindverslag van de inspraakprocedure komt naar voren dat [appellant sub 5] e.a. van de mogelijkheid om een inspraakreactie te geven gebruik hebben gemaakt. Voorts valt in de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is een mondelinge toelichting te geven op het plan. Het college heeft in het verloop van de procedure dan ook geen aanleiding behoeven te zien in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 28 maart 2007 het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit omtrent goedkeuring van het college van 8 november 2005 ongegrond verklaard. Gelet hierop bestond voor het college geen aanleiding om in het thans bestreden besluit in te gaan op de bedenkingen van [appellant sub 3]. Nu niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan tot een ander oordeel moet worden gekomen, is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Toetsingskader

2.5. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.6. Het plan voorziet in de mogelijkheid glasopstanden op te richten ten behoeve van drie tuinbouwbedrijven.

[belanghebbenden] zijn gevestigd ten zuiden van de Pater Eustachiuslaan. Gezamenlijk gebruiken zij 54.500 m² glasopstanden voor het telen van trostomaten. Het plan voorziet voor [belanghebbenden] in de mogelijkheid om 154.500 m² nieuwe glasopstanden op te richten ten noorden van de Peeldijk, op enige afstand van de huidige bedrijven.

Voor [belanghebbende C], gelegen ten noorden van de Pater Eustachiuslaan, maakt het plan het mogelijk om aansluitend aan het huidige bedrijf, dat gericht is op het telen van aardbeien, glasopstanden tot een oppervlakte van 30.000 m² te realiseren.

[belanghebbenden]

2.7. In haar uitspraak van 28 maart 2007 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het besluit van het college van 8 november 2005 tot goedkeuring van het plan vernietigd, voor zover betrekking hebbende op de plandelen met de bestemmingen "Glastuinbouwdoorgroeigebied", "Groenvoorziening" en "Waterloop", voor zover gelegen ten noorden van de Peeldijk, alsmede voor zover betrekking hebbende op de op de plankaart aangegeven pijlen (één bouwvlak vormend) en artikel 1, onder 21, van de planvoorschriften. Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.7.7. Het provinciale beleid als verwoord in het streekplan en de Nota Glastuinbouw om op gronden die in het streekplan zijn aangeduid als "mogelijk doorgroeigebied" in beginsel geen nieuwvestiging toe te staan, acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

Gezien de afstand tussen de gekoppelde bestemmingsvlakken, dan wel bouwvlakken en in aanmerking genomen de omvang van de bestemmingsvlakken ten noorden van de Peeldijk, bezien in relatie tot de omvang van de bestaande bouwvlakken aan de Pater Eustachiuslaan, is de Afdeling van oordeel dat een dergelijke bestemmingsplanregeling zich in onvoldoende mate onderscheidt van nieuwvestiging.

Het standpunt van verweerder en de gemeenteraad dat de begripsomschrijving, zoals opgenomen in artikel 1, onder 21, van de planvoorschriften afsplitsing van een deel van het bouwvlak onmogelijk maakt, kan de Afdeling niet volgen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de genoemde bepaling een definitiebepaling betreft en dat deze niet waarborgt dat geen afsplitsing zal plaatsvinden.

(…)

Gezien het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met het provinciale beleid.

2.7.8. Het vorenstaande neemt niet weg dat onder omstandigheden de mogelijkheid bestaat om met toepassing van de in hoofdstuk 5 van het streekplan voorgeschreven afwijkingsprocedure, af te wijken van de in het streekplan genoemde beleidslijn ten aanzien van nieuwvestiging in een mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw. Het college van gedeputeerde staten is daartoe bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. Dat ook in andere gevallen dan bij uitbreiding de wens bestaat om glastuinbouw in een mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw mogelijk te maken, moet echter worden geacht in het beleid te zijn verdisconteerd en kan derhalve geen aanleiding zijn om in afwijking van het streekplan dergelijke uitbreidingen toelaatbaar te achten.

Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening."

2.7.1. In het bestreden besluit heeft het college, voor zover thans van belang, opnieuw goedkeuring verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Glastuinbouwdoorgroeigebied", "Groenvoorziening" en "Waterloop", voor zover gelegen ten noorden van de Peeldijk. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de bij de partiële herziening van het streekplan van 20 januari 2006 aangepaste formulering van de bevoegdheid om af te wijken van het streekplan, ruimte biedt voor deze afwijking van het streekplan. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat afwijking van het streekplan in de onderhavige situatie gerechtvaardigd is. Hiertoe heeft het college in het bestreden besluit twee argumenten naar voren gebracht.

Ten eerste stelt het college dat het mogelijk doorgroeigebied voldoet aan de voorwaarden die in het streekplan Brabant in Balans 2002 (hierna: het streekplan) worden gesteld om de status van doorgroeigebied te verkrijgen, omdat sprake is van een duurzaam en strak begrensd inrichtings- en bestemmingsplan en omdat in dit plan de mogelijkheden tot voortzetting of uitbreiding van bestaande bedrijven worden bezien in relatie tot de in het gebied aanwezige waarden. In dit laatste verband stelt het college dat uitbreiding van [belanghebbenden] aansluitend aan de huidige bouwblokken niet mogelijk is wegens fysieke beperkingen, de onverwerfbaarheid van gronden en de bodemgesteldheid.

Ten tweede stelt het college dat de geboden ontwikkelingsmogelijkheden in het plan voldoen aan het algemene uitgangspunt in het streekplan met betrekking tot glastuinbouw, namelijk dat glastuinbouwbedrijven zo veel mogelijk worden geconcentreerd in de vestigingsgebieden en mogelijke doorgroeigebieden. Het beleid is gericht op het bieden van optimale ontwikkelingsmogelijkheden aan bestaande glastuinbouwbedrijven in doorgroeigebieden.

Gelet op het voorgaande vindt het college handhaving van de beleidslijn in het streekplan, namelijk geen nieuwvestiging in (mogelijke) doorgroeigebieden, voor de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijven onevenredig in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen.

2.7.2. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] e.a. en de stichting en BMF betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Glastuinbouwdoorgroeigebied" voor zover gelegen ten noorden van de Peeldijk. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat het college ten onrechte is afgeweken van het beleid in het streekplan.

[appellant sub 2] voert in dit verband aan dat met de partiële herziening van het streekplan van 20 januari 2006 de afwijkingsbevoegdheid niet zodanig is verruimd dat met gebruikmaking daarvan alsnog goedkeuring kan worden verleend aan de desbetreffende plandelen. Voorts stelt [appellant sub 2] dat nieuwvestiging in een doorgroeigebied alleen mogelijk is als het streekplan daarin voorziet en vreest hij dat op deze wijze het hele gebied zal worden volgebouwd met kassen.

[appellant sub 1] en [appellant sub 5] e.a. voeren in dit verband aan dat het gebied niet voldoet aan de voorwaarden om de status van doorgroeigebied te verkrijgen. [appellant sub 1] betoogt dat ingevolge het streekplan nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven slechts mogelijk is binnen de concentratiegebieden en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom handhaving van dat beleid in dit geval onredelijk is.

[appellant sub 1] en [appellant sub 5] e.a. betogen voorts dat onvoldoende is onderzocht of noodzaak bestaat om de bedrijven ten noorden van de Peeldijk nieuwe mogelijkheden te bieden om glasopstanden op te richten. [appellant sub 5] e.a. voeren aan dat niet is aangetoond dat uitbreiding van de bedrijven van [belanghebbenden] niet kan plaatsvinden op de huidige locatie, omdat het hier geen teelt in de volle grond betreft. [appellant sub 5] e.a. voeren voorts aan dat uitbreiding van de bedrijven op de huidige locatie meer voordelen dan nadelen met zich brengt. [appellant sub 1] en [appellant sub 5] e.a. wijzen er voorts op dat [belanghebbende A] in het glastuinbouwconcentratiegebied in [plaats] reeds ongeveer 15 hectare gronden heeft aangekocht.

2.7.3. In het streekplan wordt het plangebied grotendeels aangeduid als Agrarische Hoofdstructuur (AHS)-landbouw. Voorts maakt het plangebied deel uit van een groter gebied dat in het streekplan de aanduiding "mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw" heeft gekregen.

Het streekplan vermeldt in paragraaf 4.4. van hoofdstuk 3 dat in de mogelijke doorgroeigebieden voor de glastuinbouw een zekere concentratie van glastuinbouwbedrijven aanwezig is. Deze gebieden zijn echter om uiteenlopende redenen niet geschikt voor uitgroei tot een vestigingsgebied voor de glastuinbouw. Het streekplan vermeldt dat nieuwvestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan in een (mogelijk) doorgroeigebied. Een mogelijk doorgroeigebied kan de status van doorgroeigebied krijgen op grond van een door de gemeente in overleg met belanghebbende partijen op te stellen duurzaam en strak begrensd bestemmings- en inrichtingsplan. In zo'n plan worden de mogelijkheden tot voortzetting en uitbreiding van de bestaande - positief bestemde - glastuinbouwbedrijven beschreven in relatie tot de in het gebied aanwezige waarden en belangen van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige, milieuhygiënische of recreatieve aard, alsmede de wijze waarop het gebied wordt ingericht en synergievoordelen kunnen worden behaald.

2.7.4. In de partiële herziening van het streekplan van 20 januari 2006, voor zover thans van belang, is de in hoofdstuk 5 van het streekplan neergelegde bevoegdheid om af te wijken van het streekplan aangepast in die zin dat de in de afwijkingsbevoegdheid opgenomen passage "wegens bijzondere omstandigheden" is vervallen. De afwijkingsbevoegdheid zoals herzien luidt dat gedeputeerde staten bevoegd zijn af te wijken van een beleidslijn uit hoofdstuk 3 van dit streekplan in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen.

2.7.5. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007, dienen de aan [belanghebbenden] geboden mogelijkheden om glasopstanden op te richten ten noorden van de Peeldijk te worden aangemerkt als nieuwvestiging van glastuinbouw. Vaststaat dat nieuwvestiging van glastuinbouw in een mogelijk doorgroeigebied in strijd is met de in hoofdstuk 3 van het streekplan neergelegde beleidslijn, behoudens enkele uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat het college van mening is dat door de - op deze wijze uitgelegde - beleidslijn de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande glastuinbouwbedrijven binnen de mogelijke doorgroeigebieden te veel worden beperkt. Dit resultaat heeft het college aangemerkt als een onevenredig gevolg in verhouding tot het doel dat met de in het streekplan opgenomen beleidslijn is gediend. Hierom heeft het college zich op het standpunt gesteld dat met het oog op het door de beleidslijn te dienen doel om voor bestaande glastuinbouwbedrijven in mogelijke doorgroeigebieden optimale mogelijkheden te bieden, in dergelijke gevallen van de beleidslijn betreffende het verbod van nieuwvestiging in een mogelijk doorgroeigebied kan worden afgeweken. Nu de aan [belanghebbenden] toegekende mogelijkheid om glasopstanden op te richten ten noorden van de Peeldijk volgens het college beantwoordt aan het doel van de beleidslijn, is afwijking van het streekplanbeleid volgens het college geoorloofd. Het college miskent met deze redenering echter dat gebruikmaking van een in het streekplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid dient te worden toegespitst op het concrete geval. Uit de gegeven motivering en de toelichting ter zitting blijkt dat het college beoogt niet alleen in dit geval, maar ook in soortgelijke gevallen waarbij bestaande glastuinbouwbedrijven binnen een mogelijk doorgroeigebied door middel van nieuwvestiging willen uitbreiden, af te wijken van het streekplan. Voor een dergelijk gebruik van de afwijkingsbevoegdheid, die neerkomt op een wijziging van een onderdeel van het streekplan, is de afwijkingsbevoegdheid in het streekplan niet bedoeld. Voor een wijziging van het beleid als hier aan de orde was onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening een herziening van het streekplan noodzakelijk. Gelet op artikel 9.1.2. van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening behoort onder het regime van de Wet ruimtelijke ordening een gedeeltelijke herziening door vaststelling van een structuurvisie, tot de mogelijkheden.

2.7.6. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van het college om af te wijken van het streekplan niet worden gedragen door de hieraan ten grondslag gelegde motivering.

2.7.7. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot de plandelen ten noorden van de Peeldijk geen bespreking meer.

[belanghebbende C]

2.8. In de uitspraak van 28 maart 2007 heeft de Afdeling voorts het besluit van het college van 8 november 2005 tot goedkeuring van het plan vernietigd, voor zover betrekking hebbende op het plandeel met de bestemming "Glastuinbouwdoorgroeigebied" voor het perceel van [belanghebbende C] ten noorden van de Pater Eustachiuslaan. Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"2.8.4. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het bedrijf van [belanghebbende C] als een bestaand - positief bestemd - glastuinbouwbedrijf kan worden opgevat.

Gelet op de redactie van de streekplantekst wordt in het streekplan onder een bestaand bedrijf een positief bestemd bedrijf verstaan. Een positieve bestemming betreft een bestemming die in overeenstemming is met het bestaande gebruik. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hadden de desbetreffende gronden van [belanghebbende C] de aanduiding "glastuinbouwbedrijf", maar waren deze niet in gebruik voor glastuinbouw. Nu het feitelijk gebruik niet in overeenstemming was met de toegekende bestemming in het voorheen geldende plan, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bedrijf van [belanghebbende C] kan worden aangemerkt als een bestaand - positief bestemd - bedrijf als bedoeld in het streekplan.

Niet is gesteld, noch is de Afdeling anderszins gebleken, dat wordt voldaan aan de in het provinciale beleid genoemde uitzonderingsgevallen waarin nieuwvestiging in mogelijke doorgroeigebieden is toegestaan.

Voor zover het plan voor [belanghebbende C] derhalve ruimere vestigingsmogelijkheden voor glastuinbouw biedt dan het voorheen geldende bestemmingsplan, is het plan in strijd met het in overweging […] genoemde streekplanbeleid.

Zoals overwogen onder 2.7.8., neemt dit niet weg dat onder omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van de in hoofdstuk 5 van het streekplan voorgeschreven afwijkingsprocedure af te wijken van de in het streekplan genoemde beleidslijn ten aanzien van uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in een mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw. Het college van gedeputeerde staten is daartoe bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben, die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen. Dat ook in andere gevallen dan bij uitbreiding van - positief bestemde - glastuinbouwbedrijven de wens bestaat om glastuinbouw in een mogelijk doorgroeigebied voor glastuinbouw mogelijk te maken, moet worden geacht te zijn verdisconteerd in het beleid en kan derhalve geen aanleiding zijn om in afwijking van het streekplan dergelijke uitbreidingen toelaatbaar te achten.

Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening."

2.8.1. Het college heeft opnieuw goedkeuring verleend aan het plandeel met de bestemming "Glastuinbouwdoorgroeigebied" voor het perceel van [belanghebbende C] ten noorden van de Pater Eustachiuslaan.

2.8.2. [appellant sub 1], [appellant sub 5] e.a. en [appellant sub 2] betogen dat het college ten onrechte opnieuw goedkeuring heeft verleend aan vorengenoemd plandeel. Hiertoe voeren zij aan dat de aan [belanghebbende C] toegekende mogelijkheid om glasopstanden op te richten in strijd is met het streekplan. [appellant sub 1] voert voorts aan dat [belanghebbende C] reeds elders gronden heeft aangekocht. [appellant sub 5] e.a. voeren aan dat na de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007 glasopstanden zijn opgericht op het perceel van [belanghebbende C], maar dat een daartoe verleende bouwvergunning nimmer is gepubliceerd.

2.8.3. Het college dient bij het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan de omstandigheden te betrekken zoals die zijn ten tijde van het nemen van dat besluit. Anders dan ten tijde van het goedkeuringsbesluit van 8 november 2005, dat door de Afdeling in haar uitspraak van 28 maart 2007 is vernietigd, heeft [belanghebbende C] met een bij besluit van 8 december 2006 daartoe verleende en thans in rechte onaantastbare bouwvergunning naar aannemelijk is geworden medio 2007 glasopstanden opgericht op haar perceel ten noorden van de Pater Eustachiuslaan. Gelet daarop was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, anders dan [appellant sub 1] betoogt, sprake van een bestaand - positief bestemd - bedrijf als bedoeld in het streekplan. Nu de in het plan opgenomen gronden waarop het voor [belanghebbende C] mogelijk is om glasopstanden op te richten, zijn gelegen aansluitend aan het huidige bedrijf van [belanghebbende C], kan dit worden aangemerkt als een uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf en is geen sprake van strijd met het provinciaal beleid. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 5] e.a. dat de verleende bouwvergunning nimmer is gepubliceerd, wijst de Afdeling op de bijlagen bij de schriftelijke uiteenzetting van de raad, waaruit blijkt dat de aanvraag om vergunning op 13 oktober 2006 en de verlening van de vergunning op 15 december 2006 zijn gepubliceerd in het huis-aan-huisblad Laarbeeker. Dit betoog van [appellant sub 5] e.a. faalt derhalve.

Uit de plantoelichting kan worden opgemaakt dat voor [belanghebbende C] uitbreiding in de vorm van het oprichten van glasopstanden op de bestaande bedrijfslocatie uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk is, omdat op deze wijze de oogstperiode wordt verlengd. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college hier niet van heeft mogen uitgaan. Het betoog faalt derhalve.

Conclusie

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 5] e.a. en de stichting en BMF hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Glastuinbouwdoorgroeigebied", voor zover gelegen ten noorden van de Peeldijk, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient op die punten wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Gelet op de samenhang met de plandelen met de bestemming "Groenvoorziening"en "Waterloop" voor zover gelegen ten noorden van de Peeldijk, dient ook de goedkeuring daarvan te worden betrokken in de vernietiging.

2.9.1. Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], en [appellant sub 5] e.a. hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich wat betreft het plandeel met de bestemming "Glastuinbouwdoorgroeigebied", voor zover gelegen ten noorden van de Pater Eustachiuslaan, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.10. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 5] e.a., [appellant sub 2] en [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de stichting en BMF is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 6] e.a. en [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 6] en anderen niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de stichting Stichting Middengebied en de stichting Brabantse Milieu Federatie geheel en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] en anderen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 27 november 2007, no. 1099017, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Glastuinbouwdoorgroeigebied", "Groenvoorziening"en "Waterloop" voor zover gelegen ten noorden van de Peeldijk;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 3] geheel en de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] en anderen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,28 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en achtentwintig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 5] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 66,52 (zegge: zesenzestig euro en tweeënvijftig cent);

vorenstaande bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant aan de appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden voldaan;

VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 1], R.H.L. [appellant sub 2], [appellant sub 5] en anderen en € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de stichting Stichting Middengebied en de stichting Brabantse Milieu Federatie vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op

177-533.