Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
200806562/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het verdiepen en uitbreiden van het souterrain en het wijzigen daarvan tot woning en terras, het veranderen van de achtergevel ter plaatse van het souterrain en het verwijderen van het bestaande terras en deze te vervangen en te verhogen door het aanbrengen van een pergola met hekwerk ter plaatse van de begane grond op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806562/1/H1.

Datum uitspraak: 6 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2008 in zaak nr. 07/4411 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) geweigerd aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het verdiepen en uitbreiden van het souterrain en het wijzigen daarvan tot woning en terras, het veranderen van de achtergevel ter plaatse van het souterrain en het verwijderen van het bestaande terras en deze te vervangen en te verhogen door het aanbrengen van een pergola met hekwerk ter plaatse van de begane grond op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2008, verzonden op 16 juli 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 september 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J. van der Gouw, advocaat te 's-Gravenhage, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T.M. van Gorsel, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Museumplein e.o." (hierna: het bestemmingsplan) rust op de grond waarop het bouwplan is voorzien, voor zover het betreft de in de tuin gelegen betonnen constructie alsmede de pergola, de bestemming "Tuinen I".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als "Tuinen I" aangewezen gronden bestemd voor tuinen en daarbij behorende voetpaden met uitsluiting van elk gebruik voor parkeerdoeleinden. Ingevolge het tweede lid mogen op de in het eerste lid vermelde gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de aldaar vermelde bestemming.

Ingevolge het derde lid geldt voor de in het tweede lid vermelde bouwwerken een maximum bouwhoogte van 3 m en een maximum bebouwingspercentage van 2.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de leden 1 en 2, in dier voege, dat per kadastraal perceel op de in lid 1 vermelde gronden bebouwing ten dienste van de bestemming mag worden opgericht en in stand gehouden met een maximumvloeroppervlakte van 10 m², met dien verstande dat dit niet meer mag bedragen dan 10% van de oppervlakte van de tuin.

Ingevolge artikel 19, aanhef, eerste lid, en onder d, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd, indien niet op grond van een andere bepaling van deze voorschriften vrijstelling kan worden verleend, vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan, in dier voege dat de bebouwingsgrenzen en/of bestemmingsgrenzen worden overschreden tot ten hoogste 2 m ten behoeve van balkons, bordessen, galerijen, luifels, buitentrappen en lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte delen van gebouwen.

2.2. Het bouwplan ziet onder meer op het verdiepen van het souterrain en het doortrekken van de verdiepte souterrainvloer in de tuin tot 3,2 m gemeten vanuit de achtergevel met een keerwand, zodat een terras ontstaat dat bereikbaar is vanuit het souterrain via de schuifpui in de achtergevel. Bouwkundig gezien maken de souterrainvloer en het terras deel uit van dezelfde betonnen constructie. Voorts voorziet het bouwplan in de bouw van een pergola op de betonnen constructie.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden en de feiten heeft miskend, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de betonnen constructie beoogt de kelderverdieping te doen uitbreiden en de gehele tuin te voorzien van een verharding. De rechtbank gaat derhalve, anders dan [appellant] kennelijk meent, juist uit van de tweeledige functie van de betonnen bak.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de betonnen constructie ten dienste staat van de bestemming "Tuinen I". [appellant] voert daartoe aan dat voor beantwoording van de vraag aan welke bestemming een bouwwerk dienstbaar is, van belang is welke functie het bouwwerk vervult en dat het hier gaat om een terrasfunctie.

2.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de betonnen constructie, voor zover in de tuin gelegen, naast de functie van waterkering een terrasfunctie heeft. Niet in te zien is derhalve waarom dit gedeelte van de betonnen bak moet worden gezien als een uitbreiding van het souterrain, dat een woonfunctie heeft. De omstandigheid dat het terras constructief gezien één geheel vormt met de verdiepte souterrainvloer kan niet tot die conclusie leiden. Evenmin is in te zien waarom het voorziene terras niet ten dienste staat van de bestemming "Tuinen I". De rechtbank heeft niet onderkend dat het bouwplan, voor zover dit ziet op de terrasverharding in de tuin, wel ten dienste staat van de bestemming "Tuinen I".

2.4.2. Vorenstaande laat echter onverlet dat het bouwplan door de omvang in strijd is met de bouwvoorschriften van artikel 14 van de planvoorschriften dat een maximum bebouwingspercentage van 2 voorschrijft. Gelet op de afmetingen van de betonnen constructie kon het dagelijks bestuur bovendien geen gebruik maken van de in het bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid om hiervoor vrijstelling te verlenen. Het betoog slaagt niet.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) omdat het dagelijks bestuur de "Beleidsregels voor de toepassing van artikel 19, lid 3, WRO" (hierna: de beleidsregels) niet op juiste wijze heeft toegepast. [appellant] voert daartoe aan dat de beleidsregels niet van toepassing zijn omdat het bouwplan niet te duiden is als een van de in de beleidsregels aangeduide categorieën en dat het dagelijks bestuur derhalve een zelfstandige afweging van alle betrokken belangen had dienen te maken, op grond waarvan het college naar zijn mening niet tot weigering van de vrijstelling had kunnen besluiten.

2.6. Het dagelijks bestuur heeft vrijstelling voor het bouwplan geweigerd wegens strijd met het in de beleidsregels neergelegde, op 1 februari 2006 in werking getreden, vrijstellingenbeleid. In de beleidsregels is een terughoudend vrijstellingenbeleid neergelegd omdat het onbebouwde, open en rustige karakter van de binnentuinen dient te overheersen. Het beleid is er op gericht om het nog aanwezige groene karakter, waar mogelijk, te versterken ten behoeve van met name de woonfunctie. Volgens de beleidsregels is ten aanzien van bepaalde categorieën bouwwerken van een beperkte ruimtelijke betekenis, zoals balkons, koekoeken, dakterrassen op aanbouwen, en die afwijken van het bestemmingsplan vrijstelling van het bestemmingsplan mogelijk, mits de bebouwing maximaal 2 m diep is, gemeten vanuit de achtergevel. Gelet op het uitgangspunt van de beleidsregels en de hierin voor andere bouwwerken gestelde maximale bebouwingsdiepte, is het niet onredelijk te achten dat het dagelijks bestuur, wat betreft de te stellen eisen aan de diepte van de betonnen constructie, aansluiting heeft gezocht bij de beleidsregels. Verder is, anders dan [appellant] stelt, niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van aansluiting bij de beleidsregels had moeten afzien. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de overschrijding van de toegestane bebouwingsdiepte niet aan zijn weigering ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog slaagt niet.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2009

270-604.