Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
200809313/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2008, nummer 1403070, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-Mierden (hierna: de raad) bij besluit van 25 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Landgoed Culitsrode, 'Innovatief Hippisch Expertisecentrum' te Hooge Mierde".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809313/2/R2.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2008, nummer 1403070, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-Mierden (hierna: de raad) bij besluit van 25 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Landgoed Culitsrode, 'Innovatief Hippisch Expertisecentrum' te Hooge Mierde".

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 april 2009, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. M.C. Smaling, werkzaam bij DAS-rechtsbijstand, is verschenen. Voorts zijn daar de raad, vertegenwoordigd door D. van Laerhoven-Van Veen en G. Linden, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van het Innovatief Hippisch Expertisecentrum aan de [locatie 1] te [plaats] met een cursusruimte, een kantoor en leslokaal, een hooi- en stro-opslag, een stapmolen, stallen en circa 10 verblijfsruimten. Het Innovatief Hippisch Expertisecentrum bestaat uit de Horse Academy - een paardenhouderij en een opleidingscentrum - en enkele percelen ten noorden daarvan, die als landgoed worden ingericht. Het bebouwingsoppervlak voor de uitbreidingen beslaat circa 2.662 m².

2.3. De Horse Academy is gelegen aan een bebouwingslint langs de Koestraat, ten westen van Lage Mierde en ten zuiden van het landgoed "De Utrecht". Ten oosten van het perceel ligt het riviertje De Reusel. Het plangebied vormt een onderdeel van het buurtschap "Kuilenrode", dat wordt gekenmerkt door een mengeling van agrarische bedrijven en burgerwoningen.

2.4. [verzoeker], die een varkenshouderij exploiteert op het naastgelegen perceel aan de [locatie 2], vreest dat de voorgenomen uitbreiding de ontwikkeling van zijn bedrijf zal belemmeren. Hij betoogt dat het plan in strijd is met de in de provinciale Beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling opgenomen beleidsuitgangspunten dat uitbreiding van niet-agrarische bedrijfsbebouwing, als waarin het plan voorziet, niet mag leiden tot aantasting van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven en/of van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Hij voert hiertoe aan dat de uitbreidingslocatie is gelegen in de Groene Hoofdstructuur (GHS) landbouw met de aanduiding "leefgebied struweelvogels", waarmee een zo omvangrijke uitbreiding als hier in het geding zich niet verdraagt.

[verzoeker] betoogt voorts dat zijn bedrijf vanwege de aanwezigheid van twee burgerwoningen aan de [locaties 3 en 4] nog slechts naar de achterzijde van zijn bouwblok kan worden uitgebreid, terwijl de uitbreiding van de Horse Academy juist ook daar is gepland. Volgens hem maakt het plan het ook al mogelijk dat in de bestaande situatie - dat wil zeggen zonder dat zijn eigen bedrijf wordt uitgebreid - geurgevoelige objecten als verblijfsruimten, kantoren en cursus- en trainingsruimten binnen de geurcontour van zijn bedrijf komen te liggen. In die ruimten kan dan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, aldus [verzoeker].

2.5. Blijkens het bestreden besluit is het voorliggende bestemmingsplan onder meer getoetst aan de Interimstructuurvisie Brabant in Ontwikkeling van juni 2008, waardoor per 1 juli 2008 het streekplan Noord-Brabant 2002 is vervangen, en aan de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling, waarin het college het versteningsbeleid voor onder meer paardenhouderijen nader heeft uitgewerkt. De voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing van de Horse Academy is deels, en het noordelijk gelegen buitenterrein dat als landgoed ingericht gaat worden, geheel gelegen op gronden binnen de GHS landbouw met de aanduiding "leefgebied struweelvogels", zodat voor aantasting van dat gebied het zogenoemde "nee, tenzij-principe" geldt.

In het besluit is voorts van belang geacht dat het gebied in het Reconstructieplan Beerze-Reusel is aangewezen als verwevingsgebied, waarbinnen vestiging en uitbreiding van paardenhouderijen op bestaande locaties onder voorwaarden mogelijk is. Daarbij is nader aangegeven dat de ontwikkeling van de paardenhouderijen in de omgeving van Hooge en Lage Mierde nadrukkelijk wordt gestimuleerd. In het Reconstructieplan Beerze-Reusel is in dit verband een belangrijke trekkersrol aan specifiek de Horse Academy toegekend en is daarbij reeds opgenomen dat, om de doelstellingen van het bedrijf te realiseren, uitbreiding van de huidige faciliteiten noodzakelijk is.

2.6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het provinciale beleid met het plan in voldoende mate is gewaarborgd, waarbij in aanmerking is genomen dat de uitbreidingslocatie onderdeel uitmaakt van het buurtschap Kuilenrode, de gronden voorheen agrarisch in gebruik waren en dat eventuele aantasting van de aanwezige natuurwaarden in voldoende mate wordt gecompenseerd, nu het noordelijk gelegen buitenterrein de bestemming "Natuur, bos en open landschap (N)" heeft gekregen. Volgens het inrichtingsplan zal dit terrein met een omvang van 7 ha grotendeels met bos en struiken worden ingericht, waarvan struweelvogels gebruik kunnen maken, hetgeen leidt tot een versterking van het leefgebied van deze vogels, aldus het college.

2.7. Gelet op de ligging van de uitbreidingslocatie, de daaraan toekomende waarden en de met het plan geboden natuurcompensatie ziet de voorzitter in hetgeen door [verzoeker] op dit punt is aangevoerd onvoldoende grond om te oordelen dat het provinciale beleid aan verwezenlijking van de voorgenomen uitbreidingen in de weg staat. Er bestaat dan ook geen aanleiding reeds hierom tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan.

2.8. De voorzitter overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) dient een vergunning voor een veehouderij te worden geweigerd indien de geurbelasting voor een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom, meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht bedraagt.

Ingevolge artikel 1 van de Wgv wordt als een geurgevoelig object aangemerkt een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgv betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in artikel 6, in elk geval de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied.

Bij besluit van 27 mei 2008, in werking getreden op 1 juni 2008, heeft de raad een dergelijke gemeentelijke verordening vastgesteld. Hierin is voor het buitengebied van de gemeente eveneens een norm van 14,0 odour units per kubieke meter lucht vastgesteld.

2.9. Blijkens de stukken heeft de SRE Milieudienst in opdracht van de gemeente de geurbelasting van het bedrijf van verzoeker berekend. Hieruit blijkt volgens de raad dat de uitbreiding van de Horse Academy geheel buiten de geurcontour van dat bedrijf is gelegen en dat voor het bedrijf van [verzoeker] ook in de toekomst uitbreidingsmogelijkheden zullen zijn. Een en ander is door verzoeker gemotiveerd en met tegenonderzoek bestreden.

Partijen worden onder meer verdeeld gehouden door de vraag van welke emissiepunten op het bouwblok van verzoeker dient te worden uitgegaan en welke berekeningsmethode daarbij moet worden gehanteerd, alsook door de vraag in hoeverre de gebouwen in de oprichting waarvan het plan voorziet als geurgevoelig object in de zin van de Wet geurhinder moeten worden aangemerkt.

2.10. De voorzitter overweegt hieromtrent dat deze procedure zich niet leent voor een uitgebreide beoordeling van de bezwaren van verzoeker en het standpunt van de raad omtrent de gevolgen van het plan op dit punt voor het bedrijf van verzoeker. Deze kan eerst in de bodemprocedure plaatsvinden. Thans zal worden beoordeeld of in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure aanleiding bestaat om, gelet op de betrokken belangen, een ordemaatregel te treffen.

2.11. Ter zitting is namens de Horse Academy verklaard dat de uitbreiding van de stallen op korte termijn noodzakelijk is. Gelet op de in artikel 1 van de Wgv gegeven definitie van geurgevoelig object acht de voorzitter op voorhand niet aannemelijk dat de geplande stallen als geurgevoelig zullen moeten worden aangemerkt. De voorzitter ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze uitbreiding een belemmering zal kunnen vormen voor het bedrijf van verzoeker. In zoverre bestaat geen grond voor het treffen van een ordemaatregel.

In verband met het voorgaande ziet de voorzitter evenwel, gelet op de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan voor het overige, aanleiding het verzoek in zoverre toe te wijzen en de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen. Deze komt erop neer dat met inachtneming van artikel 3.2 van de planvoorschriften uitsluitend het bouwen van stallen is toegestaan.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 21 oktober 2008, kenmerk 1403070, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.1 van de planvoorschriften, met uitzondering van het bepaalde onder artikel 3.1, aanhef en onder k (stallen);

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

240.