Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
200900848/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel (hierna: de raad) bij besluit van 10 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Grinsel-Triestpad".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200900848/2/R2.

Datum uitspraak: 28 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging Vereniging voor natuurbehoud en milieubeheer in Midden en Noord-Oost Brabant het Groene Hart, gevestigd te Boxtel,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel (hierna: de raad) bij besluit van 10 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Grinsel-Triestpad".

Tegen dit besluit heeft de vereniging Vereniging voor natuurbehoud en milieubeheer in Midden en Noord-Oost Brabant, het Groene Hart (hierna: de vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 februari 2009. Tevens heeft de vereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter], en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. J.H.M. van Cuyck, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. C.F.M. van Mierlo en ing. C.E.A. Buijsman, ambtenaren in dienst van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De voorzitter acht, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, een spoedeisend belang aanwezig, zodat in het navolgende zal worden onderzocht of aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. De vereniging stelt zich op het standpunt dat onvoldoende gewicht is toegekend aan de hoge historische, stedenbouwkundige en geografische betekenis van het plangebied. Daartoe betoogt zij dat ten onrechte voorbij is gegaan aan de overgelegde onderzoeksgegevens naar de cultuurhistorische waarden, aan de aantasting van de beschermingszone met een hoge historisch-stedenbouwkundige waarde - de lintbebouwing aan Grinsel - en de molenbiotoop zoals weergegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Voorts stelt de vereniging dat het plan in strijd is met rijks- en provinciaal ruimtelijk beleid, omdat daarin behoud en beheer van de cultuurhistorische waarden voorop staan.

2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de raad en het college de door de vereniging genoemde waarden van het gebied niet hebben onderkend dan wel deze onvoldoende hebben meegewogen in de besluitvorming. Daartoe acht de voorzitter van belang dat in het plan rekening is gehouden met en aansluiting is gezocht bij de aan het plangebied grenzende lintbebouwing, door onder meer de aan te houden afstand tussen bebouwing en de zijdelingse perceelsgrenzen waardoor een doorkijk gewaarborgd blijft. Voorts acht de voorzitter van belang dat in het plan aansluiting is gezocht bij de regeling uit het voorheen geldende bestemmingsplan voor de gronden die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangeduid als "molenbiotoop". Deze regeling bestaat eruit dat binnen een straal van 300 meter van de molen een maximaal toegestane bouwhoogte dient te worden aangehouden. Voorshands is niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de raad met voornoemde maatregelen voldoende rekening heeft gehouden met de bestaande waarden in het plangebied en dat deze waarden door het plan niet in overwegende mate zullen worden aangetast. Gelet hierop heeft de vereniging evenmin aannemelijk gemaakt dat het plan in strijd is met rijks- en provinciaal ruimtelijk beleid.

Voor zover de vereniging stelt dat het onderzoek naar de cultuurhistorische waarden onvolledig is, heeft zij dit niet nader onderbouwd.

2.5. De vereniging stelt ten slotte dat het foerageergebied van de steenuil ten onrechte wordt aangetast. De ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is, volgens de vereniging, ten onrechte verleend omdat aan verschillende voorwaarden daarvoor niet is voldaan.

2.5.1. De vragen of voor de uitvoering van een plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plandeel had kunnen verlenen, indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat.

2.5.2. De voorzitter ziet in hetgeen de vereniging betoogt geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat. De voorzitter acht daarbij het besluit van 18 februari 2009 van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van betekenis, nu daarin een ontheffing op basis van de Flora- en faunawet voor de steenuil is verleend wat betreft de voorziene woningbouw ter plaatse van het gebied aangeduid als Grinsel-Triestpad. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat naast deze ontheffing nog andere ontheffingen op grond van deze wet nodig waren. De vraag of de ontheffing in deze vorm al dan niet terecht is verleend, kan niet in deze procedure aan de orde komen.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2009

458.