Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2938

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
200901161/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2008, no. 1418318, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxmeer (hierna: de raad) bij besluit van 24 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Groeningen" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901161/2/R2.

Datum uitspraak: 27 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2008, no. 1418318, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxmeer (hierna: de raad) bij besluit van 24 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Groeningen" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2009, beroep ingesteld. [verzoekers] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 10 maart 2009.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij de brief van 10 maart 2009 is verzocht de gronden, ingediend ter onderbouwing van het beroep, tevens te beschouwen als de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 april 2009, waar [verzoekers], in persoon en bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, is verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door Th.J.M. Franssen, ambtenaar in dienst van de gemeente, en J.M.M. Gerrits in persoon.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan, dat is opgesteld in het kader van het actualiserings- en standaardiseringsproces van de gemeentelijke plannen voor het grondgebied van de gemeente Boxmeer, voorziet in de planologische regeling van het dorp Groeningen als kleinste kern van die gemeente.

2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrekking op de in het plan mogelijk gemaakte bouw van twee vrijstaande en twee half vrijstaande woningen op de gronden tussen de [locatie 1 en 2].

[verzoekers], die met vrijstelling een bouwtitel hebben verkregen voor het tegenover het onderhavige perceel gelegen perceel [locatie 3], waar zij een woning in aanbouw hebben, zijn van mening dat onvoldoende onderbouwd is of de door het plan voorziene woningbouw past binnen het provinciale en gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Daartoe betogen zij dat het plan de bouw van 49 woningen mogelijk maakt terwijl in het gemeentelijk volkshuisvestingsplan tot 2020 slechts 22 woningen zijn geraamd, dat niet is aangetoond dat ter plaatse behoefte bestaat aan dit type woningen en dat het plan haaks staat op de door de provincie voor de toekomst verwachte structurele bevolkingskrimp. Op basis van de verwachte groei van Boxmeer voor de periode 2008 tot en met 2019 met 1,34% moet naar verhouding voor de kern Groeningen worden uitgegaan van een groei met slechts 5 personen. Voorts is onvoldoende onderbouwd dat de woningbouw niet zal leiden tot aantasting van de cultuurhistorische waarden ter plaatse, aldus [verzoekers].

2.4. Het college heeft zich met de raad op het standpunt gesteld dat de geplande woningbouw past binnen de gemeentelijke en provinciale beleidskaders. In het bestreden besluit is daartoe overwogen dat de voorziene woningbouw past in het provinciaal beleid, zoals uitgewerkt in het Uitwerkingsplan "Land van Cuijk", waarin voor de kernen van Boxmeer wordt ingezet op beheer en intensivering. Conform dit beleid is in het plan voor de woningbouw aansluiting gezocht bij de bestaande bebouwingslinten en leidt het bestemmingsplan niet tot een grote structurele verandering in functie of structuur van de kern.

2.5. Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat het plan bij recht - zonder vrijstellings- of wijzigingsprocedure - de bouw van 29 woningen mogelijk maakt.

Ter zitting is namens de raad nader verklaard dat een aantal van ten minste 22 woningen noodzakelijk is om een negatief migratiesaldo in de kern Groeningen te voorkomen en dat het extra aantal van 7 woningen voortvloeit uit het rijksbeleid dat het aanhouden van een zogenoemde strategische overmaat aan bestemmingsplancapaciteit voorstaat. In verband daarmee wordt door de provincie de ontwikkeling van een capaciteit van 130% van het woningbouwprogramma aanbevolen, hetgeen voor Groeningen neerkomt op 29 woningen, aldus de raad.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekers] hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van strijd met het gemeentelijk en provinciale beleid ter zake geen sprake is.

Voor zover het betoog van [verzoekers] moet worden geacht mede betrekking te hebben op de realisering van woningen via toepassing van de in het plan opgenomen vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden, moet daaraan worden voorbijgegaan, reeds omdat het verzoek om een voorlopige voorziening geen betrekking heeft op de plandelen waarop die wijzigingsbevoegdheid ziet.

2.6. Het college heeft zich voorts in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat door de realisering van de woningen op het perceel tussen de [locatie 1 en 2] de cultuurhistorische waarden van de kern Groeningen niet zullen worden geschaad.

In hetgeen [verzoekers] hebben betoogd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de onderhavige locatie moet worden aangemerkt als een inbreidingslocatie binnen bestaande lintbebouwing aan een doorgaande interlokale verbindingsweg. Niet in geschil is dat de gronden in kwestie niet zijn opgenomen op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart. Door [verzoekers] zijn geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat ter plaatse anderszins sprake is van cultuurhistorische waarden die zich tegen woningbouw ter plaatse verzetten.

2.7. Gezien het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2009

240.