Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2683

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200802699/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2008, kenmerk 2008-9194, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de deelraad van het stadsdeel Amsterdam Centrum (thans: Centrum, hierna: de deelraad) bij besluit van 28 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "1e herziening van het bestemmingsplan Westelijke Eilanden" van de gemeente Amsterdam.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 389 met annotatie van F.A.G. Groothuijse
Milieurecht Totaal 2009/5102
ABkort 2009/203
JOM 2010/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802699/1.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2008, kenmerk 2008-9194, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de deelraad van het stadsdeel Amsterdam Centrum (thans: Centrum, hierna: de deelraad) bij besluit van 28 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "1e herziening van het bestemmingsplan Westelijke Eilanden" van de gemeente Amsterdam.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2008, beroep ingesteld. [appellanten] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 13 mei 2008.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2009, waar [appellanten], bij monde van [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de deelraad, vertegenwoordigd door mr. J.E. Kenter en drs. Q. Niessen, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de deelraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de deelraad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellanten] betogen dat de wijze waarop het college de ingebrachte bedenkingen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college in het bestreden besluit verwijst naar hetgeen in dit verband door de deelraad in de beantwoording van de zienswijzen is opgemerkt en hetgeen door het college van burgemeester en wethouders is geadviseerd. Dat het college vervolgens niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

2.3. Het beroep van [appellanten] richt zich voorts tegen de goedkeuring van de in artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften vervatte vrijstellingsbevoegdheid. Zij stellen dat deze bevoegdheid in strijd met de rechtszekerheid is, nu het gebruik van de gronden of de bebouwing binnen het plangebied met een vrijstelling krachtens dit artikellid kan worden gewijzigd. Dit is volgens [appellanten] in strijd met de doelstelling van het plan om nauwkeurig aan te geven welke functies in het plangebied zijn toegestaan.

2.3.1. Het college stelt, in navolging van de deelraad, dat de in artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid, gelet op artikel 10 van de WRO en op grond van vaste jurisprudentie, in de planvoorschriften moet worden opgenomen. Daarbij merkt het op dat niet snel toepassing aan deze vrijstellingsbepaling zal kunnen worden gegeven, nu vrijstelling krachtens dit artikellid slechts kan worden verleend indien zinvol gebruik overeenkomstig de bepalingen van het bestemmingsplan objectief gezien niet meer mogelijk is.

2.3.2. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de gronden of bebouwing binnen het plangebied te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het dagelijks bestuur vrijstelling van het bepaalde in het eerste lid verleent, indien strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de WRO, voor zover thans van belang, mogen voorschriften omtrent gebruik van de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende opstallen slechts om dringende reden een beperking van het meest doelmatige gebruik inhouden.

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2004 in zaak nr. 200301673/1) is, indien - zoals in artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften - een gebruiksverbod is gegeven met een algemeen karakter, het zeer wel met artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de WRO te verenigen dat daaraan een vrijstellingsbepaling wordt verbonden als vervat in het derde lid van genoemd artikel. In de WRO, noch in de geschiedenis van haar totstandkoming is steun te vinden voor de opvatting dat het verlenen van vrijstelling van het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften ongeoorloofd zou zijn indien is voldaan aan een voorwaarde als gesteld in het derde lid van dit artikel. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid goedkeuring kunnen verlenen aan artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften.

2.3.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre niet is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Het beroep van [appellanten] richt zich voorts tegen de goedkeuring van de nadere aanduiding "zone ligplaats bedrijfsvaartuigen" op het plandeel met de bestemming "Waterweg/gracht". Zij voeren hiertoe aan dat het plan gelet op de ruime definitie van het begrip "bedrijfsvaartuig" in artikel 1.11, in samenhang gelezen met artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, te ruime gebruiksmogelijkheden met betrekking tot het plandeel biedt. Zo stellen zij dat in deze artikelen ten onrechte niet is voorgeschreven welke categorieën vaartuigen ter plaatse van het plandeel mogen worden afgemeerd en welke activiteiten hierop mogen worden verricht. Het standpunt van het college dat een afdoende beperking van de gebruiksmogelijkheden met betrekking tot het plandeel voortvloeit uit de "Verordening op de haven en het binnenwater 2006" (hierna: de verordening) weerspreken zij, nu de verordening volgens hen onvoldoende rechtswaarborgen biedt en een te ruim en algemeen kader bevat voor de toets naar de toelaatbaarheid van het afmeren van bedrijfsvaartuigen ter plaatse en de daarop te verrichten werkzaamheden.

Gelet op de ruime gebruiksmogelijkheden met betrekking tot het plandeel vrezen [appellanten] voor een aantasting van het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Dat het ingevolge het plan niet is toegestaan om vaartuigen voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten af te meren aan het Touwenterrein en om het desbetreffende perceel water te gebruiken als afvaartlocatie en op- en afstapvoorziening voor passagiersvervoer te water, is niet zonder meer afdoende om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, aldus [appellanten].

2.4.1. Het college stelt zich, in navolging van de deelraad, op het standpunt dat de toets of een vaartuig of object ter plaatse mag worden afgemeerd en of de voorgenomen werkzaamheden daar zijn toegestaan, plaatsvindt in het kader van de toetsing van de vergunningaanvraag voor een ligplaats aan de verordening. Op deze wijze worden de gebruiksmogelijkheden op het plandeel volgens het college zodanig ingeperkt, dat voor overlast voor het woon- en leefklimaat niet hoeft te worden gevreesd. Daarbij komt, aldus het college, dat ingevolge artikel 1.11 in samenhang gelezen met artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften vaartuigen voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten niet mogen afmeren aan het Touwenterrein en dat het ingevolge artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften verboden is om het desbetreffende perceel water te gebruiken als afvaartlocatie of als een op- en afstapvoorziening voor passagiersvervoer te water.

2.4.2. Het plan voorziet in de aanduiding "zone ligplaats bedrijfsvaartuigen" op een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Waterweg/gracht" in de Realengracht nabij het Touwenterrein. Het bestemmingsplan is onder meer bedoeld als een plan in de zin van artikel 30, eerste lid, van de WRO in verband met de vernietiging in de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2005, zaak nr. 200409933/1, van de goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden" op het Touwenterrein en de aanduiding "zone ligplaatsen bedrijfsvaartuigen" op het plandeel met de bestemming "Waterweg/gracht" bij het Touwenterrein.

2.4.3. Ingevolge artikel 1.11 van de planvoorschriften moet onder een "Bedrijfsvaartuig" worden verstaan: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zee- of binnenschip, hoofdzakelijk gebruikt als of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep.

Artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften bepaalt dat de gronden die op de plankaart zijn bestemd tot "Waterweg/gracht", zijn aangewezen voor vaarwater, afwateringskanalen en de waterhuishouding, alsmede voor ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding "zone ligplaats bedrijfsvaartuigen" voorkomt.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat als verboden gebruik als bedoeld in artikel 10 in elk geval wordt aangemerkt het gebruik als afvaartlocatie en als een op- en afstapvoorziening voor passagiersvervoer te water.

2.4.4. Dat een beperking van de op het desbetreffende perceel water toegestane activiteiten mogelijk kan voortvloeien uit de verordening, doet er naar het oordeel van de Afdeling niet aan af dat in het voorliggende bestemmingsplan zelf een regeling omtrent het gebruik ter plaatse had moeten worden opgenomen. Behoudens de beperking met betrekking tot het afmeren van vaartuigen voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten en het verbod om het perceel water als afvaartlocatie of als een op- en afstapvoorziening voor passagiersvervoer te water te gebruiken, geeft het bestemmingsplan geen voorschriften ter beperking van hinderveroorzakende activiteiten die ter plaatse op een bedrijfsvaartuig kunnen worden verricht. In dit geval had het bestemmingsplan bijvoorbeeld kunnen voorzien in een bepaling waarin het enkele afmeren van bedrijfsvaartuigen wordt toegestaan en, voor zover ter plaatse bedrijfsactiviteiten mogen worden verricht, slechts activiteiten van een bedrijf worden toegestaan die behoren tot een bepaalde categorie van de Staat van Inrichtingen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan vanuit een planologisch oogpunt onvoldoende waarborgen voor een goed woon- en leefklimaat van de omwonenden biedt.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 19 februari 2008, kenmerk 2008-9194, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de nadere aanduiding "zone ligplaats bedrijfsvaartuigen" op het plandeel met de bestemming "Waterweg/gracht";

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II vermelde aanduiding;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover dit betrekking heeft op de onder II vermelde aanduiding;

V. verklaart het beroep van [appellanten] voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. D.A.C. Slump, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

177-589.