Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200806308/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd om ten behoeve van appellant een verklaring van geen bezwaar (hierna: een verklaring) af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806308/1.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juli 2008 in zaak nr. 07/6898 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd om ten behoeve van appellant een verklaring van geen bezwaar (hierna: een verklaring) af te geven.

Bij besluit van 16 juli 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2008, verzonden op 9 juli 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 11 september 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 oktober 2008 heeft [appellant] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. R.A.A. Duk, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) meldt de werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD).

Ingevolge het derde lid belast de werkgever een persoon eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie, nadat de minister ten aanzien van die persoon een verklaring heeft afgegeven.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld.

Ingevolge het tweede lid omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op:

a. justitiële en strafvorderlijke gegevens, als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, en gegevens uit politieregisters, als bedoeld in de Wet politieregisters;

b. gegevens betreffende deelneming of steunverlening aan activiteiten die de nationale veiligheid kunnen schaden;

c. gegevens betreffende lidmaatschap van of steunverlening aan organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde;

d. gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

2.2. [appellant] is op 19 april 2005 aangemeld bij de AIVD voor een veiligheidsonderzoek in verband met een door hem geambieerde vertrouwensfunctie van het niveau A.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het veiligheidsonderzoek inzicht diende te verschaffen in het doen en laten van [relatie] in de periode van drie jaar voorafgaand aan de datum van aanmelding voor het veiligheidsonderzoek. Hij voert daartoe aan dat [relatie] niet als zijn partner mocht worden aangemerkt, zodat er geen aanleiding was om naar haar een zo intensief onderzoek in te stellen als bij partners gebruikelijk is. Voorts heeft zij miskend dat de minister, bij gebreke van een samenwerkingsverband met de Filipijnse veiligheidsdienst, ten onrechte niet heeft getracht om op andere wijze relevante informatie over haar te verkrijgen, aldus [appellant].

2.3.1. De gegevens die ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wvo bij een veiligheidsonderzoek worden betrokken, zijn gegevens betreffende persoonlijke gedragingen en omstandigheden die van belang zijn om vast te stellen of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal vervullen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1995/96, 24 023, nr. 5, blz. 13) wordt in dat verband bij alle veiligheidsonderzoeken aandacht besteed aan de partner van de betrokkene, maar is de kring van bij een veiligheidsonderzoek te betrekken personen niet daartoe beperkt. Zo kunnen bij de zwaarste onderzoeken ook andere personen, zoals familieleden, in aanmerking worden genomen, indien zij een aanmerkelijke invloed op de betrokkene kunnen uitoefenen. Gelet hierop, is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de diepgang van het naar [relatie] gedane onderzoek niet beslissend of zij in de beleving van [appellant] niet als zijn partner moet worden beschouwd. Beoordeeld moet worden of de diepgang van het onderzoek gerechtvaardigd wordt door de aard van de door [appellant] beoogde functie en de invloed die [relatie] op hem zou kunnen uitoefenen, gelet op de aard van hun relatie en de wijze waarop zij binnen zijn persoonlijke levenssfeer verkeert.

2.3.2. Op 26 juli 2005 heeft [appellant] aan ambtenaren van de AIVD medegedeeld dat hij een relatie met [relatie] heeft. Niet in geschil is dat zij elkaar in de herfst van 2004 hebben leren kennen en niet hebben samengewoond. In het aanmeldingsformulier ten behoeve van het veiligheidsonderzoek heeft [appellant] [relatie] niet als zijn partner opgegeven, omdat hij hun relatie daarvoor destijds nog pril achtte. In het gesprek met ambtenaren van de AIVD heeft [appellant] echter medegedeeld dat zijn relatie met [relatie] groeiende was en zich zodanig zou kunnen ontwikkelen, dat zij zouden gaan samenwonen en mogelijk ook trouwen. Voorts is niet in geschil dat [appellant] en [relatie] samen sociale evenementen hebben bezocht, zij vanuit haar verblijfplaats in Nederland met hem is meegegaan naar zijn toekomstige werkplaats in België en hij zich heeft ingespannen om haar een legale verblijfsstatus te laten verkrijgen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [relatie] zodanige invloed op [appellant] zou kunnen uitoefenen, dat het, mede gezien de aard van de door hem beoogde functie, gerechtvaardigd was om in het kader van het veiligheidsonderzoek te verlangen dat inzicht zou worden verkregen in haar doen en laten in de drie jaar, voorafgaand aan de datum van aanmelding voor het veiligheidsonderzoek.

2.3.3. Ten aanzien van de wijze waarop inzicht diende te worden verkregen in het doen en laten van [relatie] in de hiervoor vermelde periode is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juni 2008 in zaak nr. 200707194/1), ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wvo op de minister de verplichting rust zich in te spannen om alle beschikbare en aanvaardbare mogelijkheden tot verkrijging van voldoende gegevens aan te wenden en de minister zich niet op het ontbreken van voldoende gegevens kan beroepen, indien de AIVD bij het verzamelen van gegevens te kort is geschoten. De AIVD dient binnen de grenzen van het redelijke al datgene te doen, wat nodig is om de voor een verantwoorde oordeelsvorming benodigde gegevens te verkrijgen.

In dit geval heeft de minister aan voormelde verplichting voldaan, nu hij heeft vastgesteld dat de AIVD niet met de veiligheidsdienst van de Filipijnen, in welk land [relatie] tot augustus 2004 heeft verbleven, samenwerkt en dat in het kader van veiligheidsonderzoeken bezwaarlijk gegevens kunnen worden uitgewisseld met een land waarmee Nederland op veiligheidsgebied niet samenwerkt. De minister heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat het in strijd met de belangen van Nederland kan zijn, indien in een dergelijk land bekend wordt dat een bepaalde persoon mogelijk in aanmerking komt voor het vervullen van een Nederlandse vertrouwensfunctie. Voorts heeft hij daarbij in aanmerking mogen nemen dat niet zeker is of de in een dergelijk land te verkrijgen gegevens van de voor de beoordeling vereiste kwaliteit zijn. Dat de AIVD, als gesteld, wel het doen en laten van [relatie in de periode vanaf haar komst naar Nederland in augustus 2004 zou kunnen onderzoeken, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor is overwogen, mocht in het kader van het veiligheidsonderzoek worden verlangd dat inzicht zou worden verkregen in het doen en laten van [relatie] in de periode van drie jaar, voorafgaand aan de aanmelding voor het veiligheidsonderzoek, gedurende welke periode zij niet uitsluitend in Nederland heeft verbleven.

2.3.4. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om te kunnen vaststellen dat voldoende waarborgen aanwezig zijn dat [appellant] onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen en mocht de minister afgifte van een verklaring aan [appellant] deswege weigeren. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister, gelet op de uit het veiligheidsonderzoek naar voren gekomen persoonlijke omstandigheid die niet aan hem is geopenbaard, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat hij onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen en dat de rechtbank, door niet te onderzoeken of gerechtvaardigd is dat de stukken betreffende deze omstandigheid niet aan hem worden geopenbaard, artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft geschonden. Nu de minister, zoals hiervoor is overwogen, geen inzicht in het doen en laten van [relatie] in de drie jaar, voorafgaand aan de aanmelding voor het veiligheidsonderzoek, heeft kunnen verkrijgen en afgifte van een verklaring aan [appellant] reeds om die reden heeft mogen weigeren, kunnen deze betogen echter, wat daar verder van zij, niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

280-582.