Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200806539/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de paardenschuur die is gelegen op het perceel sectie […] nummer […], nabij het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806539/1/H1.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 juli 2008 in zaak nr. 07/1587 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de paardenschuur die is gelegen op het perceel sectie […] nummer […], nabij het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 27 september 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2008, verzonden op 18 juli 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft hierbij nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Wesselink, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De last onder dwangsom heeft betrekking op een buiten het agrarisch bouwperceel gebouwde (paarden)schuur met een afmeting van 8 m bij 10,5 m, een goothoogte van 2,5 m en een nokhoogte van 5,3 m.

2.2. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.3. Niet in geschil is dat de paardenschuur zonder de daarvoor benodigde bouwvergunning is gebouwd, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisatie bestaat, faalt. Niet in geschil is dat de paardenschuur in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Winterswijk-Oost". Aan het feit dat op de bestemmingsplankaart van het voorontwerp bestemmingsplan "Buitengebied Winterswijk" voor het in geding zijnde perceel de bestemming "Wonen" staat vermeld kan niet de betekenis worden gegeven die [appellant] daaraan wenst toe te kennen. Voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie door herziening van het bestemmingsplan moet in het algemeen, ten tijde van het besluit op bezwaar, een ontwerp van de herziening ter inzage zijn gelegd en moet de procedure al dusdanig zijn gevorderd dat doorgang van de herziening aannemelijk is. Nu ten tijde van het besluit op bezwaar van 27 september 2007 slechts sprake was van een voorontwerp bestemmingsplan en bovendien de gemeenteraad van Winterswijk op 17 februari 2005 en 21 september 2006 heeft geweigerd het bestemmingsplan te herzien ter legalisering van de paardenschuur, kan niet de conclusie worden getrokken dat het in de lijn der verwachting ligt dat de paardenschuur in het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied Winterswijk" wordt gelegaliseerd. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie.

2.6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het handhavend optreden van het college buitenproportioneel is, omdat het college de besluitvorming omtrent de herziening van het bestemmingsplan en de uitkomst van andere pogingen om het bouwwerk te legaliseren had moeten afwachten, faalt. Nu, zoals hiervoor overwogen, geen concreet zicht op legalisatie bestond, bevatten deze door [appellant] genoemde omstandigheden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college van handhaving had moeten afzien.

In dit verband is van belang dat wijziging van het gebruik van de schuur, anders dan [appellant] meent, evenmin een concreet zicht op legalisatie zal opleveren nu het bouwwerk niet voldoet aan de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan. De door [appellant] opgeworpen vraag of het al dan niet planologisch aanvaardbaar is dat er in het agrarisch buitengebied van Winterswijk de mogelijkheid wordt geopend om een nachtverblijf voor dieren op te richten, kan in deze procedure niet aan de orde komen.

2.7. Voor zover [appellant] een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, slaagt dit niet. In de brief van 1 december 2004, waarin het college [appellant] heeft gewezen op de mogelijkheid om een bestemmingsplanwijziging te verzoeken, heeft het college uitdrukkelijk vermeld dat vooraf niet is vast te stellen of een bestemmingsplanwijziging mogelijk is. Bovendien betreft het een bevoegdheid van de gemeenteraad, waarvan blijkens de twee voormelde weigeringen de gemeenteraad geen gebruik wilde maken. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens het college anderszins toezeggingen zijn gedaan dat de paardenschuur gelegaliseerd zou worden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het besluit van 27 september 2007 in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

270-604.