Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200809329/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) het Natuurgebiedsplan Overijssel (hierna: het Natuurgebiedsplan) op een aantal onderdelen gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 88 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Ruimtelijk Bestuursrecht 2009/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809329/1/H2.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 november 2008 in zaken nrs. 07/2074, 07/2090, 07/2110, 07/2116, 07/2118, 07/2120 en 07/2114 in de gedingen tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) het Natuurgebiedsplan Overijssel (hierna: het Natuurgebiedsplan) op een aantal onderdelen gewijzigd.

Bij uitspraak van 20 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) - voor zover thans van belang - het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 18 maart 2009 en 8 april 2009 hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Het besluit tot wijziging van het Natuurgebiedsplan berust op de artikelen 13, eerste lid, van de Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel (hierna: SNO) en 14, eerste lid, van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel (hierna: SANO). Ingevolge deze bepalingen kan het college ten behoeve van de uitvoering van deze regelingen natuurgebieden, respectievelijk beheersgebieden begrenzen met de vaststelling van respectievelijk natuurgebiedsplannen en beheersgebiedsplannen.

2.2. In geding is de wijziging van het Natuurgebiedsplan voor zover daarin de "robuuste verbindingszone" tussen de Sallandse Heuvelrug, langs de Regge tot aan de A1 bij Enter is vastgesteld.

2.3. [appellant], die binnen de grenzen van het Natuurgebiedsplan een rundveebedrijf exploiteert, betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wijziging van het Natuurgebiedsplan geen gevolgen heeft voor zijn bedrijfsvoering. Hij voert daartoe aan dat voor de hand ligt dat met de in het gebiedsplan begrensde terreinen bij de lopende landinrichting op grond van de Wet Inrichting Landelijk Gebied rekening zal worden gehouden. Zijns inziens heeft de rechtbank, door te overwegen dat de landinrichtingsplannen niet ter beoordeling voorliggen, miskend dat hem behoorlijke rechtsbescherming wordt onthouden. Voorts vreest hij voor de gevolgen van de aanwijzing van zijn gronden voor nieuwe natuur in verband met regelgeving op milieugebied. De aanleg van nieuwe natuur zal zijns inziens leiden tot overlast van onkruid, wild en insecten, aanleg van bos zal leiden tot schaduwwerking op zijn terrein en de verhoging van het waterpeil op aangrenzende percelen kan zijns inziens niet praktisch vorm worden gegeven en zal leiden tot nadelen voor landbouwgebruik. Ten slotte vreest hij waardevermindering van de aangewezen gronden.

2.3.1. De vaststelling van een natuurgebiedsplan heeft volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling - zoals de uitspraak van 9 april 2008 in zaak nr. 200705636/1 en de uitspraak van 12 november 2008 in zaak nr. 200801619/1 - in planologisch opzicht geen directe gevolgen voor de in het gebied waarop het natuurgebiedsplan ziet, gelegen gronden. Door die vaststelling wordt de bestemming van die gronden noch het gebruik daarvan gewijzigd. Zulks geldt evenzeer voor de vaststelling van een beheersgebiedsplan, zoals in dit geval in samenhang met het natuurgebiedsplan is gebeurd. Het plan geeft de omtrek weer van het gebied waarvoor op grond van de SNO en SANO subsidie kan worden gevraagd ter bevordering van de duurzame ontwikkeling en instandhouding van bossen en natuurterreinen en agrarisch natuurbeheer in dat gebied. Het bestaande gebruik van de in het gebiedsplan begrepen gronden kan worden voortgezet. De wijziging van het Natuurgebiedsplan heeft op zichzelf dan ook geen concrete gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellant]. Dat in het Natuurgebiedsplan vrijwel de gehele huiskavel tot aan de gevel van de bedrijfsgebouwen is aangewezen maakt dat niet anders. Uit deze aanwijzing vloeit immers voor [appellant] geen enkele verplichting voort.

2.3.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de landinrichting, waar [appellant] bij is betrokken, niet ter beoordeling voorligt. Die landinrichting is geregeld in de Wet inrichting landelijk gebied en verloopt via in die wet geregelde procedures. Niet het Natuurgebiedsplan, maar het ter plaatse geldende planologische regime is, zoals het college in verweer voor de Afdeling heeft beschreven, leidend voor de op grond van die wet gemaakte inrichtingsplannen. Zowel in het kader van die wet als in het kader van de regelgeving op het gebied van de ruimtelijk ordening bestaat de mogelijkheid voor [appellant] om tegen de in die kaders genomen besluiten in rechte op te komen. Niet valt dan ook in te zien dat de rechtbank hem behoorlijke rechtsbescherming heeft onthouden door de landinrichting niet bij de behandeling van zijn beroep te betrekken.

2.3.3. Eventuele door de ontwikkeling van nieuwe natuur uit milieuregelgeving voortvloeiende belemmeringen voor de bedrijfsvoering van [appellant] zijn - anders dan [appellant] kennelijk van mening is - niet het directe gevolg van de wijziging van het Natuurgebiedsplan. Immers, waar het bestemmingsplan in die ontwikkeling niet voorziet, zal daaraan een procedure tot herziening of wijziging van dat bestemmingsplan vooraf dienen te gaan. In dat kader kan hij die bezwaren tegen de omvorming van agrarische naar natuurbestemmingen naar voren brengen. Waar het bestemmingsplan die ontwikkeling niet verbiedt, vloeien die mogelijke belemmeringen uit het planologische regime voort en niet uit de wijziging van het Natuurgebiedsplan. De rechtbank heeft daarin dan ook terecht geen aanleiding gezien om het besluit tot wijziging van het Natuurgebiedsplan voor onjuist te houden.

2.3.4. Over de door [appellant] gestelde schade heeft de rechtbank terecht overwogen dat mogelijke schade die voortvloeit uit nog te nemen planologische besluiten, in het kader van procedures tegen die besluiten aan de orde kan worden gesteld. Weliswaar kan volgens het college bij de omvorming naar natuur tijdelijk overlast van probleemkruiden optreden, maar daarover zullen zij die daarvan hinder ondervinden en mogelijk schade lijden met de eigenaren goede afspraken moeten maken. Bij gebreke daarvan kunnen zij die eigenaren zo nodig in rechte betrekken. Het college heeft daarin in redelijkheid geen grond hoeven zien de in geding zijnde aanwijzingen achterwege te laten. Het voorgaande geldt evenzeer de eventuele aanleg van bos op aangrenzende percelen. Ook in de eventueel door de ontwikkeling van nieuwe natuur noodzakelijke waterpeilverhoging heeft het college geen aanleiding hoeven zien de aanwijzing van gronden van [appellant] achterwege te laten. Het college heeft daarover in zijn verweer voor de Afdeling vermeld dat peilverhogingen zo nodig met compenserende maatregelen zullen plaatsvinden, zodat die geen effect zullen hebben op de omliggende agrarische percelen.

Dat de aanwijzing van zijn gronden voor nieuwe natuur tot waardevermindering ervan zal leiden, heeft [appellant] ten slotte gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt.

2.3.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college met het in het Natuurgebiedsplan aanwijzen van gronden die in eigendom zijn van [appellant] niet onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

47.