Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200806538/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd (hierna: het college) bouwvergunning en vrijstelling verleend voor een dakkapel, een balkon en twee bijgebouwen op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806538/1/H2.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 juli 2008 in zaak nr. 06/649 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd (hierna: het college) bouwvergunning en vrijstelling verleend voor een dakkapel, een balkon en twee bijgebouwen op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 januari 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2008, verzonden op 16 juli 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 januari 2006 vernietigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door B.C. Star, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan het perceel is in het bestemmingsplan "De Easte" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Woonhuizen klasse B" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, tuinen en/of erven, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge artikel 4, lid B onder 2, van de planvoorschriften mogen de hoofdgebouwen uitsluitend binnen de als zodanig op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 4, lid B onder 9, van de planvoorschriften mogen bij ieder hoofdgebouw ten behoeve van het wonen twee bijgebouwen worden gebouwd, waarvan niet meer dan één vrijstaand met een maximale oppervlakte van 30m2, mits:

b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen ten hoogste 60 m2 zal bedragen, echter met inachtneming van de volgende beperkingen:

1. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer zal bedragen dan 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw;

2. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer zal bedragen dan 30% van de oppervlakte van het bouwperceel, exclusief de oppervlakte van het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 4, lid D onder 3, van de planvoorschriften kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B onder 9 dat slechts één bijgebouw vrijstaand mag worden gebouwd en toestaan dat beide bijgebouwen vrijstaand worden gebouwd, onverminderd het overige bepaalde in lid B onder 9.

2.2. Het perceel is op 1 juli 2004 door [belanghebbende A] aan [belanghebbenden B] verkocht. Vanaf 2001 exploiteerde [belanghebbende A] op het perceel het "[Atelier]". Op het perceel stond een woonhuis (met dakkapel), een aangebouwde atelierruimte (met balkon), een berging en twee overkappingen. Met de verkoop van het perceel stopten de bedrijfsmatige activiteiten. [appellanten] wonen sinds 2000 op het aangrenzende perceel [locatie 2]. Aan de huidige procedure is het volgende voorafgegaan.

2.2.1. Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [belanghebbende A] inhoudende dat zij de bedrijfsmatige activiteiten op haar perceel diende te beëindigen, met uitzondering van de bedrijfsmatige activiteiten in het atelier.

Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het college het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 november 2003 heeft de rechtbank het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2004, zaak nr. 200308417/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het daartegen door [appellanten] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 januari 2003 vernietigd. De Afdeling heeft, voor zover thans van belang, geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen het bedrijfsmatig gebruik van het atelier op het perceel.

2.2.2. Bij besluit van 29 januari 2003 heeft het college [belanghebbende A] aangeschreven vóór 1 januari 2005 de illegale bijgebouwen en bouwwerken op het perceel te verwijderen.

Bij besluit van 10 september 2003 heeft het college het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 29 januari 2003 ingetrokken.

Bij uitspraak van 18 november 2004 in zaak nr. 03/1158 heeft de rechtbank het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 september 2003 vernietigd. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, geoordeeld dat er voor het college geen aanleiding bestond om van handhaving af te zien. Daartoe heeft zij overwogen dat het, bedrijfsmatig gebruikte atelier niet als onderdeel van het woonhuis kan worden beschouwd, omdat de functionele verbondenheid ontbreekt. Het atelier, voor de uitbreiding waarvan in 1997 een vergunning was verstrekt, diende daarom als bijgebouw te worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de overkappingen overwogen dat deze onder de Woningwet 1991 vergunningplichtig zijn. Nu de oppervlakte van het atelier ongeveer 100m2 bedraagt, was daarmee de in het bestemmingsplan bepaalde maximale oppervlakte aan bijgebouwen reeds overschreden en konden de berging, het balkon en de twee overkappingen niet worden gelegaliseerd.

2.3. Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het college aan [belanghebbende A] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor de legalisatie van een dakkapel, een balkon en twee bijgebouwen (een berging van 18 m2 en een overkapping van 22 m2) Voorts heeft het college ten aanzien van een overkapping van 12 m2 gesteld dat dit een vergunningvrij bouwwerk is op grond van artikel 43 van de Woningwet 1991.

2.4. Bij besluit van 19 januari 2006 heeft het college het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft het college aangevoerd dat de feitelijke situatie is gewijzigd en dat de voormalige atelierruimte thans als onderdeel van het hoofdgebouw, het woonhuis, moet worden beschouwd. [belanghebbenden B] gebruiken de voormalige atelierruimte als woonkamer en er is thans een directe verbinding tussen het bestaande woonhuis en de voormalige atelierruimte. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 20 maart 2000 in zaak nr. 200104530/1 (AB 2002, 141), heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er thans sprake is van een uitbreiding die in de woning opgaat en de gedaante ervan wijzigt. De desbetreffende uitbreiding bevindt zich op het bestemmingsvlak voor hoofdgebouwen en is qua afmetingen en verschijningsvorm niet ondergeschikt aan het woongedeelte. Nu de voormalige atelierruimte niet langer als bijgebouw dient te worden aangemerkt, bestaat op grond van het bestemmingsplan alsnog de mogelijkheid twee bijgebouwen te realiseren: de berging van 18m2 en een overkapping van 22m2. Volgens het college is de overkapping van 12m2 vergunningvrij op grond van de Woningwet 1991.

2.5. De rechtbank heeft het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 januari 2006 vernietigd.

De rechtbank heeft overwogen dat het college op goede gronden heeft gesteld dat de voormalige atelierruimte gelet op de gewijzigde situatie als uitbreiding van het hoofdgebouw moet worden beschouwd. Het college heeft volgens de rechtbank de overkapping van 12m2 echter ten onrechte als vergunningvrij aangemerkt. Voorts heeft het college in de belangenafweging in het kader van de vrijstelling en de verlening van de bouwvergunning ten onrechte geen aandacht besteed aan de stelling van [appellanten] dat de twee bijgebouwen op hun terrein staan. Het college dient bij de heroverweging van het besluit van 5 januari 2004 er rekening mee te houden dat de planvoorschriften niet toestaan dat er in totaal drie vrijstaande bijgebouwen op het perceel staan, aldus de rechtbank.

2.6. [appellanten] betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de gewijzigde feitelijke situatie niet relevant is. Daartoe stellen zij dat uit de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2004 volgt dat het atelier, los van het gebruik ervan, als een illegaal bijgebouw, moet worden beschouwd. Voorts stellen zij dat het college met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank van 18 november 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar had moeten nemen.

2.6.1. Dit betoog slaagt niet.

Vast staat dat het college bij besluit van 7 oktober 1997 bouwvergunning heeft verleend voor het vergroten van een atelierruimte op grond van de overweging dat het bouwplan past in het bestemmingsplan. De uitbreiding van het atelier bevindt zich voorts binnen het op de plankaart als zodanig aangegeven bebouwingsvlak. Het besluit van 7 oktober 1997 is in rechte onaantastbaar geworden.

Anders dan [appellanten] stellen, heeft de Afdeling zich in de uitspraak van 8 september 2004 niet uitgelaten over de vraag of het atelier als een illegaal bijgebouw moet worden beschouwd. De Afdeling heeft in die zaak geoordeeld dat de rechtbank in haar uitspraak van 4 november 2003 ten onrechte heeft overwogen dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen het bedrijfsmatig gebruik van het atelier op het perceel. Daartoe is overwogen dat het bestemmingsplan het bedrijfsmatig gebruik van het atelier, voor zover dat de aan de woonfunctie ondergeschikte werkzaamheden van een beeldhouwer te buiten gaat, niet toelaat.

De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 18 november 2004 slaagt evenmin. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat het bedrijfsmatig gebruikte atelier niet als onderdeel van het woonhuis diende te worden beschouwd omdat iedere functionele verbondenheid tussen het woonhuis en het atelier ontbrak en dat daarom het atelier als bijgebouw diende te worden beschouwd. In die zaak was bij de rechtbank een besluit op bezwaar aan de orde, dat dateerde van vóór 1 juli 2004, zijnde het tijdstip waarop het perceel door [belanghebbende A] is verkocht en de bedrijfsmatige activiteiten in het atelier zijn beëindigd. In de thans aangevallen uitspraak lag een besluit op bezwaar voor van na deze datum, dat door het college is genomen met inachtneming van de feiten en omstandigheden, zoals die zich voordeden op het tijdstip van de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar. Niet in geschil is dat op dat tijdstip de nieuwe eigenaren een directe verbinding hadden aangebracht tussen het woonhuis en de voormalige atelierruimte en deze ruimte als woonkamer bij het woonhuis hadden getrokken. Gelet voorts op de uiterlijke verschijningsvorm van de ruimte in relatie tot het woonhuis heeft de rechtbank in haar uitspraak van 14 juli 2008 terecht overwogen dat het college op goede gronden heeft gesteld dat de voormalige atelierruimte zowel in functioneel opzicht als qua afmeting als uitbreiding van het hoofdgebouw moet worden beschouwd. Dit is ook in overeenstemming met het bestemmingsplan, nu de uitbreiding ligt in het voor hoofdgebouwen op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak.

2.7. [appellanten] hebben in hoger beroep voorts betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen op hun verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe voeren zij aan dat zij vergoeding van schade wensen ten gevolge van de overlast van de bedrijfsmatige activiteiten door [belanghebbende A] in de periode van 2001 tot 1 juli 2004 en dat de omvang van die schade is vast te stellen, ongeacht de omstandigheid dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. De schade bestaat uit gederfd woongenot, proceskosten en de kosten voor hun huis in Groningen, dat zij hebben aangehouden in verband met de overlast.

2.8. Dit betoog slaagt niet.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit moet nemen over de legalisatie van de bijgebouwen. Niet zeker is hoe dit besluit zal luiden. Het was derhalve voor de rechtbank niet mogelijk vast te stellen of en, zo ja in welke omvang schade is geleden ten gevolge van het besluit van 19 januari 2006. Eerst aan de hand van het nieuwe besluit zou hierover uitsluitsel kunnen worden verkregen. Het verzoek om schadevergoeding is in zoverre derhalve terecht afgewezen.

Voor zover [appellanten] stellen schade te hebben geleden als gevolg van de bedrijfsmatige activiteiten op het perceel, dient dit verzoek afgewezen te worden, omdat de gestelde schade niet het gevolg is van het besluit van 19 januari 2006 of van het besluit van 5 januari 2004.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

299.