Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200805851/1/H1 en 200805867/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek (hierna: het college) aan appellante (hierna: Préferent) onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het oprichten van 26 woningen en 6 appartementen aan de Schoollaan/Emmaplantsoen te Bennebroek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805851/1/H1 en 200805867/1/H1.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Préferent Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Haarlem,

appellante,

tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 20 juni 2008 in zaken nrs. 08/4305 en 08/4306 en nrs. 08/4084 en 08/4085 in het geding tussen:

1. [wederpartijen sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek (thans Bloemendaal)

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek (hierna: het college) aan appellante (hierna: Préferent) onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het oprichten van 26 woningen en 6 appartementen aan de Schoollaan/Emmaplantsoen te Bennebroek.

Bij afzonderlijke besluiten, verzonden op 8 mei 2008, heeft het college de door onderscheidenlijk [wederpartijen sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke uitspraken van 20 juni 2008, verzonden op 23 juni 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) de door [wederpartijen sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Op dezelfde dag heeft de voorzieningenrechter deze uitspraken gerectificeerd. De uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft Préferent bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op onderscheidenlijk 29 en 30 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen sub 1] en [wederpartij sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij afzonderlijke besluiten, verzonden op 4 september 2008, heeft het college de gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 6 november 2007 in zoverre herroepen en voor het overige ongegrond.

Préferent, [wederpartijen sub 1] en [wederpartij sub 2] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn naar de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar Préferent, bijgestaan door mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Haarlem, en

[wederpartijen sub 1], bijgestaan door drs. E. Kronemeijer, en [wederpartij sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.P. van den Berg, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is daar het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Préferent betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de grondslag om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling voor het bouwplan te verlenen is vervallen, doordat in het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" dat ten tijde van het besluit van 6 november 2007 reeds in werking was getreden met het oog op het onderhavige bouwplan een wijzigingsbevoegdheid voor de gemeenteraad is opgenomen als bedoeld in artikel 11 van de WRO. De voorzieningenrechter heeft daarbij niet onderkend dat het bestaan van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan niet afdoet aan de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19 van de WRO, aldus Préferent.

2.1.1. Dit betoog slaagt. De bevoegdheid om krachtens artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen staat los van die geregeld in artikel 11 van die wet. Artikel 19 van de WRO, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, biedt aanknopingspunten voor het oordeel dat van de daarin geregelde bevoegdheden geen gebruik mag worden gemaakt indien voor de gronden waarop een project is voorzien, een wijzigingsbevoegdheid, geldt als bedoeld in artikel 11 van die wet. Dat het gaat om een recent in werking getreden bestemmingsplan, waarin aan de gemeenteraad specifiek voor dit perceel een wijzigingsbevoegdheid is toegekend, brengt niet mee dat het college geen gebruik mag maken van de door de WRO verleende bevoegdheid om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. De voorzieningenrechter is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.

2.2. Préferent betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, omdat daarin geen relatie is gelegd met het bestemmingsplan "Bennebroek 2006", maar slechts met het ten tijde van de aanvraag geldende bestemmingsplan "Bennebroek 1976".

2.2.1. Aan de in bezwaar gehandhaafde vrijstelling is de ruimtelijke onderbouwing van 28 maart 2007 ten grondslag gelegd. Hoewel daarin met name is ingegaan op de relatie van het project met het bestemmingsplan "Bennebroek 1976", leidt dit niet tot het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ook is ingegaan op de relatie met het bestemmingsplan "Bennebroek 2006" en dat uiteengezet wordt dat het bouwplan daarin past, zij het via de in

artikel 25 voor de gemeenteraad opgenomen wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de WRO. De voorzieningenrechter is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen.

Het betoog slaagt.

2.3. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de bij de voorzieningenrechter aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de voorzieningenrechter daaraan niet is toegekomen.

2.4. [wederpartijen sub 1] hebben aangevoerd dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Hiertoe voeren zij aan dat het college ten onrechte geen onderzoek verricht heeft naar de gevolgen van het bouwplan voor de zonlichttoetreding in hun woning.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan ten noordwesten van de woning van [wederpartijen sub 1] is gesitueerd, zodat de zonlichttoetreding aan de achterzijde van hun woning niet of nauwelijks wordt beïnvloed door het bouwplan. In dat licht bezien kon het college het verrichten van een bezonningsonderzoek achterwege laten en aan het belang bij realisering van het bouwplan in redelijkheid meer gewicht hechten dan aan het belang van [wederpartijen sub 1].

2.5. [wederpartij sub 2] heeft aangevoerd dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Zij stelt dat de auto's die zullen parkeren op het achter het bouwplan te realiseren parkeerterrein licht- en geluidoverlast zullen veroorzaken. Daarnaast stelt zij dat een hangplek voor jongeren op het parkeerterrein zal kunnen ontstaan.

2.5.1. Hetgeen [wederpartij sub 2] heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat realisering van het bouwplan zodanige aantasting van haar belangen meebrengt dat het college in verband hiermee in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Hierbij is van belang dat uit het besluit op bezwaar valt af te leiden dat tussen de aan te leggen parkeerplaatsen en de tuinen van de aangrenzende woningen aan de Bennebroekerdreef, waaronder begrepen de woning van [wederpartij sub 2], een erfafscheiding zal worden aangebracht. Deze erfafscheiding krijgt een zodanige hoogte dat, mede gelet op het hoogteverschil tussen de percelen aan de Schoollaan en de Bennebroekerdreef, niet valt aan te nemen dat betekenende lichtinval vanwege auto's zal optreden in de woningen gelegen aan de Bennebroekerdreef. Hoewel mogelijk enig geluid van parkerende auto's zal optreden, is niet aannemelijk gemaakt dat de overlast daarvan zo groot is dat het college aan het belang bij realisering van het bouwplan in redelijkheid niet meer gewicht heeft kunnen hechten dan aan de belangen van [wederpartij sub 2]. Wat de aantrekkingskracht van het parkeerterrein op jongeren betreft heeft het college terecht gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat dat zal gebeuren.

Dit betoog faalt.

2.6. De bij de voorzieningenrechter ingestelde beroepen zijn ongegrond.

2.7. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd.

2.8. Bij afzonderlijke besluiten, verzonden op 4 september 2008, heeft het college naar aanleiding van de aangevallen uitspraken opnieuw beslist op de door [wederpartijen sub 1] en [wederpartij sub 2] gemaakte bezwaren. Deze besluiten worden geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

Uit het voorgaande volgt echter dat aan die besluiten de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling deze besluiten vernietigen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 20 juni 2008 in zaken nrs. 08/4305 en 08/4306 en nrs. 08/4084 en 08/4085;

III. verklaart de door [wederpartijen sub 1] en [wederpartij sub 2] bij de rechtbank Haarlem ingestelde beroepen ongegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek, verzonden op 4 september 2008, kenmerk GW/DvH;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bennebroek (thans Bloemendaal) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Préferent Projectontwikkeling B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 866,00 (zegge: achthonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. W. Konijnenbelt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Van Driel

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

 

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

414-552.