Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200805844/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2008:BD5587
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2007 heeft appellant sub 4 (hierna: het college) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het oprichten van twee woningen op het perceel Voortstreven (ongenummerd) te Renkum, kadastraal bekend gemeente Renkum, sectie C, nummer 6307 (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2009/13 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805844/1/H1.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], wonend te [woonplaats],

3. de stichting "Gelderse Milieufederatie", gevestigd te Arnhem, en de vereniging "Vijf Dorpen in 't Groen", gevestigd te Renkum,

4. het college van burgemeester en wethouders van Renkum, appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juni 2008 in zaken nrs. 07/5566 en 08/543 in het geding tussen:

appellante sub 1,

appellanten sub 3

en

appellant sub 4.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007 heeft appellant sub 4 (hierna: het college) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het oprichten van twee woningen op het perceel Voortstreven (ongenummerd) te Renkum, kadastraal bekend gemeente Renkum, sectie C, nummer 6307 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft het college aan [appellant sub 2A] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie].

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college de door [appellante sub 1] en appellanten sub 3 (hierna: GMF e.a.) tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) de door [appellante sub 1] en GMF e.a. daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2008, [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna: [appellanten sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2008, GMF e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2008, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 27 augustus 2008. Het college heeft dat gedaan bij brief van 29 augustus 2008. GMF e.a. hebben dat gedaan bij brief van 1 september 2008.

GMF e.a. hebben nog een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2009, waar [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Blankert, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante sub 1] en GMF e.a. hebben geen belang bij een beoordeling van hun klacht, dat de rechtbank ten onrechte door hen nader ingediende stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten, aangezien deze stukken in hoger beroep opnieuw zijn ingediend en alsnog in de beoordeling van het geschil kunnen worden betrokken.

Gelet hierop behoeft de klacht geen bespreking.

2.2. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vrijstelling ten onrechte in bezwaar heeft gehandhaafd, nu de gemeenteraad onjuist over de waarde van het perceel is geïnformeerd voordat hij besloot dat met de vrijstellingsprocedure kon worden begonnen.

2.2.1. De rechtbank heeft in het door [appellante sub 1] in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het vrijstellingsbesluit geen stand kan houden. Daarbij is van belang dat onderzoeken of vrijstelling kan en behoort te worden verleend, niet betekent dat vrijstelling zal worden verleend. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in de vrijstellingsprocedure de kennis omtrent de feiten en af te wegen belangen verworven kon worden op basis waarvan kon worden besloten de gevraagde vrijstelling al dan niet te verlenen.

Het betoog faalt.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Lindelaan en omgeving" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de onderscheiden bestemmingen "Voorerf", "Achtererf" en "Groene ruimte". Het bouwplan is voorzien op de gedeelten van het perceel waarop de bestemmingen "Voorerf" en "Achtererf" rusten. Het bouwen van een woning is daarmee in strijd. Teneinde toch medewerking aan realisering van het bouwplan te kunnen verlenen, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend. Ten behoeve daarvan hebben gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: gedeputeerde staten) een verklaring van geen bezwaar verleend.

2.4. Volgens de aanduiding op de plankaart geldt voor het perceel een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de WRO.

Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders het plan met toepassing van artikel 11 van de WRO met betrekking tot de op de kaart aangegeven deelgebieden wijzigen ten behoeve van het toestaan van een extra woning binnen een deelgebied, mits:

a. de structurele hoofdopzet van het plan niet wezenlijk wordt aangetast;

b. uit een ingesteld bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem voldoet aan de eisen van de Wet bodembescherming;

c. de in het plan op te nemen geluidgevoelige bebouwing voldoet aan de voorkeursgrenswaarde zoals aangegeven in de Wet geluidhinder.

2.5. [appellante sub 1] en GMF e.a. betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan, alleen en in samenhang bezien met eerder verleende vrijstellingen in de directe omgeving, een ingrijpende inbreuk op het geldende planologische regime vormt en dat in de ruimtelijke onderbouwing daar onvoldoende aandacht aan is besteed. Voorts heeft de rechtbank volgens hen miskend dat het bouwplan een inbreuk vormt op het landelijke karakter van het perceel.

2.5.1. Het in het geding zijnde bouwplan voorziet in de oprichting van één woning. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan een geringe inbreuk vormt op het geldende planologische regime en heeft daarbij terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het bestemmingsplan door middel van de wijzigingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 15 van de planvoorschriften, het bouwen van één woning op het perceel reeds mogelijk maakt. Voorts mogen op de gronden waarop het bouwplan is voorzien bij recht aan- en bijgebouwen worden opgericht en is het bouwplan voorzien in een omgeving waar woningen aanwezig zijn. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank aan het gestelde landelijke karakter van het perceel niet de betekenis hoeven toekennen die [appellante sub 1] en GMF e.a. daaraan gehecht willen zien. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat het bouwplan, bezien in samenhang met eerder in de directe omgeving verleende vrijstellingen, leidt tot zodanige cumulatieve effecten dat daaraan in de ruimtelijke onderbouwing aandacht had moeten worden besteed.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante sub 1] en GMF e.a. betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat bij de afweging van de betrokken belangen onvoldoende rekening is gehouden met de situering van het perceel in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS), waarbinnen een zogenoemde "nee, tenzij"-benadering geldt. Volgens hen leidt het bouwplan tot significante aantasting van kernkwaliteiten van de EHS, terwijl geen mitigerende of compenserende maatregelen zijn getroffen.

2.6.1. Het college heeft bij zijn besluitvorming de voor de EHS in het Streekplan Gelderland 2005 vervatte "nee, tenzij"-benadering als uitgangspunt genomen. Niet in geschil is dat het perceel deel uitmaakt van de EHS, categorie verweving. Volgens deze benadering zijn bestemmingswijzigingen niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn en sprake is van redenen van groot openbaar belang. Gedeputeerde staten hebben voormelde wezenlijke kenmerken en waarden gespecificeerd in de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur" en daarin tevens bepaald wanneer sprake is van een significante aantasting. Daarbij wordt het schaalniveau waarop de beoogde ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt afgewogen tegen de gevolgen voor de toepasselijke kernkwaliteiten.

In de "quick scan flora en fauna" (hierna: de quick scan), die deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan, is uitvoerig ingegaan op de ter plaatse toepasselijke kernkwaliteiten en op de invloed van het bouwplan daarop, en is geconcludeerd dat het bouwplan niet leidt tot een significante aantasting van die kernkwaliteiten. Daarbij is van belang geacht dat het bouwplan is voorzien op een deel van een kleine weide in de directe omgeving van woningen en tuinen, die eveneens onderdeel uitmaken van de EHS. Voorts is betekenis toegekend aan de omstandigheden dat het bouwplan de aan de achterzijde van het perceel aanwezige houtwal intact laat en dat geen oude bomen worden gekapt. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de quick scan zodanige tekortkomingen vertoont dat het college zich er bij zijn besluitvorming niet op mocht baseren. Het door [appellante sub 1] en GMF e.a. overgelegde rapport van Faunaconsult biedt geen grond voor een ander oordeel. Gelet op het schaalniveau van het bouwplan heeft de rechtbank de geringe vermindering van het areaal van de EHS, categorie verweving, terecht niet aangemerkt als een significante aantasting, nu geen specifieke kernkwaliteiten worden aangetast. Nu geen sprake is van een significante aantasting is de rechtbank terecht niet toegekomen aan de vraag of er reële alternatieven voor het bouwplan zijn. Evenmin bestaat onder die omstandigheid aanleiding voor het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

Het betoog faalt.

2.7. [appellante sub 1] en GMF e.a. betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat, nu het perceel deel uitmaakt van de speciale beschermingszone Veluwe. Voorts heeft de rechtbank volgens hen miskend dat de Flora- en faunawet aan uitvoering van het bouwplan in de weg staat. [appellante sub 1] voert in dit verband tevens aan dat het college de verklaring van geen bezwaar van 6 februari 2007 niet aan zijn besluit tot vrijstelling ten grondslag had mogen leggen, nu gedeputeerde staten dit eveneens hebben miskend.

2.7.1. De vragen of voor de uitvoering van het bouwplan vergunning krachtens de Nbw 1998 vereist is en, zo ja, of deze vergunning kan worden verleend, zijn thans niet aan de orde. Evenmin zijn aan de orde de vragen of voor uitvoering van het bouwplan ontheffing krachtens de Flora- en faunawet vereist is en, zo dit het geval is, of deze kan worden verleend. Het college had echter geen vrijstelling ten behoeve van het bouwplan mogen verlenen voor zover op voorhand duidelijk was dat de Nbw 1998, zoals die luidde ten tijde van het besluit op bezwaar, of de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg stonden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat die situatie zich hier niet voordoet.

Het perceel ligt in het krachtens de Vogelrichtlijn als speciale beschermingszone aangewezen gebied Veluwe. Het rapport van Faunaconsult biedt geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op de conclusie van de quick scan heeft mogen baseren dat het relatief kleinschalige bouwplan, gezien de situering en het huidige gebruik van de directe omgeving als woongebied en de nabijheid van een drukke provinciale weg, naar verwachting geen schadelijke gevolgen zal hebben voor de speciale beschermingszone Veluwe. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de conclusie van het rapport van Faunaconsult niet luidt dat de Nbw 1998 aan de uitvoerbaarheid van het onderhavige bouwplan in de weg staat. Ten aanzien van de vraag of het perceelsgedeelte waarop het bouwplan is voorzien al dan niet onderdeel uitmaakt van de speciale beschermingszone Veluwe of daarvan is uitgezonderd, heeft rechtbank terecht overwogen dat, ook indien moet worden geoordeeld dat het in het geding zijnde perceelsgedeelte niet is uitgezonderd, dit niet betekent dat op voorhand vaststaat dat geen vergunning op grond van de Nbw 1998 zal kunnen worden verleend.

Voorts heeft de rechtbank terecht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig geacht voor het oordeel dat het college moest aannemen dat ten behoeve van het bouwplan geen ontheffing krachtens de Flora- en Faunawet zal kunnen worden verleend. Het rapport van Faunaconsult leidt ook in zoverre niet tot een ander oordeel, aangezien daaruit de conclusie volgt dat zonder nader onderzoek niet met zekerheid is te zeggen dat het bouwplan tot overtreding van de bepalingen van de Flora- en faunawet zal leiden.

Uit het vorenstaande volgt voorts dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het college de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten niet aan zijn besluit tot verlening van de vrijstelling ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

2.8. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat ten onrechte is nagelaten vooraf ter plaatse archeologisch bodemonderzoek te doen.

2.8.1. Volgens de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling heeft het college na overleg met gedeputeerde staten en een archeologisch adviesbureau besloten dat de graafwerkzaamheden voor de fundering en de kelder onder begeleiding van een archeoloog dienen plaats te vinden, in aanmerking genomen dat een traditioneel onderzoek door middel van boringen weinig zinvol is gezien de geringe omvang van het terrein en gezien het gegeven dat er in de nabijheid van het perceel geen archeologische vindplaats is gelegen. Daartoe is in het besluit op bezwaar aan de bouwvergunning een voorschrift verbonden. Het door [appellante sub 1] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat met dit voorschrift niet voldoende in de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is voorzien. De enkele stelling dat een bodemonderzoek vooraf onontkoombaar is, is daartoe onvoldoende. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.9. De GMF e.a. betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke gevolgen van het toestaan van hogere geluidsnormen onvoldoende zijn meegewogen in de besluitvorming.

2.9.1. Bij besluit van 12 juni 2006 hebben gedeputeerde staten op grond van de Wet geluidhinder een hogere grenswaarde vastgesteld voor het in geding zijnde bouwplan. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college bij zijn besluitvorming terecht van de vastgestelde hogere grenswaarde is uitgegaan.

Het betoog faalt.

2.10. Het college en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het vrijstellingsbesluit bij afronding van het berekende geluidsniveau voldoet aan de door gedeputeerde staten vastgestelde hogere grenswaarde, zodat het besluit op bezwaar ten onrechte is vernietigd.

2.10.1. Ingevolge artikel 5 van het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 wordt de waarde van het door berekening of door meting verkregen equivalente geluidsniveau afgerond naar het dichtstbijzijnde hele getal, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar een heel getal.

2.10.2. Vooropgesteld wordt dat, anders dan GMF e.a. hebben betoogd, de hoger beroepen van het college en [appellanten sub 2] ontvankelijk zijn, nu deze gericht zijn tegen de aangevallen uitspraak.

Bij het besluit van 12 juni 2006 hebben gedeputeerde staten ten behoeve van het bouwplan een hogere grenswaarde van 56 dB(A) vastgesteld. Het berekende equivalente geluidsniveau bedraagt 58,482 dB(A). Gelet op artikel 5 van het Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002 bedraagt het berekende geluidsniveau na afronding 58 dB(A). Na de op grond van artikel 103 van de Wet geluidhinder, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, voorgeschreven aftrek van 2 dB(A) voldoet het berekende geluidsniveau aan de vastgestelde hogere grenswaarde.

De betogen slagen.

2.11. De hoger beroepen van [appellante sub 1] en GMF e.a. zijn ongegrond. De hoger beroepen van het college en [appellanten sub 2] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de bij de rechtbank ingestelde beroepen tegen het besluit van 18 december 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellanten sub 2] betaalde griffierecht door de secretaris aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van [appellante sub 1] en de stichting "Gelderse Milieufederatie" en de vereniging "Vijf Dorpen in 't Groen" ongegrond;

II. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] en het college van burgemeester en wethouders van Renkum gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juni 2008 in zaken nrs. 07/5566 en 08/543;

IV. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

V. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

De voorzitter w.g. Van Roessel

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

392.