Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200809106/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel (hierna: het college) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met kantoor, stalling/buitenberging en poortgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809106/2/H1.

Datum uitspraak: 23 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 november 2008 in zaken nrs. 08/231 en 08/267 in het geding tussen:

[verzoekers]

en

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel (hierna: het college) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met kantoor, stalling/buitenberging en poortgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de strijdigheid van het bouwplan met artikel 7, lid B, onder 1, sub c, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied-oost, partiƫle herziening state Hoxwier", ongegrond wat betreft het overige, en vrijstelling verleend voor het oprichten van een woning met kantoor, stalling/buitenberging en poortgebouw op het perceel.

Bij uitspraak van 11 november 2008, verzonden op 12 november 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 april 2009, waar [verzoekers], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J. de Vries, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouders], vertegenwoordigd door mr. R.C.M. Kamsma en [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een woning met kantoor, stalling/buitenberging en poortgebouw op het perceel. Het college heeft bij het besluit op bezwaar met toepassing van artikel 24, aanhef en tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied-Oost" vrijstelling verleend van artikel 7, lid B, onder 1, sub c, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied-Oost", gelezen in samenhang met artikel 2 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied-Oost, partiƫle herziening state Hoxwier", omdat de inhoud volgens het college meer bedroeg dan dit artikel toestaat.

2.3. In hetgeen [verzoekers] naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend.

[vergunninghouders] zijn na het verlenen van de bouwvergunning in augustus 2007 aangevangen met het verwezenlijken van het bouwplan, dat inmiddels voor een belangrijk deel is verwezenlijkt.

Onder deze omstandigheden en in aanmerking nemend dat [verzoekers] eerst op een laat moment hebben verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening, moet voorts worden geoordeeld dat met het verzoek geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening als is verzocht, rechtvaardigt.

2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2009

499.