Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200902403/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009/265
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2509
JOM 2010/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902403/1/M2.

Datum uitspraak: 23 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leudal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekster] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 april 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door J.M. Nouwen, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en P.S.J. van Lier, en het college, vertegenwoordigd door C. Dehing, Th. Alofs en H. Cremers, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder een daartoe ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning huisvesten van 120.960 leghennen in een als opslagruimte vergund gebouw aan de [locatie] te [plaats]. Genoemde last onder dwangsom strekt tot het ongedaan maken van deze overtreding.

2.2. Vast staat dat ten tijde van het nemen van het besluit van 24 maart 2009 leghennen werden gehuisvest in een stal aan de [locatie] die blijkens een voor deze inrichting krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning was vergund als opslagruimte. Gelet hierop werd gehandeld in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zodat het college ter zake bevoegd was tot handhavend optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Volgens [verzoekster] had het college vanwege bijzondere omstandigheden moeten afzien om met een last onder dwangsom op te treden. Zij voert daartoe onder meer aan dat wegens de verkoop van een andere - aan haar aandeelhouders toebehorende - productielocatie in Boekel nakoming van contractuele verplichtingen jegens derden niet mogelijk was indien zij niet tot huisvesting van de leghennen in voornoemde opslagruimte was overgegaan. Voorts voert [verzoekster] in dat kader aan dat er concreet uitzicht op legalisatie bestaat, zodat het college van het treffen van handhavingsmaatregelen had moeten afzien. Ten slotte voert [verzoekster] aan dat de feitelijke milieubelasting thans lager is dan de milieubelasting die de inrichting zou veroorzaken ware deze in werking conform de daarvoor krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning, dit omdat zij ervoor heeft gekozen geen kalkoenen en 1.000 zeugen minder in deze inrichting te huisvesten dan thans is vergund.

2.3.1. De voorzitter acht een overmachtsituatie niet aannemelijk gemaakt. Het enkele feit dat de aandeelhouders van [verzoekster] de productielocatie in Boekel hebben verkocht, overigens zonder daarbij als voorwaarde te bedingen dat de leghennen - die thans in de als opslagruimte vergunde stal van de inrichting worden gehuisvest - de legronde konden voltooien in Boekel, is geen omstandigheid die buiten de macht van [verzoekster] ligt en ertoe zou kunnen leiden dat zonder een daartoe krachtens de Wet milieubeheer vereiste vergunning leghennen kunnen worden gehouden in een als opslagruimte vergund gebouw, één en ander overigens met slechts het enkele oogmerk om de nakoming van contractuele verplichtingen jegens derden veilig te stellen.

2.3.2. De voorzitter stelt voorts vast dat ten tijde van het nemen van het besluit van 24 maart 2009 geen ontvankelijke aanvraag ter verandering van de inrichting voorlag. Ook anderszins is niet gebleken dat er op dat moment concreet zicht op legalisatie was. Dat in december 2008 door [verzoekster] een conceptstartnotitie inzake het opstellen van een milieu-effectrapport ten behoeve van een voorgenomen verandering van de inrichting is ingediend, maakt dit niet anders.

2.3.3. De voorzitter overweegt ten slotte dat het college terecht een groot belang heeft gehecht aan de handhaving van de voor de inrichting krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning. Het feit dat [verzoekster] ervoor heeft gekozen om niet geheel van die vergunning gebruik te maken, door minder zeugen en kalkoenen te houden dan zijn vergund, brengt niet mee dat handhavend optreden vanwege het zonder vergunning houden van de ongeveer 120.000 leghennen zodanig onevenredig moet worden geacht in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien.

2.3.4. Tevens is de voorzitter niet gebleken van overige bijzondere omstandigheden die het college nopen tot het afzien van handhavend optreden. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht met een last onder dwangsom opgetreden.

2.4. [verzoekster] voert aan dat de hoogte van de dwangsom disproportioneel is. Zij stelt dat de nettowinst die volgens het college met een legkip per jaar zou kunnen worden behaald, niet door haar kan worden behaald.

2.4.1. De dwangsom is vastgesteld op € 1.000,00 per dag dat de inrichting in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer in werking is. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd bedraagt € 90.000,00.

2.4.2. Het college heeft bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom gebruik gemaakt van de zogenaamde Agri-Monitor 2008 van het Landbouw Economisch Instituut. Hierin wordt onder andere informatie over de rentabiliteit van pluimveehouderijen verstrekt. Op basis van deze gegevens heeft het college de gemiddelde nettowinst die [verzoekster] kan behalen met de in de als opslagruimte vergunde stal gehuisveste leghennen berekend en op grond van die berekening een dwangsom vastgesteld die volgens het college een voldoende prikkel vormt om de overtreding ongedaan te maken.

2.4.3. De voorzitter ziet in hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college voornoemde Agri-Monitor niet als uitgangspunt kon nemen voor het bepalen van de hoogte van de dwangsom, noch voor het oordeel dat het college voornoemde Agri-Monitor niet juist zou hebben toegepast. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.

2.5. [verzoekster] stelt dat de termijn waarbinnen de overtreding moet worden beëindigd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd (hierna: de begunstigingstermijn) te kort is. Zij stelt dat de desbetreffende leghennen thans niet door reguliere slachterijen kunnen worden ontvangen omdat vanwege pokkendifterie en toediening van antibiotica deze leghennen thans niet geschikt zijn voor consumptie. Volgens haar duurt het ten minste vier maanden voor de situatie is gestabiliseerd en de desbetreffende leghennen kunnen worden ontvangen door slachterijen.

2.5.1. De begunstigingstermijn is op 6 april 2009 afgelopen. Ter zitting is gebleken dat het college deze termijn heeft gebaseerd op de veronderstelling dat de binnen de inrichting aanwezige leghennen feitelijk binnen twee weken getransporteerd kunnen worden naar een slachterij of, indien de leghennen niet kunnen worden ontvangen door een slachterij, een destructiebedrijf.

2.5.2. De voorzitter acht aannemelijk dat, gezien het grote aantal leghennen dat in dit geval moet worden afgevoerd, de begunstigingstermijn te kort is voor transport naar een slachterij of voor het verwijderen van de hennen met behulp van een destructiebedrijf. Hij ziet hierin aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat bij het niet voldoen aan de bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leudal van 24 maart 2009 aan [verzoekster] opgelegde last, dwangsommen worden verbeurd met ingang van vier weken na dagtekening van deze uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leudal tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Leudal aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Leudal aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2009

262-570.