Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200808404/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) op de aanvraag van [appellante] om een subsidie van € 2.500,00 voor een ongebruikte vrachtwagen met een Euro 5 dieselmotor met een vermogen van 375 kW van het merk DAF, type FAN XF 105 met kenteken […] de subsidie vastgesteld op € 500,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808404/1/M1.

Datum uitspraak: 29 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) op de aanvraag van [appellante] om een subsidie van € 2.500,00 voor een ongebruikte vrachtwagen met een Euro 5 dieselmotor met een vermogen van 375 kW van het merk DAF, type FAN XF 105 met kenteken […] de subsidie vastgesteld op € 500,00.

Bij besluit van 10 oktober 2008 heeft de minister het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2008, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Weda en mr. H. Vissinga, beiden werkzaam bij SenterNovem, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder g, van de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor (hierna: de Subsidieregeling) wordt onder eerste kentekenhouder verstaan de kentekenhouder van een motorrijtuig aan wie de eerste afgifte van een kentekenbewijs of een deel I B heeft plaatsgevonden, als bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Kentekenreglement.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling kan, voor zover hier van belang, subsidie worden verstrekt aan de eerste kentekenhouder van een ongebruikte vrachtauto die beschikt over een Euro 5 dieselmotor.

Ingevolge artikel 2.13, derde lid, van de Subsidieregeling wordt een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen drie maanden na de afgifte van het definitieve kentekenbewijs aan de eerste kentekenhouder, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat de aanvraag vergezeld van een afschrift van:

a. een document waaruit blijkt op welke datum de investeringsverplichting voor het voertuig is aangegaan;

b. de aankoopfactuur van het voertuig;

c. het definitieve kentekenbewijs van het voertuig waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder b sub 1°, van de Subsidieregeling bedraagt het subsidiebedrag € 500,- per vrachtauto of bus die beschikt over een Euro 5 dieselmotor wanneer het voertuig een motorvermogen heeft van 225 kW of meer.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bedraagt, indien op het tijdstip van de afgifte van het kentekenbewijs, bedoeld in artikel 2.13, derde lid, een ander subsidiebedrag in het eerste lid was genoemd, het subsidiebedrag dat andere bedrag.

2.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van het Kentekenreglement bestaat een tweedelig kentekenbewijs uit een deel I A, een deel I B en een deel II.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel bestaat een kentekenbewijs dat wordt afgegeven indien met betrekking tot het voertuig bij een in artikel 22 of 26 van de wet bedoelde keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of dat voertuig al dan niet voldoet aan de voor toelating tot het verkeer op de weg vastgestelde eisen en afgifte naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer verantwoord is, uit een deel I A.

Ingevolge het zevende lid van dit artikel kan aan deel I A van een kentekenbewijs bij de afgifte daarvan een bijlage worden toegevoegd, bevattende gegevens met betrekking tot het voertuig; deze bijlage maakt deel uit van het deel I A.

Ingevolge artikel 20, vierde lid, van het Kentekenreglement heeft een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 17, zesde lid, een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het Kentekenreglement stelt de eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een tweedelig kentekenbewijs wordt gevraagd, het voertuig voor een onderzoek ter beschikking bij de Dienst Wegverkeer en vraagt bij deze dienst onder overlegging van een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs, een kentekenbewijs aan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel vraagt de eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een tweedelig kentekenbewijs wordt gevraagd en waarvoor reeds een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven krachtens artikel 46, tweede lid, onderdeel b, dit tweedelig kentekenbewijs aan bij de Dienst Wegverkeer onder overlegging van het deel I A, het deel II en het in het eerste lid bedoelde legitimatiebewijs.

Ingevolge het derde lid van dit artikel geeft de Dienst Wegverkeer aan degene die aan de verplichtingen in het eerste of tweede lid heeft voldaan, een kentekenbewijs, respectievelijk een deel I B af.

2.3. De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 500,00 omdat de vrachtwagen van [appellante] op 3 april 2008 te naam is gesteld, zodat er pas op die datum sprake was van een definitief kentekenbewijs. Op grond van artikel 2.14, tweede lid van de Subsidieregeling bedroeg de subsidie op dat moment € 500,00.

De hoogte van het subsidiebedrag wordt volgens de minister bepaald door het moment van afgifte van het definitieve kentekenbewijs aan de eerste kentekenhouder. Pas als alle delen van het kentekenbewijs, te weten deel I A, deel I B en deel II, zijn afgegeven, is het kentekenbewijs definitief, aldus de minister.

2.4. [appellante] stelt dat de vrachtwagen op 28 maart 2008 is geregistreerd en in gebruik genomen. Op diezelfde datum heeft [appellante] het voorlopig kentekenbewijs ontvangen. [appellante] betoogt dat het haar niet mag worden aangerekend dat de Dienst Wegverkeer de vrachtwagen pas op 3 april 2008 op haar naam heeft gesteld. Na daartoe contact te hebben opgenomen met de Dienst Wegverkeer heeft deze ervoor gezorgd dat [appellante] een verbeterd definitief kentekenbewijs met de juiste datum van tenaamstelling heeft ontvangen.

2.5. Niet in geschil is dat [appellante] de eerste kentekenhouder, in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder g, van de Subsidieregeling, is van de ongebruikte vrachtwagen met een Euro 5 dieselmotor met het kenteken […].

Uit artikel 17, eerste lid, in samenhang met artikel 25 van het Kentekenreglement volgt dat onder een definitief kentekenbewijs wordt verstaan een tweedelig kentekenbewijs, te weten deel I A, deel I B en deel II. Pas als alle delen van het kentekenbewijs zijn afgegeven, is het kentekenbewijs definitief. Uit artikel 20, vierde lid, in onderlinge samenhang bezien met artikel 17, zesde en zevende lid, van het Kentekenreglement kan worden afgeleid dat er pas sprake is van een definitief kentekenbewijs op het moment dat deel I B is afgegeven. Nu deel I B is gedateerd op 3 april 2008, is er pas op dat moment sprake van een definitief kentekenbewijs. Omdat het subsidiebedrag wordt bepaald door het moment van afgifte van het definitieve kentekenbewijs aan de eerste kentekenhouder, heeft de minister, daarbij uitgaande van 3 april 2008 als datum van de afgifte van het definitieve kentekenbewijs, de subsidie terecht vastgesteld op € 500,00. De omstandigheid dat de Dienst Wegverkeer op 12 november 2008 alsnog de datum tenaamstelling op het kentekenbewijs heeft gewijzigd, is een omstandigheid waarmee de minister bij zijn beslissing op bezwaar geen rekening kon houden, terwijl voor [appellante] er niets aan in de weg stond om tijdens of reeds voor de bezwaarprocedure zich te wenden tot de Dienst Wegverkeer met haar correctieverzoek en de minister van het resultaat van dat contact op de hoogte te stellen.

Het besluit van 11 juli 2008 is bij het bestreden besluit terecht gehandhaafd.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009

159-209.