Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200901626/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoekster] vanwege overtreding van voorschriften verbonden aan de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning van 13 juni 2000 voor een op- en overslagbedrijf aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901626/1/M2.

Datum uitspraak: 22 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoekster] vanwege overtreding van voorschriften verbonden aan de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning van 13 juni 2000 voor een op- en overslagbedrijf aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief van 4 maart 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 maart 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. K.A. Eshuis en P.J. Sinke, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [verzoekster] voert aan, zo begrijpt de voorzitter het verzoek, dat het college het bestreden besluit in strijd met artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet heeft genomen binnen de daarin gestelde termijn van acht weken na de bekendmaking van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen.

2.1.1. Artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht regelt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan een beschikking dient te geven na ontvangst van een aanvraag.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

2.1.2. Nu het bestreden besluit niet op verzoek van een belanghebbende is genomen, gaat het niet om een beschikking op een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is reeds daarom niet van toepassing.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college een last onder dwangsom opgelegd ter zake van de voorschriften 5.8 en 5.9 van de bij besluit van 13 juni 2000 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning.

In voorschrift 5.8 is bepaald, voor zover hier van belang, dat van de goedkeuring door een door het Nationaal centrum voor preventie erkende certificatie-instelling van alle in de inrichting aanwezige automatische brandmeld- en brandblusinstallaties (hierna: de installaties) een rapport moet worden opgesteld dat aan het bevoegd gezag moet worden overlegd.

Voorschrift 5.9 bepaalt, voor zover hier van belang, dat de installaties eenmaal per jaar moeten worden gecontroleerd en in orde moeten zijn bevonden door een door het Nationaal centrum voor preventie erkende inspectie-instelling. Hiervan moet een certificaat aan het bevoegd gezag worden gezonden.

De bij het bestreden besluit opgelegde last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding van de voorschriften 5.8 en 5.9 te beƫindigen. Bij de last is een termijn gesteld gedurende welke [verzoekster] de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd (hierna: de begunstigingstermijn). Ter zake van voorschrift 5.8 is een begunstigingstermijn tot 1 april 2009 gesteld om het keuringsrapport te overleggen en ter zake van voorschrift 5.9 een begunstigingstermijn tot 15 mei 2009 om het certificaat te overleggen.

2.2.1. Niet in geschil is dat [verzoekster] in strijd met de voorschriften 5.8 en 5.9 heeft gehandeld, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.2. [verzoekster] betoogt dat het college ten onrechte niet van handhavend optreden heeft afgezien. Zij stelt in de eerste plaats dat uit de door R2B opgestelde Verklaring van goede werking, die zij op 22 december 2008 aan het college heeft overgelegd, blijkt dat de installaties goed werken en dat hiermee aan het doel van de voorschriften 5.8 en 5.9. wordt voldaan.

2.2.3. De voorzitter overweegt dat [verzoekster] met het overleggen van die verklaring niet heeft voldaan aan de uit deze voorschriften voortvloeiende verplichtingen om een keuringsrapport en een certificaat aan het bevoegd gezag te zenden. Gelet hierop hoefde het college in de Verklaring van goede werking geen aanleiding te zien om ter zake van de overtreding van voorschriften 5.8 en 5.9 van handhavend optreden af te zien.

2.2.4. [verzoekster] voert vervolgens aan dat uit de omstandigheid dat P.J. Sinke, werkzaam bij de gemeentelijke brandweer, het door haar ingezonden Basisdocument Brandbeveiliging op 21 november 2008 heeft ondertekend, volgt dat het college ermee akkoord is gegaan dat het keuringsrapport en het certificaat eerst in de loop van 2009 aan het college worden gezonden, omdat in het Basisdocument een fasering is opgenomen volgens welk document het keuringsrapport en het certificaat in 2009 worden opgesteld.

2.2.5. De voorzitter overweegt dat uit de mede-ondertekening door P.J. Sinke van bedoeld Basisdocument slechts blijkt dat de gemeentelijke brandweer akkoord is gegaan met de methode van inspectie die in dat Basisdocument is neergelegd. Bedoelde ondertekening betekent niet dat het college ermee heeft ingestemd dat het keuringsrapport en het certificaat eerst in 2009 worden opgesteld. De mede-ondertekening door P.J. Sinke van het Basisdocument behoefde voor het college dan ook geen aanleiding te zijn om van handhavend optreden af te zien.

2.3. [verzoekster] voert verder aan dat de gestelde begunstigingstermijn ten aanzien van het ongedaan maken van de overtreding van voorschrift 5.8 te kort is om een keuringsrapport te overleggen na het uitvoeren van de hiervoor noodzakelijke life-test. Bovendien, zo stelt zij, is de begunstigingstermijn waarbinnen het certificaat als bedoeld in voorschrift 5.9 moet worden overgelegd, ook te kort, omdat die termijn niet haalbaar is als de nog uit te voeren life-test mislukt.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de gestelde begunstigingstermijnen voldoende zijn om aan de voorschriften te voldoen.

Voorts wijst het college erop dat de life-test op 11 maart 2009 heeft plaatsgevonden, dat geen nieuwe test noodzakelijk is en dat uit eerdere inspecties is gebleken dat de instelling die belast is met het opstellen van het keuringsrapport als bedoeld in voorschrift 5.8, hiervoor ongeveer twee weken nodig heeft. Bovendien heeft [verzoekster] gesteld dat slechts bij het opnieuw uitvoeren van de test de begunstigingstermijn om het certificaat als bedoeld in voorschrift 5.9 te overleggen te kort is.

2.3.2. [verzoekster] heeft het door het college gestelde niet toereikend weersproken en derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de begunstigingstermijnen te kort zijn.

2.4. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009

262-596.