Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
200805951/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-procedure / legesvereiste / Regeling op de consulaire tarieven / 8 EVRM / zorgvuldigheid / motivering

De vreemdelingen hebben voorts in beroep aangevoerd dat de minister in de besluiten van 27 februari 2008 niet adequaat heeft gereageerd op het beroep op artikel 8 van het EVRM. In bezwaar hebben de vreemdelingen in het kader van de tegenwerping van het legesvereiste een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Ingevolge artikel 3b, aanhef en onder a, van de Regeling is een, ter beoordeling van de staatssecretaris, gerechtvaardigd beroep op artikel 8 van het EVRM een grond voor vrijstelling van de verplichting tot betaling van leges. De minister heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM niet aan de orde is omdat de aanvragen terecht niet in behandeling zijn genomen. Ten onrechte heeft hij nagelaten het beroep van de vreemdelingen op deze bepaling ter beoordeling aan de staatssecretaris voor te leggen. De besluiten van 27 februari 2008 zijn derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Rijkswet op de consulaire tarieven
Rijkswet op de consulaire tarieven 2
Rijkswet op de consulaire tarieven 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805951/1.

Datum uitspraak: 17 april 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 juli 2008 in zaken nrs. 08/8664, 08/3621, 08/3619, 08/3615 en 08/2413 in de gedingen tussen:

[de vreemdelingen]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 16 oktober 2007 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) aanvragen van [de vreemdelingen] (hierna: de vreemdelingen) om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen buiten behandeling gesteld.

Bij onderscheiden besluiten van 27 februari 2008 heeft de minister het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 1 juli 2008, verzonden op 7 juli 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de datum van verzending van die uitspraak nieuwe besluiten op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt in de enige grief dat de voorzieningenrechter buiten de grenzen van het geschil is getreden door te overwegen dat de besluiten van 27 februari 2008 berusten op een onjuiste rechtsopvatting en niet deugdelijk zijn gemotiveerd, omdat het daarin weergegeven standpunt van de minister, dat hij gehouden is de aanvraag van de vreemdelingen buiten behandeling te stellen omdat de verschuldigde leges niet zijn voldaan, niet kan worden gevolgd. Daartoe betoogt de minister dat de vreemdelingen dit standpunt in beroep niet hebben bestreden.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel vult de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden aan.

2.1.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Rijkswet op de consulaire tarieven (hierna: de Rijkswet) is de belanghebbende aan de minister dan wel indien dat bij algemene maatregel van rijksbestuur is bepaald aan de gevolmachtigde minister een bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen vergoeding verschuldigd voor het verlenen van de bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur aangeduide diensten met betrekking tot de verlening van visa.

Ingevolge artikel 3a, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Regeling op de consulaire tarieven (hierna: de Regeling) is de vergoeding voor aanvragen tot het verlenen van een mvv niet verschuldigd indien de aanvraag betrekking heeft op een mvv met het oog op gezinshereniging ten behoeve van de belanghebbende die verblijf beoogt bij een vreemdeling aan wie een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is verleend, mits de belanghebbende binnen drie maanden na het verlenen van deze verblijfsvergunning de aanvraag tot het verlenen van een mvv heeft ingediend dan wel met het oog daarop een verzoek om advies is ingediend.

Ingevolge artikel 3b, aanhef en onder a, is de vergoeding voor aanvragen tot het verlenen van een mvv niet verschuldigd indien de aanvraag betrekking heeft op een mvv met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming indien de belanghebbende een, ter beoordeling van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (thans: de staatssecretaris van Justitie; hierna: de staatssecretaris), gerechtvaardigd beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) doet.

2.1.3. De minister heeft zich in de besluiten van 27 februari 2008 op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet in aanmerking komen voor vrijstelling van de verplichting tot betaling van leges, nu ten behoeve van hen geen mvv-aanvraag dan wel een verzoek om advies in het kader van de mvv-aanvraag binnen de termijn als bedoeld in artikel 3a, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Regeling is ingediend. In dit verband heeft de minister gesteld dat de vreemdelingen niet worden gevolgd in hun betoog dat het niet aan hen kan worden toegerekend dat hun wettelijke vertegenwoordiger hen ten onrechte niet heeft vermeld bij het binnen voormelde termijn ingediende verzoek om advies met het oog op de indiening van de aanvraag van hun moeder om verlening van een mvv. Nu de verschuldigde leges niet zijn ontvangen, is de minister ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, en artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet gehouden de aanvragen van de vreemdelingen buiten behandeling te stellen. Omdat de aanvragen terecht niet in behandeling zijn genomen, is de beoordeling van het bepaalde in de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn) en het bepaalde in artikel 8 van het EVRM hier niet aan de orde, aldus de minister.

2.1.4. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, hebben de vreemdelingen in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte leges heeft geheven met voorbijgaan aan de door hen ingebrachte bijzondere individuele omstandigheden. In het beroepschrift hebben de vreemdelingen echter geen grond voorgedragen om te betogen dat de minister niet is gehouden hun aanvragen buiten behandeling te stellen omdat de verschuldigde leges niet zijn voldaan. Door het standpunt van de minister met betrekking tot de gehoudenheid de aanvragen van de vreemdelingen buiten behandeling te stellen te beoordelen, is de voorzieningenrechter derhalve buiten de door artikel 8:69, eerste lid, van de Awb getrokken grenzen van het geschil getreden. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 27 februari 2008 beoordelen in het licht van de daartegen door de vreemdelingen in eerste aanleg aangedragen beroepsgronden.

2.3. De vreemdelingen hebben in beroep aangevoerd dat het heffen van leges van hen in strijd is met de richtlijn. Nu in de richtlijn geen bepaling is opgenomen over vergoedingen voor aanvragen tot het verlenen van een visum en eventuele vrijstellingen daarvan en de vreemdelingen dit betoog niet nader hebben gemotiveerd, wordt daaraan voorbijgegaan.

2.4. Vaststaat dat, omdat de aanvragen van de vreemdelingen niet zijn ingediend binnen de termijn als bedoeld in artikel 3a, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Regeling, zij ingevolge deze bepaling niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het legesvereiste. De omstandigheid dat de vreemdelingen door een fout van de wettelijke vertegenwoordiger niet zijn vermeld bij het verzoek om advies over de aanvraag tot het verlenen van een mvv van hun moeder van 14 februari 2007, die wel binnen voormelde termijn is ingediend, maakt dit niet anders. Deze omstandigheid brengt immers op zichzelf niet met zich dat de mvv-aanvragen van de vreemdelingen niet tijdig hadden kunnen worden ingediend. De gevolgen van eventuele door de wettelijke vertegenwoordiger van de vreemdelingen dan wel diens rechtshulpverlener gemaakte fouten dienen voor risico van de vreemdelingen te blijven. De vreemdelingen worden derhalve niet gevolgd in hun betoog dat de minister in deze omstandigheid ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om hen op grond van artikel 3a, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Regeling vrij te stellen van het legesvereiste.

2.5. De vreemdelingen hebben voorts in beroep aangevoerd dat de minister in de besluiten van 27 februari 2008 niet adequaat heeft gereageerd op het beroep op artikel 8 van het EVRM. In bezwaar hebben de vreemdelingen in het kader van de tegenwerping van het legesvereiste een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Ingevolge artikel 3b, aanhef en onder a, van de Regeling is een, ter beoordeling van de staatssecretaris, gerechtvaardigd beroep op artikel 8 van het EVRM een grond voor vrijstelling van de verplichting tot betaling van leges. De minister heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM niet aan de orde is omdat de aanvragen terecht niet in behandeling zijn genomen. Ten onrechte heeft hij nagelaten het beroep van de vreemdelingen op deze bepaling ter beoordeling aan de staatssecretaris voor te leggen. De besluiten van 27 februari 2008 zijn derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

2.6. Gelet op het hetgeen hiervoor onder 2.5. is overwogen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdelingen gegrond verklaren en de besluiten van 27 februari 2008 vernietigen wegens schending van artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 juli 2008 in zaak nr. 08/8664, voor zover daarbij het beroep van de vreemdelingen gegrond is verklaard;

III. verklaart het door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 februari 2008, kenmerken 271.701.8025, 271.701.8043 en 271.701.8070;

V. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 644,00 voor het beroep en € 322,00 voor het hoger beroep; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan de vreemdelingen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Buitenlandse Zaken) aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Wilbers-Taselaar

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009

71-555.

Verzonden: 17 april 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak