Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI2317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
200807304/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

El Salvador / 3 EVRM / door MS 13 bedreigde politieambtenaar / geen algemeen ambtsbericht / geen nader onderzoek / motiveringsgebrek

Niet in geschil is dat de vreemdeling bij de arrestatie van leden van MS 13 op 23 januari 2007 is herkend en dat hij en zijn familie daardoor in de negatieve belangstelling van deze organisatie staan. Evenmin is in geschil dat MS 13 een gewelddadige criminele organisatie is, die in geheel El Salvador – en daarbuiten – actief is. De stelling van de vreemdeling dat leden van MS 13 hem in het hele land kunnen vinden, is door de staatssecretaris niet betwist. Nu voorts is gebleken dat er geen algemeen ambtsbericht over de veiligheidssituatie in El Salvador is, de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling enkel algemene informatie over het bestaan van getuigenbeschermingsprogramma's in dit land naar voren heeft gebracht en heeft verklaard dat ter beantwoording van de vraag of de Salvadoraanse autoriteiten bescherming kunnen bieden aan door MS 13 bedreigde politieambtenaren geen nader onderzoek is gedaan, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd aan de vreemdeling tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen adequate bescherming kan krijgen van de autoriteiten van zijn land van herkomst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris niet op adequate wijze heeft vastgesteld of sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar El Salvador.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807304/1/V3.

Datum uitspraak: 17 april 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 3 september 2008 in zaken nrs. 07/41170 en 07/41172 in de gedingen tussen:

[de vreemdeling sub 1] en [de vreemdeling sub 2], mede voor hun minderjarige kinderen

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 2 oktober 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van [de vreemdeling sub 1] (hierna: de vreemdeling) en [de vreemdeling sub 2], mede voor hun minderjarige kinderen (hierna tezamen: de vreemdelingen), om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 3 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T. Hartsuiker, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, en de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S.D. Lugt, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en dat hij evenmin heeft getoetst of is voldaan aan de voorwaarden om aan de vreemdelingen te kunnen tegenwerpen dat sprake is van een binnenlands vestigingsalternatief.

Daartoe betoogt de staatssecretaris dat in het ten aanzien van de vreemdeling genomen besluit van 2 oktober 2007 kenbaar en draagkrachtig is gemotiveerd dat de vreemdeling onvoldoende heeft geconcretiseerd dat de autoriteiten van El Salvador hem geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de door hem gevreesde behandeling, zodat geen sprake is van een reëel en voorzienbaar risico dat hij bij terugkeer naar El Salvador zal worden onderworpen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De vreemdeling is tegengeworpen dat hij een door de autoriteiten van El Salvador gedaan aanbod tot overplaatsing heeft geweigerd en de daarvoor gegeven redenen van financiële aard onvoldoende zijn om te concluderen dat adequate beveiliging niet aanwezig is of bij voorbaat zinloos zou zijn, alsmede dat niet is gebleken dat de autoriteiten hem niet op andere wijze zouden kunnen beschermen, omdat hij hiernaar geen navraag heeft gedaan. Daarmee is de vreemdeling geen vestigingsalternatief tegengeworpen, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. De vreemdeling heeft volgens het rapport van nader gehoor van 7 maart 2007 verklaard dat, voor zover thans van belang, hij tijdens zijn werk als politieagent betrokken is geweest bij de arrestatie van leden van Mara Salvatrucha 13 (hierna: MS 13) op 23 januari 2007, waarbij hij door hen is herkend. Deze leden hebben naar aanleiding van hun arrestatie bedreigingen geuit jegens hem en zijn familie. De vreemdeling heeft verder verklaard dat hij zijn leidinggevende hiervan op de hoogte heeft gesteld, welke als enige oplossing een overplaatsing naar een ander gebied voorstelde. Ook heeft de vreemdeling naar voren gebracht dat de leden van MS 13 hem in heel El Salvador zullen kunnen vinden en hem zullen vermoorden.

2.1.2. In het ten aanzien van de vreemdeling genomen besluit van 2 oktober 2007 en in het voornemen van 15 augustus 2007 daartoe heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van de vreemdeling geloofwaardig wordt geacht en dat derhalve wordt uitgegaan van de feiten zoals die door hem zijn gesteld. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Daartoe is aan het besluit ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van de door de vreemdeling naar voren gebrachte problemen met MS 13 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van de vreemdeling over het aanbod tot overplaatsing is gebleken dat hij dit heeft geweigerd, omdat zijn gezin zou moeten achterblijven, overplaatsing van zijn familie niet zou worden betaald door de politie en hij geen geld heeft om elders een nieuw huis te kopen. Omdat hij dit niet daadwerkelijk heeft geprobeerd en ook niet heeft geconcretiseerd dat op voorhand aangenomen moet worden dat een dergelijke bescherming niet adequaat zou zijn, zijn de gestelde financiële problemen niet voldoende om te concluderen dat adequate beveiliging door de autoriteiten van El Salvador, naar de maatstaven van dit land, voor de vreemdeling niet aanwezig zou zijn, aldus de staatssecretaris. Verder kunnen volgens hem de door de vreemdeling overgelegde krantenartikelen niet leiden tot een andere conclusie, omdat deze artikelen niet specifiek zien op de persoon van de vreemdeling, daaruit is gebleken dat één politieagent het slachtoffer is geworden van willekeurig geweld en de andere in de artikelen genoemde incidenten, waarbij politieagenten zijn omgekomen, hebben plaatsgevonden in de uitoefening van hun functie, hetgeen inherent is aan het beroep van politieagent.

2.1.3. De staatssecretaris heeft ter zitting van de Afdeling verklaard dat wordt aangenomen dat de vreemdeling in de negatieve belangstelling van MS 13 staat. Aldaar heeft hij verder te kennen gegeven dat er geen algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de veiligheidssituatie in El Salvador is. Wel is uit verschillende rapporten van het US State Department bekend dat er in dit land op 22 augustus 2006 een wet ter bescherming van getuigen in werking is getreden en dat in deze rapporten nader genoemde aantallen van personen die vanaf dat moment onder enige vorm van getuigen- of slachtofferbescherming stonden, staan vermeld. De staatssecretaris heeft voorts naar voren gebracht dat hij niet over informatie beschikt die specifiek ziet op de beschermingsmogelijkheden voor bedreigde politieambtenaren in EL Salvador. Desgevraagd heeft hij ter zitting van de Afdeling verklaard dat het Bureau Land en Taal van zijn ministerie heeft aangegeven dat er, vanwege de geringe vraag naar informatie over El Salvador, geen onderzoeksmogelijkheden in dit land zijn. Aan de minister van Buitenlandse Zaken is niet de vraag voorgelegd hoe de huidige veiligheidssituatie in El Salvador is en in het bijzonder niet de vraag wat de mogelijkheden van de autoriteiten om bescherming te bieden aan door MS 13 bedreigde politieambtenaren zijn, aldus de staatssecretaris.

2.1.4. Uit het besluit van 2 oktober 2007 en het daaraan ten grondslag gelegde voornemen van 15 augustus 2007, zoals in 2.1.2. uiteengezet, volgt dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat voor zover de vreemdeling al aannemelijk heeft gemaakt dat hij redenen heeft om te vrezen dat hij bij uitzetting naar El Salvador zal worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een reëel risico daarop, omdat hij met hetgeen hij naar voren heeft gebracht over het aanbod tot overplaatsing, noch anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten van dit land hem geen adequate bescherming kunnen bieden. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, heeft hij de vreemdeling daarmee geen vestigingsalternatief tegengeworpen. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen, maar de grief kan niet leiden tot het ermee beoogde doel.

Niet in geschil is dat de vreemdeling bij de arrestatie van leden van MS 13 op 23 januari 2007 is herkend en dat hij en zijn familie daardoor in de negatieve belangstelling van deze organisatie staan. Evenmin is in geschil dat MS 13 een gewelddadige criminele organisatie is, die in geheel El Salvador – en daarbuiten – actief is. De stelling van de vreemdeling dat leden van MS 13 hem in het hele land kunnen vinden, is door de staatssecretaris niet betwist. Nu voorts is gebleken dat er geen algemeen ambtsbericht over de veiligheidssituatie in El Salvador is, de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling enkel algemene informatie over het bestaan van getuigenbeschermingsprogramma's in dit land naar voren heeft gebracht en heeft verklaard dat ter beantwoording van de vraag of de Salvadoraanse autoriteiten bescherming kunnen bieden aan door MS 13 bedreigde politieambtenaren geen nader onderzoek is gedaan, heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd aan de vreemdeling tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen adequate bescherming kan krijgen van de autoriteiten van zijn land van herkomst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris niet op adequate wijze heeft vastgesteld of sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar El Salvador. De grief faalt.

2.2. Grief 2 ontbeert zelfstandige betekenis.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdelingen te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Leening

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009

513.

Verzonden: 17 april 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak