Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1853

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
200803626/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van haar inrichting voor de aanleg en het onderhoud van groenprojecten op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 14 april 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/37 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803626/1/M1.

Datum uitspraak: 22 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van haar inrichting voor de aanleg en het onderhoud van groenprojecten op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 14 april 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2008, en [appellant sub 2] en anderen (hierna: [appellanten sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2008, beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2009, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te Den Haag, en mr. C.G.J.A. van Dijk, werkzaam bij de gemeente, en [appellanten sub 2], waarvan [appellant sub 2] in persoon, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. T.H.J.F. Verstege en ir. L.P.M. Hertsig, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J.A. Huijgen, advocaat te Den Haag, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders de beroepsgrond dat de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, en de beroepsgrond met betrekking tot de opslagtermijn van binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen, ingetrokken.

2.2. Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, een veranderingsvergunning verleend voor de acceptatie en opslag van (sterk) verontreinigde grond, spoorwegballast, granulaat, puin en bouw- en sloopafval (hierna: de afvalstoffen).

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat de tijdelijke opslag van de afvalstoffen binnen de inrichting, voor zover deze niet direct voor hergebruik in aanmerking komen, in strijd is met het Landelijk Afvalbeheerplan 2002-2012 (hierna: het LAP). Hiertoe voert het aan dat de tijdelijke opslag van de afvalstoffen niet efficiƫnt en effectief is en dat deze direct dienen te worden afgevoerd naar een externe verwerker.

2.4.1. Ingevolge artikel 10.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, houdt ieder bestuursorgaan rekening met het geldende afvalbeheersplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet.

2.4.2. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft het college van gedeputeerde staten sectorplan 13 voor bouw- en sloopafval en daarmee vergelijkbare afvalstoffen en sectorplan 22 voor ernstig verontreinigde grond van het LAP tot uitgangspunt genomen. Niet in geschil is dat deze sectorplannen betrekking hebben op de door het college van burgemeester en wethouders bedoelde afvalstoffen. In paragraaf 4.1.1 van sectorplan 13 is vermeld dat voor het uitsluitend opslaan (opslaan als zelfstandige activiteit) van bouw- en sloopafval een vergunning krachtens de Wet milieubeheer wordt verleend. In paragraaf 4.1 van sectorplan 22 is vermeld dat voor het tijdelijk opslaan van ernstig verontreinigde grond een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vereist en dat een dergelijke vergunning niet slechts is voorbehouden aan tijdelijke opslagplaatsen in beheer bij de overheid. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met het LAP. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het college van burgemeester en wethouders en [appellanten sub 2] betogen dat de aan de revisievergunning verbonden geluidgrenswaarden vanwege de aangevraagde veranderingen niet naleefbaar zijn. Het college van burgemeester en wethouders voert hiertoe aan dat het aantal transportbewegingen van en naar de inrichting groter zal zijn dan het aantal dat ten grondslag ligt aan het bij de vergunningaanvraag gevoegde akoestische rapport, aangezien hierin geen rekening is gehouden met de extra transportbewegingen vanwege de externe reiniging van de afvalstoffen. [appellanten sub 2] voeren aan dat bij het onderzoek naar de geluidhinder vanwege de inrichting geen rekening is gehouden met het feit dat de transporten van en naar de inrichting plaatsvinden met zware vrachtwagens. Daarnaast is bij dit onderzoek volgens hen geen rekening gehouden met het in werking zijn van de inrichting in de nachtelijke uren.

2.5.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat in het bij de vergunningaanvraag gevoegde akoestische onderzoek als uitgangspunt is gehanteerd dat de transporten van en naar de inrichting plaatsvinden met vrachtwagens en dat de bedrijfsactiviteiten tevens in de nachtperiode van 06.00 tot 07.00 uur plaatsvinden. De verandering van de activiteiten binnen de inrichting leidt volgens dit college niet tot wijzigingen in de akoestische situatie op en rond de inrichting aangezien de jaardoorzet gelijk blijft. Aangezien de afvalstoffen die voor externe reiniging worden afgevoerd, na reiniging niet naar de inrichting worden geretourneerd, zal het aantal vervoersbewegingen gelijk blijven, aldus het college. De aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden zijn volgens hem dan ook naleefbaar.

2.5.2. Bij de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de veranderingsvergunning, is het door Peutz opgestelde akoestische rapport van 21 januari 2004 gevoegd. Bij de beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie is vermeld dat de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden tussen 06.00 en 23.00 uur. Tevens is hierin vermeld dat in deze periode maximaal 135 vrachtwagens de inrichting aandoen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met het transport met vrachtwagens en openingstijden van de inrichting in de nachtelijke periode van 06.00 tot 07.00 uur.

Niet aannemelijk is geworden dat de externe reiniging van de afvalstoffen extra transportbewegingen tot gevolg zal hebben. In de aanvraag is vermeld dat de totale hoeveelheid afvalstoffen die wordt geaccepteerd, niet wordt verhoogd en de werkwijze binnen de inrichting niet noemenswaardig verandert. Gelet hierop bestaat geen grond voor de conclusie dat de geluidhinder vanwege de inrichting zal toenemen als gevolg van de aangevraagde veranderingen. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellanten sub 2] vrezen voor stofoverlast vanwege de veranderingen van de inrichting.

2.6.1. Het college van gedeputeerde staten heeft aan de revisievergunning van 5 november 2004, die naast de veranderingsvergunning van kracht blijft, de voorschriften 6.1.1 tot en met 6.1.5 verbonden teneinde stofhinder vanwege de inrichting te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Deze voorschriften hebben tevens betrekking op de bij het bestreden besluit vergunde veranderingen van de inrichting. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde voorschriften ontoereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder. De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellanten sub 2] stellen trillinghinder te ondervinden vanwege de transportbewegingen van en naar de inrichting en vrezen dat de trillinghinder zal toenemen als gevolg van de vergunde veranderingen. Dit is volgens hen ten onrechte niet onderzocht.

2.7.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat als gevolg van de aangevraagde veranderingen geen extra trillinghinder te verwachten valt omdat het aantal transportbewegingen van en naar de inrichting niet zal wijzigen. Tevens is het aspect trillingen in het kader van de procedure tot verlening van de revisievergunning voldoende onderzocht. De aangevraagde vergunning kon derhalve om deze reden niet worden geweigerd, aldus dit college.

2.7.2. Niet aannemelijk is geworden dat het aantal transportbewegingen van en naar de inrichting en de hiermee gepaard gaande trillinghinder zullen toenemen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat ten onrechte geen nader onderzoek is verricht naar optredende trillinghinder. Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat trillinghinder geen grond kon vormen de gevraagde vergunning te weigeren. De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellanten sub 2] voeren aan dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet worden nageleefd omdat er activiteiten plaatsvinden van 05.00 en 06.00 uur. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning maar op de naleving en kan om die reden niet slagen.

2.9. [appellanten sub 2] betogen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Nu het bestreden besluit is genomen voor de wijziging van de Wet milieubeheer bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke Ordening (Stb. 2008, 180), mocht het college van gedeputeerde staten geen regels gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening in aanmerking nemen. De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellanten sub 2] voeren aan dat het in werking zijn van de inrichting tot verkeersonveilige situaties in de omgeving zal leiden. Tevens zal vanwege het zwaar transport van en naar de inrichting het wegdek van 't Haantje beschadigd raken. Ook deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en falen reeds om die reden.

2.11. De beroepen zijn ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Hek

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009

542.