Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
200901916/1/H1 en 200901916/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan [wederpartij] bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een dakkapel op het voordakvlak van de woning op het perceel [locatie 1] te Leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901916/1/H1 en 200901916/2/H1.

Datum uitspraak: 17 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Leiden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 februari 2009 in zaak nr. 08/1203 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan [wederpartij] bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een dakkapel op het voordakvlak van de woning op het perceel [locatie 1] te Leiden.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 januari 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 april 2009.

Bij eerstgenoemde brief heeft het college de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 april 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De door [wederpartij] gewenste dakkapel heeft een breedte van 4,14 m. Het college heeft aan zijn gehandhaafde weigering voor deze dakkapel bouwvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat deze niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college heeft dat standpunt gebaseerd op een negatief advies van Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de ARK) van 17 augustus 2007. Volgens dit advies wijkt de dakkapel in vormgeving, afmetingen, materialisering en detaillering af van de reeds gerealiseerde dakkapel van de belendende woning aan de [locatie 2], waardoor het evenwichtige beeld van het dakvlak teveel wordt verstoord en rust en samenhang ontbreekt. De dakkapel van deze woning heeft een breedte van 2,80 m.

2.3. In beroep heeft [wederpartij] gewezen op diverse gevallen in de directe omgeving van zijn woning waarbij ten aanzien van vergelijkbare woningen bouwvergunningen zijn verleend voor dakkapellen aan de voorkant van 2,80 tot 4 m breed. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het in die gevallen is afgeweken van de volgens de sneltoetscriteria van de Nota welstandstoets Leiden (hierna: de welstandsnota) aangehouden maximale breedte van dakkapellen aan de voorkant van 2 m, en is onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in voormelde sneltoetcriteria aangegeven breedte van 2 m niet een maximum maat is. Volgens het college is in een dakkapel in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand wanneer wordt voldaan aan de sneltoetscriteria en wordt bij dakkapellen die daaraan niet voldoen per geval bezien of zodanige strijd zich voordoet. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met bestaande dakkapellen in de directe omgeving. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is volgens het college geen sprake.

2.5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 oktober 2005, in zaak nr. 200501505/1, vergt het gelijkheidsbeginsel een consistent en dus doordacht bestuursbeleid. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in individuele vergelijkbare gevallen. Het bewaken van de consistentie van het eigen optreden is bij uitstek de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur.

De door het college gegeven uitleg van de sneltoetscriteria laat onverlet dat van het college gevergd wordt dat het bij de toetsing aan de welstandsnota van dakkapellen die van die criteria afwijken, consistent optreedt. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat daarvan niet is gebleken, nu sinds 2004 op diverse vergelijkbare woningen in de omgeving dakkapellen van allerlei afmetingen met bouwvergunning zijn gerealiseerd die in afwijking van de sneltoetscriteria breder zijn dan 2 m.

2.6. Het vorenoverwogene staat er evenwel niet aan in de weg dat het college zich ten aanzien van de thans in geding zijnde dakkapel in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze gezien de breedte daarvan, niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand beoordeeld naar de criteria van de welstandsnota. [wederpartij] heeft geen deskundigenrapport overgelegd waarin dat standpunt wordt weersproken. Van een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dat noopt tot het niettemin verlenen van bouwvergunning kan geen sprake zijn, reeds omdat niet aannemelijk is gemaakt dat het college in een vergelijkbaar geval bouwvergunning heeft verleend voor een dakkapel van deze breedte op het voordakvlak. In alle door [wederpartij] genoemde gevallen betreft het een dakkapel met een geringere breedte dan die waarop zijn aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft.

2.7. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zijn weigering om voor de dakkapel bouwvergunning te verlenen ten onrechte heeft gehandhaafd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren.

2.9. Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 februari 2009 in zaak nr. 08/1203;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009

412.