Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1840

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
200804060/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Grootegast (hierna: de raad) bij besluit van 11 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Grootegast" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804060/1/R2.

Datum uitspraak: 22 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], en haar vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Grootegast (hierna: de raad) bij besluit van 11 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Grootegast" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellante], [vennoot 1] en [vennoot 2] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellante]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2008.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door P.H.K. Bijl, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de raad, vertegenwoordigd door C.C. Bakker, T.E.J. Postma en M. Renkema, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het aan de noordwestzijde van de kern Grootegast gelegen industrieterrein, waar na sluiting van een asielzoekerscentrum, ruimte is vrijgekomen voor een herinvulling met bedrijven. Werd eerder voorzien in de vestiging van industriële activiteiten op het industrieterrein, met het plan wordt blijkens de plantoelichting beoogd te voorzien in de vestiging van kleinschalige bedrijven met eventuele bedrijfswoningen, en bestaande bedrijven als zodanig te bestemmen.

2.3. [appellante] richt zich in beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein 3" ter plaatse van de oostelijke helft van zijn bedrijfsterrein aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het plandeel). Op grond van de bestemming lijkt het, aldus [appellante], niet toegestaan ter plaatse eigen restmateriaal te breken met een mobiele puinbreker of andere breekapparatuur. [appellante] betoogt dat de mogelijkheid daartoe behouden dient te blijven tot maximaal 10.000 ton per jaar en voert in dit verband aan dat ook het voorheen geldende plan die mogelijkheid kende, dat, gelet op de afstand tot de dichtstbijgelegen woningen, derden niet of nauwelijks hinder zullen ondervinden en dat zonodig hinderbeperkende voorschriften in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen. Het breken van eigen restmateriaal is van belang om op die manier een eenvoudigere en goedkopere afvoer van dat materiaal te bereiken, aldus [appellante].

2.4. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de raad er blijkens de plantoelichting voor heeft gekozen het plangebied optimaal in te vullen met kleinschalige bedrijven in combinatie met bedrijfswoningen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het deze keuze van de raad onderschrijft, ook indien deze keuze met zich brengt dat het plan voor het bedrijf van [appellante] minder ontwikkelingsmogelijkheden biedt. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat behoefte bestaat aan geschikte locaties voor bedoelde vorm van bedrijvigheid en dat het plangebied minder geschikt is voor zware vormen van bedrijvigheid. Voorts heeft het nog aangegeven dat het voorheen geldende plan zich niet expliciet uitspreekt over de toelaatbaarheid van het breken van eigen restmateriaal in zijn algemeenheid, maar dat op grond van dat plan het bedrijfstype "steenbrekerijen" niet was toegestaan in het plangebied.

2.5. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn, voor zover van belang, de op de plankaart voor "Bedrijventerrein 3" aangewezen gronden bestemd voor lichte industrie, groothandel, ambachtelijke bedrijven, nijverheids-, reparatie-, verhuurbedrijven en overige dienstverlenende bedrijven welke wat betreft geur, stof, geluid en gevaar toelaatbaar zijn in de categorieën 1, 2 en 3 van de bij de voorschriften behorende Staat van bedrijven.

2.5.1. Ter zitting is vast komen te staan dat op het bedrijfsperceel van [appellante] thans op kleine schaal puinbreekactiviteiten plaatsvinden met een zogenoemde brekerbak die is bevestigd aan een kraan. Ter zitting hebben de raad en het college aangegeven dat deze activiteiten voor de duur van tien dagen per jaar zijn toegestaan krachtens de op 13 december 1994 verleende milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van het bedrijf, alsmede vallen binnen de reikwijdte van de bij besluit van 30 maart 1995 op grond van artikel 19 van de WRO voor het bedrijf verleende vrijstelling. Ter zitting hebben de raad en het college voorts verklaard dat het evenvermelde gebruik van het bedrijfsperceel van [appellante] als ondergeschikte activiteit is toegestaan binnen de bestemming "Bedrijventerrein 3".

De Afdeling ziet geen aanleiding deze uitleg van de bestemming, waarmee is beoogd het bestaande legale gebruik van het bedrijfsperceel vast te leggen, voor onjuist te houden.

Voor zover [appellante] - mede vanwege de groei van zijn bedrijf - de mogelijkheid wenst om het onder 2.5.1 bedoelde toegestane gebruik te intensiveren dan wel uit te breiden tot het breken van eigen steenrestmateriaal tot 10.000 ton per jaar, overweegt de Afdeling als volgt.

Bedoeld gebruik dient naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de aard en omvang ervan en anders dan het huidige gebruik, als een zelfstandige bedrijfsactiviteit te worden aangemerkt. Puinbreken is niet als bedrijfsactiviteit opgenomen in de bij de voorschriften van het plan behorende Staat van bedrijven. Bedoeld gebruik is op het bedrijfsperceel dan ook niet toegestaan.

In de voorheen geldende bestemmingsplannen "Buitengebied - 1e fase" en "Industrieterrein Grootegast" hadden de desbetreffende gronden een agrarische bestemming respectievelijk een bedrijfsbestemming. Weliswaar waren in de Staat van bedrijven van laatstgenoemd bestemmingsplan steenbrekerijen opgenomen, doch op grond van artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van dat bestemmingsplan waren ter plaatse enkel bedrijven toegestaan die toelaatbaar zijn op een afstand van 200 meter van woonwijken. Nu voor steenbrekerijen met SBI-code 32.72 in de Staat van bedrijven een aan te houden afstand van 300 meter gold, waren dergelijke activiteiten, anders dan gesteld, ingevolge dat bestemmingsplan evenmin toegestaan. De Afdeling overweegt voorts dat ook de eerdervermelde vrijstelling, al dan niet in samenhang bezien met de eerdervermelde milieuvergunning, een gebruik dat verder reikt dan bedoeld onder 2.5.1, niet mogelijk maakte. Gelet op het voorgaande kan ten aanzien van het door [appellante] gewenste gebruik, anders dan gesteld, niet worden gesproken van bestaande rechten waarmee bij het vaststellen van het plan rekening moest worden gehouden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college, onder verwijzing naar het standpunt van de raad dat het bedrijventerrein bedoeld is voor kleinschalige bedrijven met eventuele bedrijfswoningen en niet voor industriële activiteiten, in redelijkheid kunnen instemmen met een bedrijfsbestemming die de door [appellante] gewenste ontwikkeling uitsluit. In dit verband heeft het college mede betekenis kunnen toekennen aan de nabijgelegen woonomgeving. Uit de reactie op de zienswijze van [appellante] blijkt dat de raad zijn keuze heeft onderbouwd met het gegeven dat het breken van restmateriaal op basis van de Brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten "Bedrijven en milieuzonering" een richtafstand kent van 300 meter tot aan de dichtstbijzijnde woonbebouwing. Vaststaat dat de feitelijke afstand van het plandeel tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing geringer is dan 300 meter.

Dat, naar gesteld, de mogelijkheid tot puinbreken nauwelijks hinder met zich zal brengen en dat zonodig hinderbeperkende voorschriften in de milieuvergunning kunnen worden opgenomen, maakt het voorgaande niet anders. De mogelijkheid om langs die weg de nadelige gevolgen van een bedrijfsactiviteit te beperken, laat onverlet dat de raad om planologische redenen, zoals weergegeven in 2.4, kan besluiten deze bedrijfsactiviteit niet toe te staan.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009

429-583.