Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1832

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
200801430/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2007, kenmerk 2007/51885, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: de raad) bij besluit van 6 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Grensmaas".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801430/1.

Datum uitspraak: 22 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging "Federatief Verband Tegen Ontgrindingen In Born", gevestigd te Grevenbicht,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2007, kenmerk 2007/51885, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: de raad) bij besluit van 6 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Grensmaas".

Tegen dit besluit hebben de vereniging "Federatief Verband Tegen Ontgrindingen In Born" (hierna: de FVTOB) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2008, [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2008, en [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2009, waar de FVTOB, vertegenwoordigd door [secretaris] van de vereniging, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verkoijen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellant sub 3] en anderen, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. Boer en drs. G.F.M. Hendrickx, ambtenaren in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. R.H.M. Driessen, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De FVTOB

2.2. De FVTOB stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 7 van de planvoorschriften, voor zover op de gronden met de bestemming "Natuur na ontgronding/opvulling" is voorzien in permanente voorzieningen ten behoeve van de bereikbaarheid in de vorm van ontsluitingswegen. Zij stelt daartoe dat de aanleg van ontsluitingswegen in strijd is met de aanvulling van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg "POL Grensmaas" (hierna: de POL-aanvulling) en vaststaand beleid, waarin is neergelegd dat in het gebied geen fysieke inrichtingsmaatregelen zullen worden getroffen.

2.2.1. Ingevolge artikel 7, lid I, aanhef en onder het zevende liggende streepje, van de planvoorschriften, zijn de gronden met de bestemming "Natuur na ontgronding/opvulling" bestemd voor permanente voorzieningen ten behoeve van de bereikbaarheid, in de vorm van ontsluitingswegen en de op de plankaart A aangegeven hoogwaterbruggen te Maasband en Vissersweert.

2.2.2. In de POL-aanvulling zijn de gronden met de bestemming "Natuur na ontgronding/opvulling" aangeduid met de bestemmingen "Natuur na ontgronding en opvulling" en "Natuur na ontgronding". Voorts is daarin vermeld dat die gronden deel uitmaken van de "Ecologische Hoofdstructuur" en specifiek zijn aangeduid als "Ecologische ontwikkelingszone". In de POL-aanvulling is ten aanzien van bedoelde zone vermeld dat daarin nieuwe infrastructuur moet worden geweerd.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat uit het onder rechtsoverweging 2.2.1. genoemde artikellid niet kan worden afgeleid dat ter plaatse van bedoelde bestemming geen nieuwe ontsluitingswegen zijn toegestaan. Voor zover het college heeft gesteld dat uit de beschrijving in hoofdlijnen van artikel 7 van de planvoorschriften en de plantoelichting kan worden afgeleid dat voornoemd artikellid zo moet worden begrepen dat ter plaatse van bedoelde bestemming geen nieuwe ontsluitingswegen mogen worden aangelegd, overweegt de Afdeling het volgende. In de beschrijving in hoofdlijnen zoals opgenomen in artikel 7 van de planvoorschriften is vermeld dat 'bestaande wegen binnen de bestemming zijn toegestaan'. Dit houdt echter geen verbod in om nieuwe ontsluitingswegen aan te leggen. De plantoelichting biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat nieuwe ontsluitingswegen niet zijn toegestaan. Daargelaten dat ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening een toelichting geen deel uitmaakt van een bestemmingsplan en daaraan derhalve geen bindende betekenis toekomt, kan uit die toelichting niet eenduidig worden afgeleid dat het verboden is nieuwe ontsluitingswegen aan te leggen. De Afdeling stelt dan ook vast dat het plan voorziet in nieuwe ontsluitingswegen op gronden met de bestemming "Natuur na ontgronding/opvulling".

Het college heeft zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt gesteld dat het aanleggen van nieuwe ontsluitingswegen in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid zoals neergelegd in de POL-aanvulling. De Afdeling ziet, gelet op dit beleid zoals dit in rechtsoverweging 2.2.2. is weergegeven, geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. Nu het plan voorziet in nieuwe ontsluitingswegen op gronden met de bestemming "Natuur na ontgronding/opvulling" heeft het college zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre niet in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid.

De conclusie is dat hetgeen de FVTOB heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan artikel 7, lid I, onder het zevende liggende streepje van de planvoorschriften, voor zover betreffende de zinsnede "ontsluitingswegen en".

2.3. De FVTOB stelt dat artikel 18, lid IV, van de planvoorschriften betreffende de bestemming "Landgoed" en de plankaart, voor zover betreffende de bestemming van de beboste gebieden langs de Kingbeek tussen Obbicht en Grevenbicht van Waterschap Roer en Overmaas, ten onrechte niet overeenkomstig de Nota van Wijzigingen zijn aangepast.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat in de bij het besluit tot vaststelling van het plan behorende Nota van Wijzigingen is vermeld dat aan artikel 18, lid IV, van de planvoorschriften zal worden toegevoegd de zinsnede "het opleiden en trainen van honden en het houden van oefeningen en wedstrijden met honden". Voorts is in bedoelde Nota vermeld dat de beboste gebieden langs de Kingbeek tussen Obbicht en Grevenbicht van Waterschap Roer en Overmaas, waaraan thans de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" is toegekend, de bestemming "Bosgebied" krijgen. Voorts stelt dat Afdeling vast dat deze wijzigingen niet in het bestemmingsplan dat ter goedkeuring aan het college is aangeboden, zijn verwerkt. Hieruit volgt dat het bestemmingsplan zoals dat ter voldoening aan artikel 28, eerste lid, van de WRO aan het college ter goedkeuring is aangeboden in zoverre niet overeenstemt met het plan zoals dat door de gemeenteraad is vastgesteld, zodat deze wettelijke bepaling is geschonden. Door desbetreffend planvoorschrift en desbetreffend plandeel op de plankaart niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep is, in zoverre, gegrond zodat het bestreden besluit wegens strijd met voornoemde wettelijke bepalingen dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 18 van de planvoorschriften, aan het plandeel met de bestemming "Landgoed" en aan het deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart. De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan voornoemd planvoorschrift en voornoemde plandelen.

2.4. De FVTOB stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte wegens strijd met het provinciaal ruimtelijk beleid goedkeuring heeft onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 6, lid VIII, onder 5, van de planvoorschriften, die voorziet in de sanering van de puntverontreinigingen Elba, Batstraat en Oude Sloot.

2.4.1. In de POL-aanvulling en de bijbehorende plankaart is aan de gronden waarop de puntverontreiningen Elba, Batstraat en Oude Sloot gelegen zijn, de aanduiding "onvergraven natuur" toegekend. De aanwijzing van deze gronden tot "onvergraven natuur" is niet aan te merken als concrete beleidsbeslissing. In de POL-aanvulling is voorts vermeld dat de buiten de kades gelegen gebieden die niet worden ontgraven zijn aangewezen als onvergraven natuurgebied, evenals de gebieden rond de puntverontreinigingen.

2.4.2. Ingevolge artikel 6, lid VIII, aanhef en onder 5, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" te wijzigen in de bestemming "Natuur na ontgronding en opvulling" onder de volgende voorwaarden:

- het uitsluitend gronden betreffen die op de plankaart A als zodanig zijn aangegeven ter plaatse van de puntverontreinigingen op de locaties Elba, Batstraat en Oude Sloot;

- de belangen van derden en de waarden van de aangrenzende bestemmingen niet onevenredig worden geschaad;

- de gronden zijn gesaneerd.

2.4.3. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding die in de POL-aanvulling aan betreffende gronden is toegekend het ontgraven van die gronden uitsluit. Nu bedoelde wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat de gronden worden ontgraven en dit zelfs als voorwaarde voor het toepassen van die bevoegdheid stelt, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat die bevoegdheid in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid zoals neergelegd in de POL-aanvulling. Gelet daarop is niet gebleken dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen onthouden aan artikel 6, lid VIII, onder 5, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.5. Voor zover de FVTOB stelt dat sprake is van onvolkomenheden in de plantoelichting, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening een toelichting geen deel uitmaakt van een bestemmingsplan. Aan de toelichting komt derhalve geen bindende betekenis toe. Gelet hierop heeft het college in dit bezwaar geen aanleiding behoeven te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het betoog faalt.

2.6. De FVTOB stelt dat het college ten onrechte geen goedkeuring heeft onthouden aan plankaart B voor zover daarop niet is voorzien in de bestemming "Beschermingszone a" voor de watergangen bij kasteel Obbicht. Daartoe betoogt zij dat een andere watergang evenmin voorkomt op de legger van het Waterschap Roer en Overmaas, maar toch een beschermingszone heeft.

2.6.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad in het plan de bestemming "Beschermingszone a" heeft toegekend aan de watergangen die voorkomen op de legger van het Waterschap Roer en Overmaas. Niet is gebleken dat het college dit uitgangspunt, gelet op de aan raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht, niet redelijk heeft kunnen achten. Nu ter zitting onweersproken is gesteld dat de watergangen bij kasteel Obbicht niet voorkomen op voornoemde legger, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet in redelijkheid goedkeuring aan het plan heeft kunnen verlenen.

Dit betoog faalt.

2.7. De conclusie is dat hetgeen de FVTOB heeft aangevoerd betreffende de onthouding van goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 6, lid VIII, onder 5, van de planvoorschriften, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van hetgeen de FVTOB heeft aangevoerd betreffende onvolkomenheden in de plantoelichting en de watergangen bij kasteel Obbicht, is de conclusie dat dit geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het voornoemde wijzigingsbevoegdheid, onvolkomenheden en watergangen betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

[appellant sub 2]

2.8. [appellant sub 2] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "zone waar tijdelijke werkwegen zijn toegestaan" op de gronden ten westen van zijn woning op een perceel aan de Dijk 24A te Grevenbicht. Hij betoogt daartoe dat sprake is van rechtsonzekerheid, nu de ligging van de werkwegen pas in de werkplannen wordt vastgesteld. Voorts stelt hij dat het gebied meteen grenzend aan de Maas ten onrechte niet in ogenschouw is genomen als locatie voor de zone.

2.8.1. Niet is aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situering van de tijdelijke werkwegen voldoende rechtszeker is. Daartoe heeft het college van belang kunnen achten dat de zone waarbinnen de tijdelijke werkwegen mogen worden aangelegd op plankaart A is aangegeven en dat in artikel 6, lid II, onder 11, van de planvoorschriften is bepaald dat de tijdelijke werkwegen uitsluitend binnen die op de plankaart aangegeven zone mogen worden gerealiseerd. De omstandigheid dat de exacte situering van de tijdelijke werkwegen binnen de op de plankaart aangegeven zone in de werkplannen zal worden bepaald, maakt dit niet anders. Overigens is ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat voorafgaand aan het nemen van een beslissing omtrent de exacte situering van de tijdelijke werkwegen overleg zal worden gevoerd met [appellant sub 2].

Voor zover [appellant sub 2] stelt dat het gebied meteen grenzend aan de Maas ten onrechte niet in ogenschouw is genomen als locatie voor bedoelde zone, overweegt de Afdeling het volgende. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Daarbij heeft hij van belang kunnen achten dat het gebied langs de Maas zal worden ontgraven en derhalve niet geschikt is voor een tijdelijke werkweg.

Het betoog betreffende de aanduiding "zone waar tijdelijke werkwegen zijn toegestaan" faalt.

2.9. [appellant sub 2] stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend voor zover daarbij is voorzien in extensieve recreatie en daarbij behorende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden". Zij betogen daartoe dat zij in hun belangen worden geschaad door het verlies aan privacy.

2.9.1. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften op de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" extensief recreatief medegebruik en daarbij behorende voorzieningen zijn toegestaan. Nu deze gronden direct grenzen aan het perceel van [appellant sub 2], is niet uitgesloten dat sprake is van een vermindering van privacy door dit medegebruik en de ten behoeve van dit gebruik aan te leggen voorzieningen. Er bestaat echter geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid, alle belangen afwegend, het standpunt heeft kunnen innemen dat aan het algemeen belang dat is gebaat bij het gebruik van bedoelde gronden voor extensief recreatief medegebruik meer gewicht toekomt dan aan de nadelen die dit voor [appellant sub 2] meebrengt. Daarbij heeft hij van belang kunnen achten dat de in het geding zijnde gronden deel uitmaken van een groter project, het zogenoemde Grensmaasproject, dat onder meer tot doelstelling heeft om de mogelijkheden voor extensief recreatief medegebruik van het Grensmaasgebied in het Nederlandse deel van het Rivierenpark Grensmaas in samenhang met het omliggende cultuurlandschap te bevorderen. Voorts heeft hij belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat ter plaatse enkel extensieve recreatie zoals wandelen en fietsen is toegestaan, zodat de inbreuk op de privacy naar verwachting beperkt blijft.

Het betoog faalt.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

[appellant sub 3] en anderen

2.11. [appellant sub 3] en anderen stellen dat in paragraaf 2.1.5. van de plantoelichting onder het kopje 'Delfstoffenwinning' ten onrechte niet is weergegeven dat het perceel waarop hun woning is gelegen niet tot de winzones van het Grensmaasproject behoort.

2.11.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening maakt een toelichting geen deel uit van een bestemmingsplan. Aan de toelichting komt derhalve geen bindende betekenis toe. Gelet hierop heeft het college in de stelling dat de toelichting onvolkomenheden bevat, geen aanleiding behoeven te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

Het betoog faalt.

2.12. [appellant sub 3] en anderen stellen dat de aanduidingen "tijdelijke ringdijk" en "zoekgebied waar geluidbeperkende constructies zijn toegestaan" prematuur zijn toegekend aan de gronden die hun woonperceel scheiden van de winlocatie Trierveld. Zij betogen daartoe dat de manier waarop de ontgronding op bedoelde locatie zal worden uitgevoerd nog niet zeker is, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007, in zaak no. 200608934/1.

2.12.1. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, overwogen:

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een lekverlies van 0,37 m3/s vanuit dekgrondberging Trierveld de wateroverlast in voldoende mate wordt beperkt. Daartoe dient de dekgrondberging te worden onderverdeeld in vier compartimenten. Verweerder heeft daarmee uitvoering gegeven aan de in het rapport van 31 januari 2006 van Witteveen en Bos weergegeven variant 8. Wel dient monitoring van de grondwaterstand plaats te vinden.

Verweerder heeft echter in voorschrift 4.5 niet verwezen naar de variant die hij heeft beoogd voor de te schrijven. Ter zitting heeft hij deze fout onderkend. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd genomen met het algemene beginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

Onder III. in het dictum van voornoemde uitspraak is vermeld dat de Afdeling het besluit van het college van Limburg van 31 oktober 2006, kenmerk 2006/5650, vernietigt, voor zover betreft de eerste volzin van voorschrift 4.5. Onder V. van bedoeld dictum is vermeld dat de Afdeling bepaalt dat de eerste volzin van voorschrift 4.5 van het besluit van 31 oktober 2006, met kenmerk 2006/5650, als volgt komt te luiden: "Voor wat betreft de grondwatereffecten van de dekgrondberging dient de uitvoering plaats te vinden met 4 compartimenten volgens variant 8 uit het rapport van Witteveen en Bos DO-GM-RAP-0007."

2.13. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 3] en anderen aldus dat zij stellen dat niet is verzekerd dat de aanduidingen binnen de planperiode zullen worden verwezenlijkt.

Ter zitting is door de raad en het college gesteld dat de uitvoering van de ontgronding op het Trierveld overeenkomstig de voorschriften behorende bij de ontgrondingsvergunning past binnen hetgeen met betrekking tot de uitvoering van de ontgronding is bepaald in het bestemmingsplan. Voornoemde uitspraak van de Afdeling heeft, volgens de raad en het college, dan ook niet tot gevolg dat het bestemmingplan in zoverre niet uitvoerbaar moet worden geacht. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, geen reden om daaraan te twijfelen. De raad heeft voorts gesteld dat het overleg met de uitvoerder van het Grensmaasproject niet betekent dat de manier van uitvoering nog niet vaststaat, maar dat dit overleg er op gericht is om binnen het kader van het bestemmingsplan te kunnen komen tot verbeteringen in de uitvoering waardoor de overlast voor de omgeving verder wordt beperkt. Nu voorts uit de stukken is gebleken dat de start van de uitvoering van de ontgrondingswerkzaamheden op het Trierveld voor 2013, derhalve ruim binnen de planperiode, is gepland, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is verzekerd dat de aanduidingen binnen de planperiode zullen worden verwezenlijkt.

Voor zover [appellant sub 3] en anderen een vergelijking maken met andere tijdelijke ringdijken wordt overwogen dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de aanduidingen voor deze ringdijken bij de vaststelling van het plan zijn komen te vervallen omdat deze, in tegenstelling tot de ringdijken waarop [appellant sub 3] en anderen doelen, eveneens als weg zouden worden gebruikt. Het autoverkeer op die ringdijken zou schadelijk kunnen zijn voor de Kingbeek. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellant sub 3] en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog van [appellant sub 3] en anderen met betrekking tot de aanduidingen "tijdelijke ringdijk" en "zoekgebied waar geluidbeperkende constructies zijn toegestaan" faalt.

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.15. Het college dient ten aanzien van de FVTOB op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Vergoeding vindt plaats van de door de gemachtigde van de FVTOB gemaakte reiskosten. De opgevoerde kosten voor een getuige en een deskundige komen reeds hierom niet voor vergoeding in aanmerking, nu van hen niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb mededeling is gedaan.

Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de vereniging "Federatief Verband Tegen Ontgrindingen In Born" gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 18 december 2007, kenmerk 2007/51885, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 7, lid I, onder het zevende liggende streepje van de planvoorschriften, voor zover betreffende de zinsnede "ontsluitingswegen en", aan artikel 18 van de planvoorschriften, aan het plandeel met de bestemming "Landgoed" en aan het deel van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan de onder II vermelde planvoorschriften en plandelen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak voor zover deze het onder III. vermelde betreft, in de plaats treedt van het besluit van 18 december 2007;

V. verklaart het beroep van de vereniging "Federatief Verband Tegen Ontgrindingen In Born" voor het overige en de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] en anderen geheel ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de vereniging "Federatief Verband Tegen Ontgrindingen In Born" in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 44,39 (zegge: vierenveertig euro en negenendertig cent); het dient door de provincie Limburg aan die vereniging onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Limburg aan de vereniging "Federatief Verband Tegen Ontgrindingen In Born" het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.C.K.W. Bartel en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009

458.

<HR>

plankaart