Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
200809433/1/M1 en 200809433/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland (hierna: het dagelijks bestuur) aan [appellant], de voorschriften aangevuld van een revisievergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een agrarisch bedrijf met als nevenbedrijf groenvoerdrogerij, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 14 november 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809433/1/M1 en 200809433/2/M1.

Datum uitspraak: 16 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats]

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2008 heeft het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland (hierna: het dagelijks bestuur) aan [appellant], de voorschriften aangevuld van een revisievergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een agrarisch bedrijf met als nevenbedrijf groenvoerdrogerij, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 14 november 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2008.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2008, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 februari 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J.H.O. van Noppen, werkzaam bij de Milieudienst West-Holland, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Bij besluit van 8 november 2006 heeft het dagelijks bestuur aan [appellant] voor zijn inrichting een revisievergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Bij uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2007 in zaak nr. 200609185/1 is dit besluit vernietigd voor zover in strijd met artikel 8:12, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning geen voorschriften zijn verbonden inhoudende dat op de in die bepaling aangewezen wijze moet worden bepaald of wordt voldaan aan voorschrift 2.9 van de vergunning, waarin is bepaald, voor zover hier van belang, dat de immissieconcentratie van 5 ge/m3 als 98 percentiel ter plaatse van geurgevoelige objecten buiten de grenzen van de inrichting niet mag worden overschreden. De Afdeling heeft in deze uitspraak bepaald dat het dagelijks bestuur een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Op 17 augustus 2007 heeft het dagelijks bestuur een nieuw besluit genomen en de vergunning aangevuld met controlevoorschriften. Bij uitspraak van 28 mei 2008 in zaak nr. 200707086/1 heeft de Afdeling het hiertegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Bij het bestreden besluit van 12 november 2008 heeft het dagelijks bestuur opnieuw de vergunning aangevuld met drie controlevoorschriften ter uitvoering van de opdracht in de eerdergenoemde uitspraak van 4 juli 2007.

2.3. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het dagelijks bestuur een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. In voorschrift 1.1, voor zover van belang, is bepaald dat een week na de start van het drogen van gras of luzerne of paprikaloof eenmalig geuronderzoeken (voor gras, luzerne en paprikaloof) dienen te worden uitgevoerd, onder representatieve bedrijfsomstandigheden. Uiterlijk twee maanden voor het aanvangen van het geuronderzoek legt het bedrijf de onderzoeksopzet voor aan het bevoegd gezag ter goedkeuring. Na goedkeuring kan gestart worden met het geuronderzoek.

In voorschrift 1.2, voor zover van belang, is bepaald dat indien vergunninghouder ander materiaal wenst te drogen dan gras, luzerne of paprikaloof en wordt voldaan aan de voorschriften 2.11 tot en met 2.17 van de op 8 november 2006 afgegeven vergunning, de in dit besluit van 12 november 2008 opgenomen voorschriften ook ten aanzien van dit andere materiaal gelden.

In voorschrift 1.3 is bepaald dat ten behoeve van dit onderzoek de geuremissie van de inrichting bepaald dient te worden conform de NEN-EN 13725: 'Determination of odour concentration by dynamic olfactometry'.

2.4.1. [appellant] kan zich niet verenigen met de voorschriften 1.1 tot en met 1.3. Hiertoe voert hij aan dat in voorschrift 1.1 niet duidelijk is geformuleerd of de onderzoeksverplichting betrekking heeft op het materiaal of op het ieder jaar starten van het droogproces. Dit is volgens [appellant] in strijd met de rechtszekerheid. Daarnaast voert hij aan dat de onderzoeksverplichting ten onrechte ook voor nieuw te introduceren materiaal geldt, terwijl voor nieuw materiaal reeds een onderzoeksverplichting is opgenomen in de voorschriften 2.11 tot en met 2.17 van de vergunning en de geurnorm in voorschrift 2.9 alleen ziet op gras en luzerne. [appellant] acht derhalve de voorschriften 1.2 en 1.3 overbodig.

2.4.2. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat per materiaal eenmalig één geuronderzoek en dus één droogproef gedaan moet worden ter controle of aan de geurnorm in voorschrift 2.9 van de vergunning wordt voldaan. Met het woord 'eenmalig' in voorschrift 1.1 wordt volgens het dagelijks bestuur niet bedoeld dat jaarlijks per materiaal een geuronderzoek moet worden verricht, maar dat dit onderzoek alleen nodig is als dit materiaal voor de eerste maal in de inrichting wordt gedroogd. Dit onderzoek hoeft niet jaarlijks voorafgaand aan de start van elk nieuw droogseizoen te worden herhaald, aldus het dagelijks bestuur.

Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de formulering van voorschrift 1.1 niet voldoende duidelijk wat er van [appellant] wordt verwacht en het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

2.4.3. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 28 mei 2008 in zaak nr. 200707086/1, zien de voorschriften 2.11 tot en met 2.17 van de vergunning op de mogelijkheid om nieuw materiaal, anders dan gras, luzerne en paprikaloof, in de inrichting te drogen. De geurnorm in voorschrift 2.9 van de vergunning geldt, anders dan [appellant] betoogt, niet alleen voor gras en luzerne, maar ook voor nieuw te drogen materiaal.

Ter zitting is komen vast te staan dat een droogproef, als bedoeld in de voorschriften 2.11 tot en met 2.17 van de vergunning, bestaat uit een berekening van de geuremissie vooraf, een droogproef van een representatieve hoeveelheid materiaal en vervolgens een meting achteraf om te bepalen of aan de geurnorm kan worden voldaan. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting verklaard dat, als voor nieuw te introduceren materiaal eenmaal een droogproef is gehouden waaruit blijkt dat aan voorschrift 2.9 wordt voldaan, het overbodig is om daarvoor nog een afzonderlijk geuronderzoek te doen in het kader van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

Dit volgt ten aanzien van nieuw te drogen materiaal echter niet uit de voorschriften 1.2 en 1.3 op grond waarvan opnieuw een geuronderzoek is vereist ter controle of aan voorschrift 2.9 wordt voldaan. Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 12 november 2008 komt voor vernietiging in aanmerking. Partijen hebben de voorzitter gevraagd de voorschriften zelf voorziend aan te passen en de voorschriften 2.11 en 2.12 van de vergunning hiermee in overeenstemming aan te vullen. Daartoe is een voorstel gedaan en partijen hebben te kennen gegeven hiermee in te stemmen. Gelet hierop zal de voorzitter op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland van 12 november 2008, kenmerk 31.075;

III. bepaalt dat de volgende voorschriften aan de vergunning van 8 november 2006 worden verbonden:

Voorschrift 2.10a

Een week nadat voor de eerste maal het drogen van gras, van luzerne en van paprikaloof plaatsvindt, dienen eenmalig voor ieder van deze materialen onder representatieve bedrijfsomstandigheden geuronderzoeken te worden uitgevoerd. Uiterlijk een maand voor het begin van het geuronderzoek dient het bedrijf de onderzoeksopzet ter goedkeuring voor te leggen aan het bevoegd gezag. Na goedkeuring kan gestart worden met het geuronderzoek. De onderzoeksopzet moet ten minste de volgende elementen bevatten:

- een overzicht van de bronnen die worden bemonsterd;

- de locatie(s), duur en wijze van monsterneming;

- de aard van de te drogen materialen;

- de analysemethode;

- de beschrijving van het verspreidingsmodel waarmee de geuremissie wordt bepaald en

- welke geuremissie kan worden verwacht en waarop deze verwachting is gebaseerd.

Voorschrift 2.18

Blijkt uit het geuronderzoek en/of de geurrapportage dat wordt voldaan aan voorschrift 2.9 dan geldt dit onderzoek tevens als een onderzoek waarmee is aangetoond dat aan de immissieconcentratie van dit voorschrift is voldaan, zoals bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer.;

IV. bepaalt dat de voorschriften 2.11 en 2.12 van de vergunning van 8 november 2006 worden aangevuld en als volgt komen te luiden:

Voorschrift 2.11

Als er andere producten dan gras, luzerne en/of paprikaloof gedroogd gaan worden, dan dient door het bedrijf een droogproef te worden uitgevoerd.

Voorschrift 2.12

Het bedrijf meldt een maand voor het aanvangen met de droogproef aan de Milieudienst wanneer van start wordt gegaan met de proef, wat de duur van de proef is, wat de aard van de te drogen materialen is, welke geuremissie te verwachten is en waarop deze emissie is gebaseerd, wat de wijze van monsterneming is, welke bronnen worden bemonsterd, de analysemethode en de beschrijving van het verspreidingsmodel waarmee de geuremissie wordt bepaald. Na toestemming van de Milieudienst kan gestart worden met de droogproef.;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 12 november 2008;

VI. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

VII. veroordeelt het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,49 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro en negenenveertig cent), waarvan € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Milieudienst West-Holland aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de Milieudienst West-Holland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 576,00 (zegge: vijfhonderdzesenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2009

159-590.