Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
200807317/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) vastgesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807317/1/H3.

Datum uitspraak: 22 april 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 19 september 2008 in zaak nr. 08/299 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) vastgesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 13 februari 2008 heeft CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2008, verzonden op 19 september 2008, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 oktober 2008.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2009, waar het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van een gehouden onderzoek naar de geschiktheid inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: Regeling eisen geschiktheid) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2. Bij [appellant] is op 15 december 2005 en op 26 mei 2006 een adem-alcoholgehalte van respectievelijk 430 µg/l en 240 µg/l vastgesteld. Het CBR heeft vervolgens een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 gevorderd. Dit onderzoek, dat op 5 juni 2007 heeft plaatsgevonden, heeft bestaan uit lichamelijk, psychiatrisch en laboratoriumonderzoek. Op basis van de daaruit verkregen gegevens heeft de keurend arts de diagnose alcoholmisbruik gesteld.

Overeenkomstig paragraaf 8.8 van de bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid heeft het CBR bij het in bezwaar gehandhaafde besluit op basis van de resultaten van het onderzoek het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

2.3. [appellant] betoogt onder overlegging van een krantenartikel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een meer betrouwbare diagnose omtrent alcoholmisbruik had moeten worden gesteld. Uit het laboratoriumonderzoek is niet gebleken van een verhoogd percentage CDT in zijn bloed, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 april 2007 in zaak nr. 200606675/1) bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik is gesteld, slechts aanleiding om de ongeldigverklaring niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, in zodanige mate dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.

De diagnose misbruik van alcohol is gesteld op basis van een volledig onderzoek en van alle aldus verkregen relevante medische en niet-medische gegevens in onderling verband bezien. Dat het laboratoriumonderzoek, naar [appellant] stelt, op zichzelf geen aanwijzingen oplevert voor alcoholmisbruik laat onverlet dat de keurend arts deze diagnose heeft mogen stellen op basis van de overige gegevens in onderlinge samenhang bezien. [appellant] heeft ook geen andersluidend deskundig tegenonderzoek overgelegd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR de diagnose alcoholmisbruik ten grondslag heeft mogen leggen aan het in het bezwaar gehandhaafde besluit en op basis hiervan tot het standpunt heeft mogen komen dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid, zodat het rijbewijs ongeldig diende te worden verklaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2009.

176-591.