Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
200901758/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / onderscheid in belang van uitzettingshandelingen

De staatssecretaris klaagt evenwel terecht dat ook aan het na de inbewaringstelling gehouden gehoor van de vreemdeling ter nadere vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit gewicht toekomt. Dat gehoor is gericht op de verkrijging van gegevens die van directe betekenis zijn voor de bewerkstelliging van de beoogde uitzetting. Voor de overige handelingen die de staatssecretaris in de bedoelde periode van elf dagen heeft verricht, geldt dat niet. Die handelingen zijn voor de beoordeling of voldoende voortvarend te werk is gegaan slechts in zoverre van belang dat daaruit valt af te leiden dat het proces van verdere ambtelijke voorbereiding in werking is gezet en gaande is geweest. Dat heeft erin geresulteerd dat op 27 februari 2009 een vertrekgesprek met de vreemdeling is gevoerd en een aanvraag om afgifte van een laissez passer is ingevuld. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij het verrichten van handelingen die van directe betekenis zijn voor de uitzetting van de vreemdeling.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901758/1/V3.

Datum uitspraak: 8 april 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2009 in zaak nr. 09/5518 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 maart 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat hij reeds op 31 december 2008 wist wanneer de strafrechtelijke detentie van de vreemdeling zou eindigen, hij gedurende die detentie geen handelingen ter voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling heeft verricht en daarom niet heeft kunnen volstaan met het eerst op de elfde dag na de vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling houden van een vertrekgesprek, het invullen van een aanvraag om afgifte van een laissez passer en het verzenden daarvan naar de laissez passer-afdeling van de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V), te minder nu ter zitting niet is gebleken dat die aanvraag is doorgezonden naar de Algerijnse autoriteiten. Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat hij, gelet op alle door hem verrichte handelingen, voldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat deze handelingen in elke zaak moeten worden verricht en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor de aanvraag om afgifte van een laissez passer niet eerder naar de Algerijnse autoriteiten kon worden gezonden.

Daartoe betoogt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat aan het uitblijven van handelingen ter voorbereiding van de uitzetting tijdens de strafrechtelijke detentie geen zelfstandige betekenis kan worden gehecht bij de beoordeling van de voortvarendheid tijdens de vreemdelingenrechtelijke bewaring, nu zij heeft vastgesteld dat de schending van de inspanningsverplichting als bedoeld in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), gelet op de betrokken belangen, niet tot onrechtmatigheid van de bewaring leidt. Voorts is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat de staatssecretaris eerst op de elfde dag na de inbewaringstelling handelingen ter voorbereiding van de uitzetting heeft verricht, aangezien de vreemdeling op de eerste dag van de bewaring is gehoord met het oog op de nadere vaststelling van zijn identiteit. Gelet op alle verrichte handelingen ter voorbereiding van de uitzetting, is in zijn geheel beschouwd geen sprake van een inbreuk op de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. De vreemdeling heeft van 18 december 2008 tot 16 februari 2009 in strafrechtelijke detentie verbleven. Op 16 februari 2009 heeft de vreemdelingenpolitie hem met het oog op zijn uitzetting gehoord ter nadere vaststelling van zijn identiteit. Op 18 februari 2009 is de vreemdeling overgeplaatst naar het huis van bewaring te Zaandam, alwaar zijn dossier op 23 februari 2009 is ontvangen. Op 24 februari 2009 is dit dossier toebedeeld aan een regievoerder, die op 27 februari 2009 een vertrekgesprek met de vreemdeling heeft gevoerd. Dezelfde dag is een aanvraag om afgifte van een laissez passer voor de vreemdeling ingevuld en doorgezonden naar de laissez passer-afdeling van de DT&V.

2.1.2. In hoger beroep is niet bestreden dat de staatssecretaris in het geval van de vreemdeling niet heeft voldaan aan de in paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 omschreven inspanningsverplichting om zoveel mogelijk te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring moeten worden gesteld, maar dat dit de bewaring van de vreemdeling niet onrechtmatig maakt, omdat geen grond bestaat voor het oordeel dat de met die bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 december 2008 in zaak nr. 200807482/1, www.raadvanstate.nl) kan, indien ter zake van de schending van voormelde inspanningsverplichting is vastgesteld dat dit gebrek, gelet op de betrokken belangen, niet tot onrechtmatigheid van de aansluitend aan de strafrechtelijke detentie opgelegde vreemdelingenrechtelijke bewaring leidt, aan het uitblijven van handelingen ter voorbereiding van de uitzetting tijdens de strafrechtelijke detentie geen zelfstandige betekenis worden gehecht bij de beoordeling van de voortvarendheid tijdens de vreemdelingenrechtelijke bewaring. Daarbij is van belang dat eerst met het opleggen van een maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 sprake is van detentie in verband waarmee, gelet op artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de staatssecretaris, ter voorkoming dat deze vrijheidsontneming onredelijk lang voortduurt, gehouden is voldoende voortvarendheid te betrachten met handelingen ter voorbereiding van de uitzetting.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de schending van de voormelde inspanningsverplichting in het geval van de vreemdeling, gelet op de betrokken belangen, niet tot onrechtmatigheid van de hem opgelegde maatregel van bewaring leidt, heeft zij deze schending derhalve niet meer kunnen betrekken bij de beoordeling van de mate van voortvarendheid waarmee de staatssecretaris gedurende de bewaring van de vreemdeling aan diens uitzetting heeft gewerkt.

Voor zover de staatssecretaris klaagt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat hij eerst op de elfde dag na de inbewaringstelling een handeling ter voorbereiding van de uitzetting heeft verricht, berust zijn betoog op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat de voordien verrichte handelingen op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat toch voldoende voortvarend is gehandeld, omdat dit handelingen betreft die in elke zaak moeten worden verricht.

De staatssecretaris klaagt evenwel terecht dat ook aan het na de inbewaringstelling gehouden gehoor van de vreemdeling ter nadere vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit gewicht toekomt. Dat gehoor is gericht op de verkrijging van gegevens die van directe betekenis zijn voor de bewerkstelliging van de beoogde uitzetting. Voor de overige handelingen die de staatssecretaris in de bedoelde periode van elf dagen heeft verricht, geldt dat niet. Die handelingen zijn voor de beoordeling of voldoende voortvarend te werk is gegaan slechts in zoverre van belang dat daaruit valt af te leiden dat het proces van verdere ambtelijke voorbereiding in werking is gezet en gaande is geweest. Dat heeft erin geresulteerd dat op 27 februari 2009 een vertrekgesprek met de vreemdeling is gevoerd en een aanvraag om afgifte van een laissez passer is ingevuld. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij het verrichten van handelingen die van directe betekenis zijn voor de uitzetting van de vreemdeling. Dat de laissez passer-aanvraag, die na de invulling daarvan is doorgezonden naar de laissez passer-afdeling van de DT&V, ten tijde van de op 4 maart 2009 door de rechtbank gehouden zitting nog niet was doorgezonden naar de Algerijnse autoriteiten, maakt dit niet anders.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgrond geen aanleiding geeft tot een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 februari 2009 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 5 maart 2009 in zaak nr. 09/5518;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

347-551.

Verzonden: 8 april 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak