Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200804866/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete van € 96.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804866/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], wonend te [woonplaats] en [vennoot B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 mei 2008 in zaak nr. 07/3886 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete van € 96.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2008, verzonden op 21 mei 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover een boete van € 8.000,00 is opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav ten aanzien van de [vreemdeling] en bepaald dat de minister in zoverre een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2008. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.J.F. Gonesh, advocaat te 's-Gravenhage, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.R. Schuurmans en mr. R. van der Oord, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18 wordt, voor zover thans van belang, het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Volgens het op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteurs) opgemaakte boeterapport van 19 januari 2006 (hierna: het boeterapport) hebben vijf vreemdelingen van Chinese nationaliteit en een vreemdeling van Afghaanse nationaliteit op 28 oktober 2005 voor [appellante] werkzaamheden verricht in het Chinese restaurant aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het restaurant), zonder dat hiervoor tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. Voorts blijkt uit het boeterapport dat uit onderzoek in de administratie van [appellante] is gebleken dat in de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 oktober 2005 zes andere vreemdelingen van Chinese nationaliteit (alle vreemdelingen tezamen hierna: de vreemdelingen) eveneens werkzaamheden in het restaurant hebben verricht, zonder dat hiervoor tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door de vreemdelingen van Chinese nationaliteit ten overstaan van de inspecteurs afgelegde verklaringen niet aan het besluit tot boeteoplegging ten grondslag hadden mogen worden gelegd, nu zij niet in hun moedertaal zijn gehoord, zij de Nederlandse vertalingen voor akkoord hebben moeten ondertekenen terwijl zij deze taal niet machtig zijn, en deze vertalingen bovendien niet door een beëdigd vertaler zijn opgesteld.

2.3.1. Het boeterapport is op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid van de inhoud ervan dient te worden uitgegaan. De omstandigheid dat de vreemdelingen niet in hun moedertaal, maar in de Engelse taal zijn gehoord, leidt niet het oordeel dat de door hen afgelegde verklaringen niet aan de boeteoplegging ten grondslag hadden mogen worden gelegd. De vreemdelingen waren immers allen studenten aan de Hogeschool voor Hoger Beroepsonderwijs Nederland (hierna: de Hogeschool), in verband waarmee mag worden aangenomen dat zij de Engelse taal machtig zijn. Daarnaast hebben drie van de vreemdelingen expliciet verklaard dat zij vloeiend Engels spreken. De vreemdelingen hebben bovendien, nadat de door hen afgelegde verklaringen aan hen waren voorgelezen, verklaard hierbij te volharden en deze vervolgens ondertekend. De omstandigheid dat aan de vreemdelingen de Nederlandse vertalingen van hun verklaringen voor akkoord ter ondertekening zijn voorgelegd, alsmede de omstandigheid dat deze niet door een beëdigd vertaler zijn opgesteld, leidt voorts niet tot een ander oordeel, nu niet is gebleken dat de Nederlandse vertalingen afwijken van de door de vreemdelingen afgelegde verklaringen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, dan wel van een tot matiging van de opgelegde boete nopende verminderde verwijtbaarheid, omdat zij aan een brief van de Hogeschool van 3 september 2003, gericht aan een van de vreemdelingen, het gerechtvaardigd vertrouwen heeft ontleend dat voor de vreemdelingen geen tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Daarnaast heeft zij nimmer de bedoeling gehad de Wav te overtreden en heeft zij hieruit geen financieel voordeel behaald, aldus [appellante].

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep met gegevens en bescheiden toe te lichten.

Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.4.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de Hogeschool niet belast met het verlenen van tewerkstellingsvergunningen dan wel met het toezicht op de naleving van de Wav, zodat [appellante] aan voormelde brief van de Hogeschool niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat voor de vreemdelingen geen tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Bovendien staat in deze brief slechts dat het een van de vreemdelingen is toegestaan maximaal 10 uur per week te werken, zodat [appellante] hieruit niet heeft mogen afleiden dat de vreemdelingen zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend, mochten worden tewerkgesteld. Deze conclusie geldt te meer nu, zoals [vennoot A] in haar verklaring van 8 december 2005 tegenover de inspecteurs heeft erkend, de achterzijde van de door de vreemdelingen aan haar getoonde verblijfsdocumenten buiten twijfel stelt dat de vreemdelingen zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend, niet mochten worden tewerkgesteld.

De omstandigheid dat [appellante] niet doelbewust de Wav heeft overtreden, levert voorts geen uitzonderlijke omstandigheid op die noopt tot matiging van de boete, nu dit een omstandigheid is die moet worden geacht bij de totstandkoming van de beleidsregels te zijn betrokken.

Ten slotte vormt de omstandigheid dat [appellante] van de overtreding geen financieel voordeel heeft genoten, wat daar ook van zij, evenmin een bijzondere omstandigheid die de minister noopte tot matiging van de opgelegde boete, reeds omdat deze omstandigheid geen afbreuk doet aan de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding en de met de Wav beoogde doelstellingen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte in haar financiële situatie geen aanleiding heeft gezien de opgelegde boete te matigen. Door de rechtbank is niet onderkend dat de opgelegde boete haar financiële draagkracht ver te boven gaat, het onverkort handhaven hiervan haar voor ernstige liquiditeitsproblemen stelt en de continuïteit van haar onderneming in gevaar brengt, aldus [appellante].

2.5.1. Uit de door [appellante] ter adstructie van de door haar gestelde precaire financiële situatie, in hoger beroep overgelegde jaarstukken over 2007 volgt dat zij weliswaar een bedrijfsverlies van € 9.627,87 heeft geleden, doch hierin zijn de getroffen voorzieningen ter betaling van de opgelegde boete reeds verrekend. Bovendien is ter zitting bij de Afdeling vast komen te staan dat [appellante] een betalingsregeling heeft getroffen waardoor zij de opgelegde boete in drie jaren kan betalen, hetgeen tot gevolg heeft dat de getroffen voorzieningen over drie jaren dienen te worden gespreid en niet langer van een bedrijfsverlies over het jaar 2007 kan worden gesproken. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat de door de betaling van de boete voor [appellante] negatieve gevolgen als bijzonder moeten worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

32-523.