Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1108

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200806957/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806957/1/H3.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats] (België),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2008 in zaak nr. 07/7099 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juli 2008, verzonden op 31 juli 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de minister toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, en de minister, vertegenwoordigd door J. de Kubber, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet, voor zover thans van belang, kan weigering van een paspoort geschieden op verzoek van Onze Minister die het aangaat, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders dat het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon, die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem rustende dan wel bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk vastgestelde verplichting tot betaling van op hem verhaalbare uitkeringen, door de overheid gemaakte, op hem verhaalbare kosten, dan wel voorgefinancierde of anderszins verstrekte gelden, zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken.

Ingevolge artikel 44, vierde lid, voor zover thans van belang, deelt, indien de gronden tot weigering nog blijken te bestaan, de tot weigering bevoegde autoriteit de aanvrager terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag mede dat hij voornemens is de verstrekking van het aangevraagde reisdocument te weigeren, tenzij de aanvrager hem binnen twee weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, ten einde met de autoriteit bij wie de gronden bestaan een zodanige overeenstemming te bereiken dat tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument dan wel verstrekking van een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, kan worden overgegaan.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, door de autoriteit bij wie de gronden tot weigering bestaan aan de tot weigering bevoegde autoriteit wordt medegedeeld, dat overeenstemming is bereikt met de aanvrager, dan wel, indien de gronden bij de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit zelf bestaan, door deze een dergelijke overeenstemming is bereikt, zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken overeenkomstig de bereikte overeenstemming het aangevraagde document verstrekt dan wel het reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, verstrekt.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, gaat, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, geen mededeling wordt gedaan als bedoeld in het eerste lid, dan wel de aanvrager geen verzoek doet als bedoeld in artikel 44, vierde lid, de tot weigering bevoegde autoriteit tot weigering over, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld. In dat geval verstrekt de tot weigering bevoegde autoriteit na overleg met de autoriteit bij wie de gronden tot weigering bestaan het aangevraagde reisdocument dan wel verstrekt hij een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde.

2.2. De minister heeft de in bezwaar gehandhaafde weigering [appellant] een paspoort te verlenen, gebaseerd op artikel 22, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet. Hiertoe heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het gegronde vermoeden bestaat dat [appellant] zich door verblijf buiten het Koninkrijk zal onttrekken aan invordering van een schuld die hij bij de gemeente Eindhoven heeft.

2.3. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de minister afgifte van een Nederlands paspoort in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij na zijn verzoek tot aanhouding van het besluit op zijn paspoortaanvraag op 10 januari 2005, geen contact met de gemeente Eindhoven heeft opgenomen. Volgens hem is in dit verband van belang dat het tot 21 juli 2006 heeft geduurd alvorens de gemeente Eindhoven kenbaar heeft gemaakt welke vordering zij op hem heeft. Nu de gemeente bovendien geen aanvaardbare betalingsregeling heeft voorgesteld, was het volgens [appellant] niet aan hem maar aan de gemeente te wijten dat de in artikel 45, eerste lid, van de Paspoortwet bedoelde overeenstemming niet is bereikt. De rechtbank heeft dit miskend, aldus [appellant].

2.3.1. Vaststaat dat de gegevens van de in België woonachtige [appellant] zijn opgenomen in het register paspoortsignaleringen in verband met een schuld van € 42.962,75 bij de gemeente Eindhoven. Het bestaan van deze schuld, destijds f 80.746,08, is door de kantonrechter Eindhoven bij beschikking van 15 april 1992 vastgesteld. Bij beschikking van 10 november 1992 is deze beschikking door de rechtbank 's-Hertogenbosch, voor zover thans van belang, bevestigd. Dat, als gesteld, [appellant] van het bestaan van deze beschikkingen niet op de hoogte is geweest, acht de Afdeling niet aannemelijk. Reeds hierom faalt het betoog van [appellant] dat voor hem tot 21 juli 2006 onduidelijk was welke vordering de gemeente Eindhoven op hem heeft.

Met de rechtbank wordt voorts overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet bereid is gebleken tot het treffen van een betalingsregeling om zijn schuld te voldoen. [appellant] is nooit tot enige terugbetaling overgegaan en heeft, hoewel hem hiertoe ruimschoots de gelegenheid is geboden, evenmin met de gemeente contact gezocht om tot overeenstemming te komen. Dit had wel op zijn weg gelegen, temeer nu hij zelf bij brief van 10 januari 2005 om aanhouding van het nemen van een besluit op zijn paspoortaanvraag heeft verzocht en de minister bij brief van 12 februari 2007 heeft getracht te bemiddelen bij het tot stand brengen van een aanvaardbare betalingsregeling tussen [appellant] en de gemeente. Bezien tegen deze achtergrond heeft de rechtbank [appellant] terecht niet gevolgd in zijn betoog dat het uitblijven van de in artikel 45, eerste lid, van de Paspoortwet bedoelde overeenstemming hem niet kan worden verweten.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 22 van de Paspoortwet voor het weigeren van een paspoort een causaal verband vereist tussen verblijf in het buitenland en de nalatigheid in het terugbetalen van een schuld. Volgens [appellant] ontbreekt dit causale verband in zijn geval, nu hij zich door zijn verblijf in België niet aan de mogelijkheid tot invordering van zijn schuld onttrekt.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 393 (R 1343), nr. 3, blz. 42 t/m 44), volgt dat van de bevoegdheid tot weigering van een paspoort veelal slechts gebruik wordt gemaakt indien de betrokken persoon zich in het buitenland heeft gevestigd, omdat invordering van de in dit artikel bedoelde schulden in dat geval aanzienlijk problematischer is dan in het Koninkrijk zelf. Voorts volgt hieruit dat de vraag of de betrokken persoon zich aan de wettelijke mogelijkheid tot invordering zal onttrekken, zal moeten beantwoord aan de hand van diens gedragingen, waaronder het niet bereid zijn een betalingsregeling te treffen. Ingeval de betrokkene zich reeds in het buitenland heeft gevestigd, zal signalering sneller kunnen plaatsvinden.

Gelet hierop, kan niet worden staande gehouden dat, zoals [appellant] kennelijk meent, artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet slechts van toepassing is in de situatie waarin de persoon die nalatig is in het nakomen van een schuld nog in het Koninkrijk woonachtig is. Deze bepaling is evenzeer van toepassing op een situatie als die welke zich hier voordoet, waarin die persoon reeds in het buitenland woont. Onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet, heeft de rechtbank, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, daarom terecht geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van [appellant] een gegrond vermoeden als bedoeld in die bepaling bestaat. Dit is temeer het geval nu, zoals [appellant] ter zitting heeft bevestigd, hij de gemeente Eindhoven nooit van zijn vertrek naar België op de hoogte heeft gesteld.

2.4.2. Uit artikel 22, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet, volgt dat het ontbreken van de in artikel 45, eerste lid, van die wet bedoelde overeenstemming tussen [appellant] en de gemeente Eindhoven aan het verlenen van een paspoort in de weg staat, tenzij de minister van oordeel is dat [appellant] hierdoor onevenredig zou worden benadeeld. Met de rechtbank wordt overwogen dat [appellant] een dergelijke onevenredige benadeling niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling dat hij belang heeft bij een paspoort omdat hij in verband met werkzaamheden voor zijn onderneming soms naar Marokko reist, is hiervoor onvoldoende.

2.4.3. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de minister de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Hetgeen [appellant] overigens in hoger beroep heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

312-546.