Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1105

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200806575/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2008, kenmerk 2008-39726, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard bij besluit van 15 april 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Donkereweg […]" (hierna: het wijzigingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806575/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heerhugowaard,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2008, kenmerk 2008-39726, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard bij besluit van 15 april 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Donkereweg […]" (hierna: het wijzigingsplan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende] en het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2009, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard, vertegenwoordigd door E. Bruijns, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], bijgestaan door mr. P. van Lingen, advocaat te Alkmaar.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het wijzigingsplan voorziet in de toevoeging van een agrarisch bouwvlak ten behoeve van een agrarische bedrijfswoning en een agrarische bedrijfsruimte ter plaatse van het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie] te Heerhugowaard (hierna: het perceel). Het wijzigingsplan is goedgekeurd door het college.

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Volgens hem wordt niet voldaan aan de wijzigingsregels omdat er geen sprake is van een nieuw volwaardig agrarisch bedrijf. [appellant] betoogt in dit verband dat het rapport van de Dienst Landbouw Voorlichting (hierna: DLV) onjuist is. Nu DLV zowel een rapport met betrekking tot het verzoek om wijziging van het plan heeft uitgebracht alsook nadien naar aanleiding van de zienswijzen het college van burgemeester en wethouders heeft geadviseerd, acht [appellant] DLV partijdig en niet onafhankelijk.

2.3.1. Ingevolge artikel 5.2, aanhef, onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ten behoeve van het op de plankaart aangeven van een agrarisch bouwperceel in het bestemmingsgebied "Agrarisch gebied". Hiervoor gelden voor zover hier van belang de voorwaarden dat het agrarisch bouwperceel gelegen is aan een bestaande weg, een oppervlakte heeft van maximaal 10.000 m2 en wordt toegekend aan een volwaardig agrarisch bedrijf. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, in samenhang met artikel 2.1, vijfde lid, van deze voorschriften, wordt onder een volwaardig agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf met volledige werkgelegenheid voor ten minste één arbeidskracht met een aanvaardbaar inkomen, waarbij de continuïteit op langere termijn is gewaarborgd.

2.3.2. Vast staat dat DLV een door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in het leven geroepen dienst is, die terzake als deskundig en objectief bekend staat. DLV concludeert in haar rapport dat het nieuw opgezette bedrijf van [belanghebbende] aan de [locatie] overtuigend voldoet aan de criteria van agrarische volwaardigheid met betrekking tot continuïteit, volledige werkgelegenheid voor ten minste één arbeidskracht met een aanvaardbaar inkomen, hoofdberoep 'agrarisch' en levensvatbaarheid.

2.3.3. De door [appellant] opgestelde en ingebrachte begroting voor de vestiging van het agrarische bedrijf is gebaseerd op andere aannames en uitgangspunten op het gebied van kosten en investeringen dan het door DLV beoordeelde investeringsplan van [belanghebbende]. [appellant] heeft zijn betoog dat het hierover uitgebrachte DLV-rapport onjuiste aannames bevat niet onderbouwd met feiten of gegevens, die de Afdeling aanleiding geven om aan de conclusies van het DLV-rapport te twijfelen. Het betoog van [appellant] dat DLV een commercieel bedrijf betreft dat in opdracht van [belanghebbende] onderzoek heeft gedaan naar de toekomstige bedrijfsvoering op het perceel, is daarvoor onvoldoende. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat het college ten onrechte van mening is dat aan de wijzigingsvoorwaarden wordt voldaan.

2.4. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd is met provinciaal beleid omdat het voorziet in een tweede bedrijfswoning. Uit de stukken, noch het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat het nieuw op te richten bedrijf van [belanghebbende] reeds beschikt over een bedrijfswoning of over de planologische mogelijkheid een bedrijfswoning op te richten. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het wijzigingsplan niet in strijd is met het provinciaal beleid.

2.5. De Afdeling acht door [appellant] voorts niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan ernstige hinder voor de uitoefening van zijn agrarische bedrijf met zich brengt. Door de wijziging van het bestemmingsplan zal ook het gebruik van knalapparaten waarvoor een milieuvergunning is vereist, niet onmogelijk worden gemaakt. Voor de verlening van de milieuvergunning is in dit geval van belang dat in de nabijheid van het perceel van [appellant] reeds een burgerwoning aan [locatie a] aanwezig is. De Afdeling acht eveneens niet aannemelijk gemaakt dat het wijzigingsplan een ernstige aantasting van landschappelijke waarden meebrengt, waarbij de Afdeling in aanmerking neemt dat door [appellant] niet aannemelijk is gemaakt dat met het behoud van de huidige landschappelijke waarden ter plaatse een zwaarwegend belang is gemoeid. Ook acht de Afdeling geen ernstige verkeershinder in de vorm van klei op de weg als gevolg van transport gedurende de oogsttijd en parkeeroverlast op de openbare weg aannemelijk gemaakt.

2.6. [appellant] betoogt dat er geen noodzaak bestaat voor het toekennen van een agrarisch bouwvlak ter plaatse en dat alternatieven bestaan.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat volgens het college van burgemeester en wethouders de vestiging van nieuwe agrarische bedrijven in het landelijk gebied als één van de primaire beleidsdoelstellingen wordt gezien, omdat dit mede de landschappelijke vitaliteit van het gebied stimuleert. In dit verband is volgens het college van burgemeester en wethouders de kwaliteit van het agrarisch gebied mede een gevolg van het agrarisch gebruik van de grond, terwijl het agrarisch gebruik veelal samengaat met een bedrijf met de daarbij behorende bebouwing. De wijzigingsbevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 5.2 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" zijn voor dit doel in het bestemmingsplan opgenomen.

2.6.2. Voor zover [appellant] betoogt dat andere percelen meer geschikt zijn voor de vestiging van een nieuw bedrijf door [belanghebbende], overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het wijzigingsplan. Alternatieven behoeven eerst aan de orde te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het wijzigingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.7. Voor het overige heeft [appellant] zich wat zijn bezwaren betreft in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zich geschaard achter de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de zienswijzen. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen onjuist zou zijn.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

177-602.