Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200708872/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Brielle (hierna: de raad) bij besluit van 13 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/338
JBO 2009/12 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708872/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1A] en [vennoot 1B], [appellante sub 1B], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1C] en [vennoot 1D], en [appellant sub 1C], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3] en anderen, wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellante sub 5], gevestigd te [plaats],

6. [appellanten sub 6], gevestigd te [plaats],

7. [appellante sub 7], gevestigd te [plaats],

8. [appellante sub 8], gevestigd te [plaats],

9. [appellante sub 9], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot 9A] en [vennoot 9B],

10. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10 B], wonend te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellante sub 12], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Brielle (hierna: de raad) bij besluit van 13 maart 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] (tezamen hierna: [appellanten sub 1A] e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2007, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2008, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2008, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2007, [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, [appellanten sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, [appellante sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, [appellante sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, [appellante sub 9], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2008, en [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2008, en [appellante sub 12] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2007, beroep ingesteld.

[appellante sub 1A] e.a. hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2008, [appellante sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2008, [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2008, [appellanten sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2008, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2008 en [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2008.

Bij brief van 4 maart 2008 heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het StAB-rapport). De raad en [appellanten sub 6] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2008, waar [appellante sub 1A] e.a., vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, vergezeld van [gemachtigden], [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 9], [appellante sub 12], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellante sub 8], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt vergezeld van [gemachtigde], [appellante sub 7], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, vergezeld van [gemachtigde], [appellante sub 5], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen vergezeld van [gemachtigde], [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], vertegenwoordigd door H. Verveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. Molenwijk, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd mr. P. van Eijk en W. van Noord, ambtenaren in dienst van de gemeente, en door A.I. de Heijboer, wethouder grondgebied van de gemeente Brielle.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. [appellante sub 12] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan ingediend.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in het feit dat [appellante sub 12] naar haar zeggen is afgegaan op hetgeen van de zijde van de gemeente destijds is aangegeven over de op het van belang zijnde perceel komen te rusten bestemming. Het niet inzien van het ter visie gelegde ontwerpplan komt voor haar risico.

2.2. Het beroep van [appellante sub 12] is niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.4. Het plan heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Brielle, met uitzondering van de stad Brielle en de kernen Vierpolders en Zwartewaal. Het plan heeft tot doel de voorheen geldende planologische regelingen voor het buitengebied van de toenmalige gemeente Brielle, Vierpolders en Zwartewaal - alle daterend uit het eind van de jaren 80 van de vorige eeuw en als sterk verouderd beschouwd - te actualiseren en te integreren in één bestemmingsplan. De doelstelling van het plan is verder het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied van Brielle door middel van de aanpak van verspreid glas en het versterken van groen en blauw in het plangebied. Voorts wordt de hoogwaardigheid van het woongebied versterkt door de Ruimte-voor-Ruimteregeling op maat toe te passen en woningen geclusterd te realiseren. Het plan voorziet in woningbouw aan de Hoonaardweg en Voorweg.

Verspreide glaslocaties ten behoeve van glastuinbouwbedrijven in het plangebied, die volgens het voorheen geldende bestemmingsplan nog kunnen worden ontwikkeld, worden wegbestemd met uitzondering van enkele biologische glastuinbouwbedrijven. Hiervoor wordt onder andere gebruik gemaakt van de regeling Ruimte voor Ruimte (nota Regels voor Ruimte). In Brielle zijn drie glasconcentratiegebieden nabij Vierpolders (samen zone AG1). Aan het bestaande glasconcentratiegebied ten westen van Vierpolders wordt een gebied van 25 hectare toegevoegd (Piek-locatie) om de saneringsoperatie van het verspreide glas in de gemeente Brielle financieel en ruimtelijk mogelijk te maken. Op deze locatie wordt ruimte gecreëerd om het "opgeruimde" verspreide glas op duurzame wijze te bundelen. Het gebied ten westen van Brielle (Tinte - zone AG2) krijgt in het plan de aanduiding glasintensiveringsgebied. Binnen dit gebied kunnen bestaande bedrijven hun bedrijfsvoering duurzaam voortzetten. Tevens biedt het plan de bestaande glastuinbouwbedrijven aan de Bollaarsdijk, de Hoonaardweg en Schrijversdijk, ten westen van de vesting (Brielle-West - AG3), de mogelijkheid om onder voorwaarden uit te breiden.

In het plan zijn de gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied tot uitdrukking gebracht in een drie lagen opzet. In de eerste laag - op perceelsniveau - zijn gedetailleerde bestemmingen toegekend aan de diverse aanwezige functies. Deze bestemmingen zijn weergegeven op de bladen 1, 2 en 3 van de plankaart (hierna: kaartblad 1, 2 en 3). In de tweede laag - op gebiedsniveau - zijn bestemmingen toegekend aan gebieden op basis van een zonering binnen deze gebieden, zoals weergegeven op blad 5 van de plankaart (hierna: kaartblad 5). In de derde laag - de beschrijving in hoofdlijnen in de planvoorschriften - zijn de gemeentelijke beleidsvisie en beleidsdoelstellingen vastgesteld die aan het plan ten grondslag liggen.

I. Beroepen glastuinbouw

2.5. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische doeleinden (A) bestemd voor grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw, alsmede voor:

a. ter plaatse van de subbestemming Ag: een glastuinbouwbedrijf;

b…

c. ter plaatse van de subbestemming As: een sierteeltbedrijf;

d. ter plaatse van de subbestemming Agb: uitsluitend biologische glastuinbouwbedrijf;

e. …

f. ter plaatse van de subbestemming Ag\a: een glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan;

g…

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften

mogen op deze gronden ten dienste van de (sub)bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. gebouwen en de daarbij behorende bedrijfswoning met aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen de aanduidingen op de plankaart en de volgende bepalingen:

a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van terreinafscheidingen en kassen, mogen uitsluitend op gronden met de nadere aanduiding "bouwvlak" (b) worden gebouwd;

b. kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, (zoals waterbassins en silo's) mogen uitsluitend ter plaatse van de subbestemmingen Ag, Agb en As(b) worden gebouwd;

c…

d…

e…

f…

g. overigens geldt, voor zover thans van belang, het volgende:

- bedrijfsgebouwen en overkappingen:

de maximale oppervlakte bedraagt een geheel bouwvlak, de maximale goothoogte bedraagt 4,5 m en de maximale bouwhoogte 10 m;

- kassen ter plaatse van Ag en Agb

de maximale oppervlakte bedraagt 3 hectare per bestaand bedrijf, de maximale goothoogte bedraagt 4,35 m en de maximale bouwhoogte 6 m;

- kassen ter plaatse van As(b):

de maximale oppervlakte bedraagt de oppervlakte zoals aangegeven op de plankaart, de maximale goothoogte bedraagt 4,35 m en de maximale bouwhoogte 6 m.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 4 sub g ten behoeve van het toestaan van een maximale goothoogte van 6,5 m indien een dergelijke goothoogte noodzakelijk is voor de opslag van akkerbouw- of vollegrond tuinbouwproducten.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de planvoorschriften, met als kopje vrijstellingsbevoegdheid grotere goot- en bouwhoogte voor kassen in zones AG1 en AG2, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3, lid 4, sub g, voor het toestaan van een maximale goot- en bouwhoogte in de zones AG1 en AG2, van 7 respectievelijk 9 m, met inachtneming van het volgende:

a. een hogere goot- en bouwhoogte dient vanuit bedrijfseconomische overwegingen noodzakelijk te zijn;

b. alvorens vrijstelling te verlenen, wordt omtrent de bedrijfseconomische noodzaak eerst advies ingewonnen bij een agrarische deskundige.

Ingevolge artikel 24, achtste lid, van de planvoorschriften, met als kopje vrijstellingsbevoegdheid grotere goot- en bouwhoogte voor kassen in de zone AG3 en bij de bestemming Agb, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 3, lid 4, sub g voor het toestaan van een maximale goot- en bouwhoogte in de zone AG3, en bij de bestemming Agb van 6 respectievelijk 8 m, met inachtneming van het volgende:

a. een hogere goot- en bouwhoogte dient vanuit bedrijfseconomische overwegingen noodzakelijk te zijn;

b. alvorens vrijstelling te verlenen, wordt omtrent de bedrijfseconomische noodzaak eerst advies ingewonnen bij een agrarische deskundige.

Het beroep van [appellante sub 9]

2.6. [appellante sub 9] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische Doeleinden (A)" ter plaatse van de gronden aan de Kloosterweg waar haar bedrijf is gevestigd. Zij betoogt dat haar glastuinbouwbedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd, dat het plandeel ongeschikt is voor grondgebonden agrarische doeleinden en zich alleen leent voor glastuinbouw. Zij voert aan dat sprake is van strijd met het provinciale beleid omdat het handhaven van beperkt verspreid liggend (bestaand) glas is toegestaan. Voorts betoogt [appellante sub 9] dat er sprake is van willekeur omdat andere niet in het glastuinbouwconcentratiegebied gelegen glastuinbouwbedrijven wel worden gehandhaafd. Verder voert zij aan dat het plandeel niet uitvoerbaar is omdat er geen duidelijkheid bestaat over de aankoop van haar perceel.

2.7. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd en verwezen naar het provinciale beleid neergelegd in het Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam RR2020 (het streekplan en het regionaal structuurplan) (hierna: het RR2020), de Streekplanuitwerking Voorne (hierna: de streekplanuitwerking) en de nota Regels voor Ruimte. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de financiering van de sanering zal worden gedekt door de ontwikkeling van glastuinbouw in zone AG1, de ontwikkeling van woningen in het kader van de "Ruimte-voor-Ruimteregeling", een bijdrage uit de Reserve Glastuinbouw van de provincie en een toegezegde eigen bijdrage van de gemeente.

2.8. [appellante sub 9] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de Kloosterweg, dat blijkens de stukken, waaronder het StAB-rapport, een oppervlakte van ongeveer 2,6 hectare heeft, waarvan 1,6 hectare wordt ingenomen door kassen. Deze gronden vallen ingevolge kaartblad 5 in zone A en hebben ingevolge kaartblad 1 de bestemming "Agrarische doeleinden (A)". Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische doeleinden (A) bestemd voor grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw. Ingevolge de artikelen 3 en 42 van de planvoorschriften mogen deze gronden niet worden gebruikt voor glastuinbouwbedrijven. Het bedrijf is daarmee onder het overgangsrecht gebracht.

2.9. In paragraaf 5.3 van het RR2020 is aangegeven dat het gewenst is om verspreid liggend glas op Voorne op te ruimen, waarbij speciale aandacht is vereist voor nog niet gerealiseerd ("papieren") glas. Instrumenten daarvoor kunnen zijn:

- de Ruimte-voor-Ruimteregeling;

- het in 2020 ingestelde Fonds sanering ongewenst snipperglas;

- het niet als zodanig bestemmen van papieren glasrechten;

- het bieden van nieuwe locaties, waarheen bedrijven kunnen worden verplaatst.

Met name de eerste drie genoemde instrumenten zijn effectieve manieren om de doelstelling te (helpen) bereiken. De sanering van het verspreide glas op Voorne-Putten wordt in de streekplanuitwerking verder vormgegeven.

In hoofdstuk 3 van de streekplanuitwerking is onder het kopje "glastuinbouw op Voorne" aangegeven dat het beleid van de provincie er op is gericht het glas zoveel mogelijk te concentreren in een aantal glastuinbouwgebieden rond Tinte en Vierpolders. Om de ruimtelijke kwaliteit van landschappelijk kwetsbare gebieden buiten de gebieden te verbeteren is het beleid er op gericht verspreid fysiek glas te verplaatsen naar de aangewezen glastuinbouwgebieden of te saneren.

In hoofdstuk 4 van de streekplanuitwerking is aangegeven dat doelstelling van de sanering van verspreid liggend glas is verbetering van de landschappelijke waarden en behoud van openheid van het landschap.

Verspreide glaslocaties, die volgens de voorheen geldende bestemmingsplannen nog kunnen worden ontwikkeld, worden wegbestemd. Met het niet als zodanig bestemmen wordt voorkomen dat er nieuwe, verspreide glastuinbouw in het buitengebied bijkomt. Daarnaast komt verspreide bestaande glastuinbouw in het open landschap en in kwetsbare gebieden in aanmerking voor sanering. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van de regeling Ruimte voor Ruimte. Tot slot blijft glastuinbouw in gebundelde vorm, die op basis van het vorige streekplan is gerealiseerd in glasconcentratiegebieden en glasintensiveringsgebieden, gehandhaafd. Verder is aangegeven dat op een aantal locaties in de gemeente Brielle de grenzen van de concentratie- en intensiveringsgebieden volgens het streekplan 1996 dicht tegen bestaande woonkernen aanliggen. Op deze locaties bevindt zich nu nagenoeg geen glas, maar dit is planologisch-juridisch wel mogelijk. Om te voorkomen dat zichtrelaties van cultuurhistorisch waardevolle elementen worden verbroken en glastuinbouw dichtbij de bestaande en nieuwe woonkernen wordt gerealiseerd, vervalt de aangegeven aanduiding "glasconcentratiegebied" of "glasintensiveringsgebied" op een aantal nog niet met glas bebouwde percelen. Aan de westkant van het intensiveringsgebied Tinte nabij de Kloosterweg zal vanwege een functieverandering van een bedrijf het glasintensiveringsgebied verkleind worden.

Verder is aangegeven dat om de saneringsoperatie van het verspreide glas financieel en ruimtelijk mogelijk te maken de gemeente Brielle een nieuw gebied krijgt van 25 hectare met de bestemming glastuinbouw (de zogenaamde Piek-locatie).

2.10. In hoofdstuk 15 van de plantoelichting waarin wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het plan is aangegeven dat een ontwikkeling waar de gemeente een financiële verantwoordelijkheid voor draagt het beleid met betrekking tot het saneren van glas betreft. Hiervoor dient de financiële haalbaarheid inzichtelijk te worden gemaakt. De gemeente heeft financiële middelen ingezet voor de aankoop van gronden ten behoeve van nieuwe glastuinbouwbedrijven in de zone AG1 en tevens een groot aantal glastuinbouwbedrijven wegbestemd. Ter compensatie wordt de Ruimte-voor-Ruimteregeling toegepast. Voor de sloop van elke 5.000 m2 glas mag een woning worden gebouwd. Om het saneringsbeleid financieel rond te krijgen, heeft de gemeente tevens een aanvraag ingediend voor een bijdrage uit het glassaneringsfonds. De verwachting is dat de aanvraag gehonoreerd zal worden.

2.11. De Afdeling stelt voorop dat het niet als zodanig bestemmen van het bedrijf van [appellante sub 9] in overeenstemming is met het provinciaal beleid. De gronden van het bedrijf van [appellante sub 9] vallen buiten de glasconcentratie- en glasintensiveringsgebieden zoals die zijn aangegeven in de streekplanuitwerking. In de streekplanuitwerking is aangegeven dat, om te voorkomen dat zichtrelaties van cultuurhistorisch waardevolle elementen worden verbroken en glastuinbouw dichtbij de bestaande en nieuwe woonkernen worden gerealiseerd, de aangegeven aanduiding glasconcentratie- of glasintensiveringsgebied op een aantal nog niet met glas bebouwde randen vervalt. Dit geldt ook voor de Kloosterweg. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de zichtrelaties, waardevolle elementen en nabijheid bij een woonkern aanleiding zijn geweest om de gronden van [appellante sub 9] geen deel te laten uitmaken van een glasconcentratie- of glasintensiveringsgebied.

De bedoeling van het plan is om te komen tot een vergroting van de ruimtelijke kwaliteit onder andere door middel van het saneren van verspreid glas. Anders dan [appellante sub 9] heeft gesteld, heeft het saneren van verspreid glas dat is gelegen buiten de glasconcentratie- en glassaneringsgebieden niet alleen betrekking op papieren glas maar ook op fysiek bestaand glas, zoals in haar geval aan de orde.

Van willekeur is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake.

Er zijn uitzonderingen gemaakt op het uitgangspunt dat verspreide glaslocaties in het plangebied worden wegbestemd voor enkele biologische glastuinbouwbedrijven. De raad en ook het college hebben het standpunt ingenomen dat het hierbij om zodanige bijzondere bedrijven gaat dat op het beleid een uitzondering dient te worden gemaakt. In het geval van [appellante sub 9] is geen sprake van een zodanig bijzondere situatie, dat afwijking van het beleid is gerechtvaardigd. Dat hiervan wel sprake zou zijn, is ook niet gesteld. Voorts zijn er nog de bestaande bedrijven in Brielle-West (zone AG3). Het gaat hier ook om bedrijven die al bestonden en die buiten de concentratie- en intensiveringsgebieden zijn gesitueerd. Deze bedrijven onderscheiden zich van het bedrijf van [appellante sub 9] omdat zij verder van de woonkern van Brielle zijn gelegen en de zichtrelaties, waardevolle elementen en nabijheid bij een woonkern geen aanleiding zijn geweest om tot sanering van bedrijven over te gaan.

2.12. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat het plandeel ongeschikt is voor grondgebonden agrarische doeleinden en zich alleen leent voor glastuinbouw. Voor zover hiermee is gedoeld op de omvang van het perceel merkt de Afdeling op dat zij het niet aannemelijk acht dat het perceel - gelet op de omvang - niet overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt.

2.13. Ten aanzien van het betoog omtrent de onuitvoerbaarheid van het plandeel, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er op dit moment met een groot aantal wegbestemde glastuinders overeenstemming is bereikt omtrent sanering. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van de raad vermeld dat met 30 van de 34 bedrijven inmiddels overeenstemming is bereikt en dat van de resterende 4 bedrijven naar alle waarschijnlijkheid met 2 bedrijven binnen afzienbare termijn overeenstemming zal worden bereikt.

De raad heeft de intentie uitgesproken dat het saneren van het verspreide glas en daarmee de realisatie van de nieuwe bestemming binnen de planperiode voltooid zal zijn, hetgeen betekent dat overgegaan zal worden tot onteigening indien binnen de planperiode geen overeenstemming wordt bereikt op grond van een minnelijk overleg.

2.14. Blijkens de plantoelichting zal de financiering van de sanering worden gedekt door de ontwikkeling van glastuinbouw in de zone AG1, de ontwikkeling van woningen in het kader van de "Ruimte-voor-Ruimteregeling", een bijdrage uit de Reserve Glastuinbouw van de provincie en een mogelijke eigen bijdrage van de gemeente.

2.15. Op grond van het voorgaande concludeert de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitvoerbaarheid van het plan voldoende is aangetoond.

2.16. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische Doeleinden (A)" ter plaatse van de gronden aan de Kloosterweg waar haar bedrijf is gevestigd niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 1A] e.a.

2.17. [appellante sub 1A] e.a. stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" ter plaatse van de gronden van [appellante sub 1B] aan de [locatie 1] te [plaats]. Zij betogen dat het in het voorgaande bestemmingsplan opgenomen oorspronkelijke glastuinbouwconcentratiegebied ten westen van Vierpolders in het voorliggende plan ten onrechte met ongeveer 11 hectare is verkleind in ruil voor het creëren van een nieuw concentratiegebied in het land van Piek. Als gevolg van deze uitruil zijn de gronden van [appellante sub 1B] buiten het concentratiegebied komen te vallen, waardoor deze gronden niet meer kunnen worden benut voor de uitbreiding van de bedrijven van [appellante sub 1A] en van [appellante sub 1C]. Zij hebben aangevoerd dat er overeenkomsten zijn gesloten volgens welke [appellante sub 1A] het grootste deel van zijn perceel verkoopt aan [appellante sub 1C], die daardoor zijn kassen kan uitbreiden met de bestaande kassen van [appellante sub 1A]. [appellante sub 1A] zou een blok in het zuidwestelijk deel van de nog onbebouwde gronden van [appellante sub 1B] aankopen om hierop nieuwe kassen voor zijn glastuinbouwbedrijf te bouwen. Op deze wijze willen [appellante sub 1A] en [appellante sub 1C] de bedrijfsbeëindiging van [appellante sub 1B] benutten voor een aanzienlijke uitbreiding van hun bedrijven, hetgeen onder het plan niet meer mogelijk is. Volgens [appellante sub 1A] e.a. is de uitruil van gebieden zoals het plan die voorstaat niet nodig omdat de leidingstrook ten noorden van de gronden van [appellante sub 1A] geen belemmering vormt voor de uitbreiding van de glasopstanden. Zij betogen dat het college ten onrechte heeft gesteld dat er geen ontheffingen door Total zijn verleend ten behoeve van de bouw van kassen ter plaatse van de leidingstrook omdat die er wel zijn. [appellante sub 1A] e.a. hebben voorts aangevoerd dat het college ten onrechte een geweigerde bouwvergunning bij zijn besluit heeft betrokken, omdat die los staat van een goede ruimtelijke ordening.

2.18. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Het college heeft aangegeven dat de betreffende percelen binnen de zogenoemde toetsingsafstand van de in het plangebied gelegen olieleiding liggen. Deze toetsingsafstand dient in beginsel te worden aangehouden en bedraagt in dit geval voor glastuinbouw 5 m. Voorts heeft het college er op gewezen dat [appellante sub 1A] e.a. er geen gehoor aan hebben gegeven om de ontheffingen om binnen de veiligheidsafstand te mogen bouwen, over te leggen. Voorts heeft het college in aanmerking genomen dat de aangevraagde bouwvergunning voor de oprichting van een kas op het perceel langs de Oude Dijk/[locatie 2] te [plaats] is afgewezen.

2.19. De raad heeft ten aanzien van het vervallen van de 11 hectare glastuinbouwgrond in aanmerking genomen dat het plangebied boven verschillende leidingen ligt, waarbij hij, geadviseerd door de DCMR, zich op het standpunt heeft gesteld dat de externe veiligheid zich niet verdraagt met de aanwezigheid van kassen boven de leidingen.

2.20. [appellante sub 1A] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 2]. [appellante sub 1C] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 3]. [appellante sub 1B] exploiteerde tot voor kort een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 1]. Onder het voorgaande bestemmingsplan mochten deze gronden ook worden gebruikt voor glastuinbouwbedrijven.

2.21. De gronden van [appellante sub 1B] vallen ingevolge kaartblad 5 in zone A en hebben ingevolge kaartblad 2 de bestemming "Agrarische doeleinden (A)". Ingevolge de artikelen 3 en 42 van de planvoorschriften mogen deze gronden niet worden gebruikt voor glastuinbouwbedrijven. Er mogen op deze gronden geen kassen worden gebouwd. Ingevolge artikel 3, vierde lid, sub b, van de planvoorschriften mogen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, (zoals waterbassins en silo's) immers uitsluitend ter plaatse van de subbestemmingen Ag, Agb en As(b) worden gebouwd. Over de gronden van [appellante sub 1B], vlak langs de gronden van [appellante sub 1A], ligt tevens een leidingstrook met een olieleiding en enkele aardgasleidingen. De leidingen zijn op de plankaart met gelijknamige lijnvormige subbestemmingen aangeduid.

2.22. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan was realisering van kassen op de gronden van [appellante sub 1B] mogelijk. Wel golden er beperkingen ter hoogte van de ondergrondse en bovengrondse leidingen, maar deze konden - met toestemming van de desbetreffende leidingbeheerder(s) - in beginsel worden opgeheven.

2.23. De motivering van het college om de bedenkingen die betrekking hebben op de in het plan opgenomen beperkte bouwmogelijkheden op de gronden van [appellante sub 1B] ongegrond te verklaren, ligt in de toetsingsafstand dan wel de veiligheidsafstand van de in het plangebied gelegen olieleiding en de afwijzing van een bouwaanvraag die betrekking heeft op de oprichting van een kas op het perceel langs de Oude Dijk/[locatie 2] te [plaats]. Het college heeft in aanmerking genomen dat niet is gebleken van toestemming van de leidingbeheerder(s) om binnen de veiligheidsafstand te mogen bouwen.

2.24. Vast staat dat leidingbeheerders van de leidingen die in de gronden van het perceel van [appellante sub 1B] liggen schriftelijk toestemming hebben verleend voor het ook binnen de veiligheidsafstand overbouwen met kassen van de aanwezige leidingen. Deze toestemmingen zijn voorts voor het nemen van het bestreden besluit verleend. Uit een besluit van 4 juli 2006 van het college van burgemeester en wethouders van Brielle is verder gebleken dat de weigering om mee te werken aan het verlenen van een bouwvergunning, waar het college in het bestreden besluit naar heeft verwezen, verband hield met het niet verlenen van een binnenplanse vrijstelling voor het verhogen van de bouw- en goothoogte.

2.25. Nu het college de door de leidingbeheerders verleende toestemming niet in aanmerking heeft genomen en de door het college aangehaalde geweigerde bouwvergunning verband hield met strijd met de hoogtematen uit het voorgaande bestemmingsplan, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het bestreden plandeel ter plaatse van de gronden van [appellante sub 1B] niet berust op een deugdelijke motivering.

2.26. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1A] e.a. hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" ter plaatse van de gronden van [appellante sub 1B] aan de [locatie 1] te [plaats] niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.27. Het beroep van [appellante sub 1A] e.a. richt zich verder tegen de goedkeuring door het college van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften voor zover daarin is bepaald dat voor kassen de goothoogte maximaal 4,35 m en de bouwhoogte niet meer dan 6 m mag bedragen en tegen de goedkeuring van artikel 24, tweede lid, in welk artikel vrijstellingsmogelijkheden zijn opgenomen voor genoemde goot- en bouwhoogte indien dit uit bedrijfseconomische overwegingen noodzakelijk is. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de huidige generatie kassen mede als gevolg van technische voorzieningen op het gebied van het kasklimaat en de beperking van emissies een hogere goot- en bouwhoogte hebben dan ingevolge artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften is toegestaan en dat het in strijd is met een goede ruimtelijke ordening deze hoogten niet bij recht vast te stellen maar uitsluitend door middel van een vrijstelling mogelijk te maken. Voorts hebben [appellante sub 1A] e.a. betoogd dat het college de keuze van de raad om de hogere goot- en bouwhoogten die met vrijstelling mogelijk worden gemaakt eerst te kunnen toetsen op de economische noodzaak ten onrechte aanvaardbaar heeft geacht. Zij hebben daartoe aangevoerd dat indien een kas om een andere reden moet worden verhoogd, bijvoorbeeld vanwege milieutechnische noodzaak, het de vraag is of dat mogelijk is met vrijstelling.

2.28. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de regeling omtrent de hoogtematen enerzijds voldoende ruimte moet bieden voor duurzame bedrijfsvoering en anderzijds rekening moet houden met belangen van omwonenden en het landschap. Het college heeft onder verwijzing naar de streekplaneis van een eenduidige regeling in glasconcentratie- en intensiveringsgebieden ingestemd met het voor de zones AG1, AG2 en AG3 opgestelde eenduidige beleid op grond waarvan in genoemde zones via een vrijstelling een goot- en bouwhoogte van 7 en 9 m mogelijk is. Het college acht het niet onaanvaardbaar dat het gemeentebestuur door middel van een vrijstellingsregeling de bedrijfseconomische noodzaak van een grotere goot- en bouwhoogte als extra toetsingscriteria in het plan heeft opgenomen.

2.29. Op de gronden van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1C] rust ingevolge het plan de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)".

2.30. Het betoog van [appellante sub 1A] e.a. dat de huidige generatie kassen mede als gevolg van technische voorzieningen op het gebied van het kasklimaat en de beperking van emissies een hogere nok- en goothoogte hebben dan ingevolge artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften bij recht is toegestaan, is door de raad en het college niet gemotiveerd weersproken.

Het college heeft weliswaar verwezen naar de regeling in de voorheen geldende bestemmingsplannen waar ook dergelijke hoogten zijn opgenomen, maar in het StAB-rapport is vermeld dat de voorheen geldende plannen waarop de raad en het college doelen ongeveer 20 jaar oud zijn. Dit is niet weersproken door de raad en het college. De Afdeling acht het aannemelijk dat de ontwikkelingen die sindsdien hebben plaatsgevonden in de glastuinbouw niet zonder gevolgen zijn gebleven voor de hoogte van de kassen die uit teelttechnisch, milieutechnisch en bedrijfstechnisch oogpunt thans gangbaar worden geacht. In het StAB-rapport wordt dit ook onderschreven.

2.31. De Afdeling acht het in strijd met een goede ruimtelijke ordening indien de thans gangbare kassen uitsluitend kunnen worden gerealiseerd na het verlenen van vrijstelling. Dit klemt te meer in geval de kassen zijn gelegen in zone AG1 omdat de hoofddoelstelling van deze zone is de glastuinbouwsector alle ruimte te geven voor een ontwikkeling naar een technisch hooggekwalificeerde, duurzame en hoogwaardige bedrijfsvorm.

2.32. Gelet op hetgeen is overwogen in voorgaande rechtsoverweging geeft hetgeen [appellante sub 1A] e.a. hebben aangevoerd omtrent de hoogtematen van kassen aanleiding tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Prinsenweg waar de bedrijven van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1C] zijn gelegen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Door deze plandelen niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 1A] e.a. is ook in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan genoemde plandelen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan genoemde plandelen.

Het beroep van [appellante sub 5]

2.33. [appellante sub 5], die aan de Middelweg een glastuinbouwbedrijf exploiteert, stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg alwaar haar bedrijf is gevestigd, omdat een groot deel van een bestaand bedrijfsgebouw en watersilo's buiten het bouwvlak zijn komen te liggen. Bovendien is het bouwvlak te klein.

2.34. In het bestreden besluit en ter zitting is van de zijde van het college aangegeven dat de watersilo's achter de bouwvlakken aan de Middelweg vallen binnen de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)", dat dit strookt met de systematiek van het plan en dat deze derhalve niet binnen het bouwvlak hoeven te vallen.

2.35. De Afdeling acht dit uitgangspunt onjuist. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit artikel 3, vierde lid, onder a en b, van de planvoorschriften dat watersilo's zowel binnen de nadere aanwijzing "bouwvlak" dienen te worden gebouwd als ook op gronden met de subbestemmingen Ag, Agb en As(b). In artikel 3, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften zijn alleen kassen en terreinafscheidingen uitgezonderd. In artikel 3, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften is bepaald dat kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals waterbassins en watersilo's, uitsluitend ter plaatse van de subbestemmingen Ag, Agb en As(b) mogen worden gebouwd. Uit de redactie van dit voorschrift blijkt niet dat dit is bedoeld als uitzondering op het bepaalde in onderdeel a van dit artikellid, dat moet worden gelezen als een verplichting om ook watersilo's binnen de bouwvlakken de situeren. Ook de tabel in onderdeel g van lid 4 van artikel 3 biedt op dit punt geen uitzondering. Gelet hierop acht de Afdeling het juist dat [appellante sub 5] het bouwvlak zodanig gesitueerd wil zien dat ook de bestaande watersilo's binnen het bouwvlak vallen. In het bestreden besluit is dit miskend. Niet is weersproken dat de watersilo's destijds legaal zijn opgericht. Gelet hierop is een deel van de watersilo's onder het overgangsrecht van het plan gebracht. De Afdeling overweegt hieromtrent dat het onder het overgangsrecht brengen van legaal opgerichte bebouwing aanvaardbaar kan zijn, mits voldoende aannemelijk is dat deze binnen de planperiode zal worden gesloopt, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Niet is gesteld noch gebleken dat de watersilo's binnen de planperiode zullen worden gesloopt. Handhaving is niet mogelijk. Onteigening wordt niet overwogen. Onder deze omstandigheden dient in het plan een bouwblok te worden opgenomen ter plaatse van de Middelweg waar de silo's in passen.

2.36. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling voorts vast dat het college niet heeft onderkend dat uit de kaartjes die door [appellante sub 5] al bij het college zijn overgelegd is gebleken dat een deel van een bedrijfsgebouw aan de Middelweg, buiten het bouwvlak ligt. Niet is weersproken dat dit bedrijfsgebouw destijds legaal is opgericht. Gelet hierop is een deel van het bedrijfsgebouw onder het overgangsrecht van het plan gebracht. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is immers bepaald dat gebouwen voor het glastuinbouwbedrijf uitsluitend op gronden met de nadere aanduiding "b" mogen worden gebouwd. De Afdeling overweegt hieromtrent dat het onder het overgangsrecht brengen van legaal opgerichte bebouwing aanvaardbaar kan zijn, mits voldoende aannemelijk is dat deze binnen de planperiode zal worden gesloopt, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Door [appellante sub 5] is gesteld, hetgeen ook aannemelijk is, dat het bedrijfsgebouw niet binnen de planperiode zal worden gesloopt. Handhaving is niet mogelijk. Onteigening wordt niet overwogen. Onder deze omstandigheden dient in het plan een bouwblok te worden opgenomen ter plaatse van de Middelweg waar het gehele bedrijfsgebouw in past.

2.37. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 5] in zoverre heeft aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg waar het bedrijf van [appellante sub 5] is gevestigd ter plaatse van de watersilo's en een gedeelte van het bedrijfsgebouw, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 5] is in zoverre gegrond.

2.38. Het beroep van [appellante sub 5] richt zich verder tegen de goedkeuring door het college van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften voor zover daarin is bepaald dat voor kassen de goothoogte maximaal 4,35 m en de bouwhoogte niet meer dan 6 m mag bedragen en tegen de goedkeuring van artikel 24, tweede lid, in welk artikel vrijstellingsmogelijkheden zijn opgenomen voor genoemde goot- en bouwhoogte indien dit uit bedrijfseconomische overwegingen noodzakelijk is. Zij heeft daartoe gronden aangevoerd die overeenkomen met die van [appellante sub 1A] e.a., zoals vermeld in rechtsoverweging 2.27.

2.39. Voor de bespreking van deze beroepsgrond verwijst de Afdeling naar rechtsoverwegingen 2.30 en 2.31.

2.40. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.31 geeft hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd omtrent de hoogtematen van kassen aanleiding tot het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg waar het bedrijf van [appellante sub 5] is gevestigd niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door dit plandeel niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 5] is gegrond. Gelet hierop en gelet op het bepaalde in rechtsoverweging 2.37 dient het bestreden besluit te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg waar het bedrijf van [appellante sub 5] is gevestigd, mede omvattend de watersilo's en een gedeelte van het bedrijfsgebouw, zoals aangegeven op het bijgevoegde kaartje. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan genoemd plandeel.

Het beroep van [appellante sub 7]

2.41. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid in artikel 24, zevende lid, van de planvoorschriften die betrekking heeft op de uitbreiding van de oppervlakte van kassen in de zone AG3. Het college heeft daartoe overwogen dat in de streekplanuitwerking de ruimtelijke kaders zijn vastgesteld voor de sanering van verspreid glas. Het voorstel van de raad om bestaande glastuinbouwbedrijven aan de Bollaarsdijk, de Hoonaardweg en Schrijversdijk ten westen van de vesting (hierna: Brielle-West) (zone AG3) uitbreidingsruimte te geven en met groen te omzomen, past niet in de ruimtelijke ambities voor de regio. Het gaat om bedrijven die zijn gevestigd buiten de daarvoor in de streekplanuitwerking aangegeven gebieden voor glastuinbouw. Het toekennen van uitbreidingsruimte (meer dan 3 hectare) aan verspreide glastuinbouwbedrijven is, aldus het college, in strijd met het provinciaal beleid zoals verwoord in het RR 2020, de streekplanuitwerking en de nota Regels voor Ruimte. Er zijn, aldus het college, door de raad geen dringende redenen aangevoerd die zo zwaar wegen dat afwijking van het generieke beleid op dit punt gerechtvaardigd is.

2.42. Ten aanzien van het bedrijf van [appellante sub 7] heeft het college nog overwogen dat het bedrijf in de streekplanuitwerking de voorheen toegestane hoeveelheid glas per bedrijf (3 hectare) heeft behouden en dat de streekplanuitwerking uitbreiding van verspreid liggende glastuinbouwbedrijven niet wenselijk acht. Voor afwijking van dit generieke beleid is, aldus het college, een adequate motivering noodzakelijk. Het college acht de motivering die door [appellante sub 7] naar voren is gebracht, namelijk dat er destijds twee bedrijven zijn aangekocht en het feit dat het bedrijf op slot zal worden gezet en genoodzaakt zal worden om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen, niet zwaarwegend genoeg om afwijking van genoemd beleid te rechtvaardigen.

2.43. [appellante sub 7] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 24, zevende lid, van de planvoorschriften. Zij heeft gemotiveerd betoogd dat het college heeft miskend dat er in haar geval dringende redenen bestaan om vergroting van de oppervlakte toe te staan.

2.44. De gronden van [appellante sub 7], die een glastuinbouwbedrijf exploiteert aan de Hoonaardweg, hebben ingevolge het plan de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" en zijn blijkens kaartblad 5 op gebiedsniveau opgenomen in zone AG, subzone AG3. In artikel 24, zevende lid, van de planvoorschriften is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van de uitbreiding van het oppervlak van kassen in zone AG3. Ingevolge artikel 24, zevende lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd - met toepassing van artikel 11 WRO - de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)" van de gronden, die op kaartblad 5 zijn gelegen binnen zone AG3, in zijn geheel of in delen te wijzigen in de perceelsbestemmingen "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" en "Groenvoorzieningen (GR)", ten behoeve van de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven, met inachtneming van hetgeen is vermeld onder a t/m c.

2.45. Niet bestreden is dat het toekennen van uitbreidingsruimte (meer dan 3 hectare) aan verspreide glastuinbouwbedrijven in Brielle-West (zone AG3) zich niet verdraagt met het provinciaal beleid. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat [appellante sub 7] niet zodanig dringende redenen heeft aangevoerd dat afwijking van het provinciaal beleid gerechtvaardigd is.

2.46. Vast staat dat in het verleden ter plaatse twee bedrijven waren gevestigd en dat die twee bedrijven door [appellante sub 7] zijn aangekocht. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat aan [appellante sub 7] voor beide percelen waar de twee voormalige bedrijven waren gevestigd twee bouwvergunningen zijn verleend voor kassen met een oppervlakte van respectievelijk 17920 m2 en 18240 m2 ten behoeve van de kadastrale percelen BLE 02E, nr. 141 en BLE 02E, nr. 49. Ter zitting is door [appellante sub 7] meegedeeld dat in overeenstemming met deze twee bouwvergunningen twee kassen zijn gerealiseerd. [appellante sub 7] heeft betoogd dat de wens bestaat om de twee met vergunning gerealiseerde kassen uit te breiden naar twee kassen van 3 hectare en dat van de zijde van het gemeentebestuur ook het vertrouwen is gewekt dat dit mogelijk zou zijn, onder meer omdat het gemeentebestuur onder het oude regime heeft willen meewerken aan het realiseren ter plaatse van twee bouwvlakken van 3 hectare. De raad heeft dit onderkend maar heeft aangegeven dat dat voornemen uiteindelijk niet verder is uitgewerkt. Gelet op deze omstandigheden heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat door [appellante sub 7] niet zodanig dringende redenen zijn aangevoerd dat afwijking van het provinciaal beleid op dit punt gerechtvaardigd zou zijn. Dit klemt te meer omdat er thans geen uitbreidingsruimte meer bestaat voor het bedrijf van [appellante sub 7].

2.47. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 7] in zoverre heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 24, zevende lid, van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op het bedrijf van [appellante sub 7] aan de Hoonaardweg niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.48. Het beroep van [appellante sub 7] richt zich verder tegen de goedkeuring door het college van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften voor zover daarin is bepaald dat voor kassen de goothoogte maximaal 4,35 m en de bouwhoogte niet meer dan 6 m mag bedragen en tegen de goedkeuring van artikel 24, achtste lid, in welk artikel vrijstellingsmogelijkheden zijn opgenomen voor genoemde goot- en bouwhoogte indien dit uit bedrijfseconomische overwegingen noodzakelijk is. Zij heeft daartoe gronden aangevoerd die overeenkomen met die van [appellante sub 1A] e.a., zoals vermeld in rechtsoverweging 2.27.

2.49. Voor de bespreking van deze beroepsgrond verwijst de Afdeling naar rechtsoverwegingen 2.30 en 2.31.

2.50. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.31 is overwogen is de conclusie dat hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd omtrent de hoogtematen van kassen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Hoonaardweg waar zij haar bedrijf uitoefent niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door dit plandeel niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan genoemd plandeel. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan genoemd plandeel.

Het beroep van [appellante sub 8]

2.51. [appellante sub 8], die een ecologisch glastuinbouwbedrijf exploiteert aan de [locatie 4] te [plaats], stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw, biologisch (Agb)" ter plaatse van de gronden aan de Kloosterweg waar zij haar bedrijf uitoefent. [appellante sub 8] betoogt dat haar gronden ten onrechte zijn bestemd voor een biologisch glastuinbouwbedrijf. Zij betoogt dat het verplicht stellen van een bepaalde teeltmethode planologisch niet relevant is. Zij voert aan dat zij door de bestemming voor biologische glastuinbouw wordt belemmerd in haar ondernemen. Als de grond niet meer geschikt is voor ecologische teelt, wil zij kunnen overstappen op niet ecologische glastuinbouw hetgeen met deze bestemming niet mogelijk is. Zij stelt verder dat de waarde van haar bedrijf door de met betrekking tot de teeltmethode beperkte bestemming wordt gedrukt. Voorts voert [appellante sub 8] aan dat het bestemmingsplan onvoldoende rechtzekerheid biedt, omdat in de voorschriften van het plan, waaronder de begripsbepalingen, niet is omschreven wanneer een bedrijf voldoet aan de bestemming biologisch glastuinbouwbedrijf. De omschrijving van biologische landbouw in het normale spraakgebruik roept, aldus [appellante sub 8], veel vragen op. Daarnaast wil [appellante sub 8] dat haar bedrijf op gebiedsniveau wordt aangewezen als (sub)zone AG3 in plaats van zone A, omdat het college binnen deze zone de gronden met de bestemming "Agrarische Doeleinden (A)" kan wijzigen in de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" hetgeen ruimte laat voor uitbreiding van haar bedrijf.

2.52. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Het heeft overwogen dat de provincie geen apart beleid heeft inzake biologische glastuinbouw. Het college stelt in het bestreden besluit dat [appellante sub 8] niet aannemelijk heeft gemaakt dat gebruik van de bestaande kassen voor agrarische doeleinden, biologische glastuinbouw, objectief bezien niet langer mogelijk is. Volgens het college is het verzoek van [appellante sub 8] om opgenomen te worden in de zone AG3 niet aan de orde. Verder sluit het college zich aan bij het standpunt van de raad die heeft overwogen dat voor twee bedrijven, waaronder het bedrijf van [appellante sub 8] aan de [locatie 4], die niet binnen een glasconcentratie- of een intensiveringsgebied lagen, een uitzondering is gemaakt op het saneringsbeleid. Deze bedrijven zouden, gelet op hun situering, in aanmerking komen om (weg)gesaneerd te worden. Uitgangspunt is om verspreid glas te saneren en te verplaatsen naar de Piek-locatie. Voor deze bedrijven is een uitzondering gemaakt omdat deze al biologische teelt hadden en sanering en verplaatsing van biologische bedrijven niet eenvoudig is, omdat uit onderzoek is gebleken dat er bij plaatsing van een biologisch glastuinbouwbedrijf op het gebied van ziekten en plagen problemen te verwachten zijn voor wat betreft twee plantenbelagers, te weten de vliegende en/of vrij bewegende insecten en de vrij sporulerenden schimmels.

2.53. Vast staat dat het bedrijf van [appellante sub 8] niet is gevestigd binnen een glasconcentratie- of een intensiveringsgebied en dat voor dit bedrijf uitsluitend omdat het gaat om een glastuinbouwbedrijf waar biologische teelt plaatsvindt een uitzondering is gemaakt op het saneringsbeleid. De Afdeling acht het, nu het gaat om een bestaand bedrijf dat is gevestigd op een uit ruimtelijk oogpunt niet gewenste locatie, maar dat ook niet zonder meer wegbestemd kon worden vanwege de aard van het bedrijf, uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geoorloofd dat uitsluitend de bedrijfsvoering zoals die ter plaatse plaatsvond positief is bestemd.

2.54. Daarnaast wil [appellante sub 8] dat haar bedrijf op gebiedsniveau wordt aangewezen als zone AG3 in plaats van zone A, omdat het college binnen deze zone de gronden met de bestemming "Agrarische Doeleinden, grondgebonden veehouderij/akker- en volle grondstuinbouw (A)" kan wijzigen in de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)", hetgeen ruimte laat voor uitbreiding van haar bedrijf. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de gewenste wijziging van de zone niet meegewerkt kan worden. Gelet op de systematiek van het plan - die volgt uit het provinciale ruimtelijke beleid zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.4 - zijn de zones AG1 t/m 3 maar in een beperkt gebied mogelijk. Niet is gebleken dat bij het indelen van het gebied waar het bedrijf van [appellante sub 8] is gelegen, is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten.

2.55. In de begripsbepalingen van het plan, noch de overige voorschriften is nader omschreven wat onder het begrip biologisch moet worden verstaan. In de doeleindenomschrijving, opgenomen in artikel 3 van de planvoorschriften, is slechts aangegeven dat ter plaatse van de subbestemming Agb uitsluitend een biologisch glastuinbouwbedrijf is toegestaan en is niet nader omschreven wanneer een bedrijf aan die omschrijving voldoet. De Afdeling is van oordeel dat hierdoor een onduidelijke situatie in het leven is geroepen. Moet het bedrijf bijvoorbeeld beschikken over een keurmerk, is zowel een ecologisch bedrijf als een biologisch bedrijf ter plaatse toegestaan en indien het bedrijf geen keurmerk heeft, voldoet het bedrijf dan aan de doeleindenomschrijving. Vallen andere teeltmethoden zoals duurzame landbouw ook onder de subbestemming Agb? Het plan geeft hier geen antwoord op en naar het oordeel van de Afdeling is voor de uitleg van het begrip biologisch het normale spraakgebruik onvoldoende richtinggevend.

2.56. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 8] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw, biologisch (Agb)" ter plaatse van de gronden aan de Kloosterweg waar haar bedrijf is gevestigd, is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door dit plandeel niettemin goed te keuren heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 8] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voornoemd plandeel.

2.57. De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Beroep van [appellant sub 4]

2.58. [appellant sub 4] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "sierteelt (As)" met de nadere aanwijzing "bouwvlak (b) voor zover daar is vermeld '8.500 m2' ter plaatse van de gronden aan de Oude Weg waar zijn sierteeltbedrijf is gevestigd. [appellant sub 4] betoogt dat het plan ten onrechte alleen kassen toestaat op het oostelijk bouwvlak van zijn gronden. Hij voert aan dat de vroeger bestaande bouwmogelijkheid van kassen op het westelijk bouwvlak ten onrechte is wegbestemd. Als gevolg hiervan zijn de bouwmogelijkheden voor kassen met 3.500 m2 verminderd, zo stelt [appellant sub 4]. De uitbreiding van bouwmogelijkheden van bedrijfsruimte op het westelijk bouwvlak is naar zijn mening zinloos omdat hij die voor zijn bedrijfsvoering niet nodig heeft. Hij wijst er ten slotte op dat de Provinciale Planologische Commissie zijn bezwaren in eerste instantie heeft onderschreven.

2.59. Het college heeft in het bestreden besluit ten aanzien van de bedenkingen van [appellant sub 4] geconcludeerd dat op de percelen van [appellant sub 4] met de bestemming "Agrarische doeleinden, sierteelt (As)" met de nadere aanwijzing "bouwvlak (b)" maximaal 8.500 m2 aan verspreid glas mag staan en dat de bouwmogelijkheden voor glas, zoals [appellant sub 4] stelt, weliswaar met 3.500 m2 wordt beperkt ten opzichte van de voorheen toegestane bouwmogelijkheden, maar dat de totale bouwmogelijkheden zijn toegenomen. Ten aanzien van zijn stelling dat hij liever glas dan schuren wil bouwen, heeft het college overwogen dat de noodzaak van meer glas niet voldoende concreet is.

2.60. [appellant sub 4] exploiteert een sierteeltbedrijf aan de Oude Weg bij het Voornese Kanaal. De gronden van [appellant sub 4] liggen volgens kaartblad 5 binnen de zone "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden (ALN)". Deze gronden hebben ingevolge kaartblad 3 de bestemming "Agrarische doeleinden, sierteelt (As)". Binnen deze bestemming zijn - door middel van de nadere aanwijzing "bouwvlak (b)" - twee gekoppelde bouwvlakken aan weerszijden van de Oude Weg geprojecteerd. In artikel 3, vierde lid, sub g, van de planvoorschriften is bepaald dat het maximale oppervlak aan kassen, ter hoogte van de bestemming As(b), op de plankaart wordt aangegeven. Op kaartblad 3 is in het bouwvlak een maximaal bebouwingsoppervlak van 8.500 m2 opgenomen voor ondersteunende sierteeltkassen.

2.61. Tussen partijen bestaat er geen verschil van mening over dat ingevolge het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk Gebied Zwarte Waal" de gronden van [appellant sub 4] ongeveer 12.000 m2 aan bebouwingsmogelijkheden voor glas hadden. Op grond van het plan mag ter plaatse maximaal 8.500 m2 bebouwd worden met kassen en er is een bouwvlak met een bebouwingsmogelijkheid van ongeveer 3.500 m2 overgebleven voor andere bebouwing dan kassen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bouwmogelijkheden op zichzelf niet zijn verminderd, maar alleen de wijze waarop daaraan invulling gegeven mag worden is beperkt. [appellant sub 4] wenst dat hij deze 3.500 m2 ook voor glas mag blijven gebruiken, zoals dat ook onder het voorafgaande regime mogelijk was.

2.62. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom de bouwmogelijkheden voor glas met 3.500 m2 worden beperkt ten opzichte van de voorafgaande bouwmogelijkheden, terwijl de totale bouwmogelijkheden niet zijn afgenomen en [appellant sub 4] gelet op zijn bedrijfsvoering liever glas dan schuren wil bouwen. De motivering dat de noodzaak van meer glas niet voldoende concreet is, acht de Afdeling, gelet op de bestaande bedrijfsvoering, onvoldoende.

2.63. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, sierteelt (As)" met de nadere aanwijzing "bouwvlak (b)" voor zover daar is vermeld 8.500 m2 ter plaatse van de gronden aan de Oude Weg waar zijn sierteelbedrijf is gevestigd niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B]

2.64. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10] (zoon van [appellant sub 10A]) stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg waar de bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend omdat daaraan ten onrechte niet de dubbelbestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 is toegestaan (Ag/a)" is toegekend, die het mogelijk maakt dat op het perceel zowel glastuinbouw als een aannemersbedrijf is toegestaan. Verder stellen zij dat de desbetreffende gronden niet zijn bestemd in overeenstemming met de feitelijke situatie. Volgens [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] loopt de grens van het plandeel met de bestemming ten behoeve van het aannemersbedrijf ten onrechte op de locatie waar nu feitelijk een kas aanwezig is.

2.65. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de argumenten van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] niet zwaarwegend genoeg zijn om de locatie van de huidige kassen te voorzien van de dubbelbestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 is toegestaan (Ag/a)" en dat de raad aan de gronden bestemmingen heeft toegekend die in overeenstemming zijn met de feitelijke situatie. Bovendien laat de systematiek van het plan de gewenste dubbelbestemming niet op alle percelen toe.

2.66. De gronden liggen volgens kaartblad 5 binnen de zone "Agrarisch gebied, glastuinbouw (zone AG)", subzone "AG1". Deze gronden hebben ingevolge kaartblad 2 de bestemming "Agrarische doeleinden, met de subbestemming glastuinbouw (Ag)", behoudens de gronden die zijn gelegen in het kadastrale perceel met nummer F 1134, deze hebben de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 is toegestaan (Ag/a)". Deze laatste gronden zijn bestemd voor een glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan. Op deze gronden is een bouwvlak aangegeven.

2.67. In het StAB-rapport is aangegeven dat [appellant sub 10A] een aannemersbedrijf aan de Middelweg exploiteert, dat [appellant sub 10B] regelmatig werkzaamheden uitoefent voor het aannemersbedrijf van [appellant sub 10A] en dat hij de ter plaatse aanwezige kas gebruikt voor het telen van pot- en vetplanten en een klein gedeelte voor de teelt van druiven. [appellant sub 10B] heeft tevens schapen. Verder is aangegeven dat er op de percelen een schuur aanwezig is die overwegend wordt gebruikt ten behoeve van het aannemersbedrijf en dat er een kas aanwezig is die grenst aan de schuur van het aannemersbedrijf, die overwegend wordt gebruikt door [appellant sub 10B] ten behoeve van de teelt van planten. Dit is niet weersproken.

2.68. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de wens van [appellant sub 10B] en [appellant sub 10A] om op alle gronden een dubbelbestemming op te nemen, gelet op het bestaande gebruik en de systematiek van het plan, niet tegemoet dient te worden gekomen, nu niet alle gronden worden gebruikt ten behoeve van het aannemersbedrijf. In zoverre is het beroep dan ook ongegrond.

2.69. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een rand van de bestaande kas is gelegen binnen het bouwvlak van de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 is toegestaan (Ag/a)". Gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid en vierde lid, van de planvoorschriften kunnen kassen evenwel niet binnen de bestemming "Ag/a" worden gebouwd. Niet weersproken is dat de kas destijds legaal is opgericht. Gelet hierop is een deel van de kas onder het overgangsrecht van het plan gebracht. De Afdeling overweegt hieromtrent dat het onder het overgangsrecht brengen van legaal opgerichte bebouwing aanvaardbaar kan zijn, mits voldoende aannemelijk is dat deze binnen de planperiode zal worden gesloopt, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Niet is gebleken dat de kas binnen de planperiode zal worden gesloopt. Handhaving is niet mogelijk. Onteigening wordt niet voorgenomen. Onder deze omstandigheden dient in het plan een bestemming te worden opgenomen waar de hele kas in past. In het bestreden besluit is dit miskend.

2.70. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] hebben aangevoerd omtrent de situering van de kas aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 is toegestaan (Ag/a)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg waar hun bedrijfsactiviteiten plaatsvinden ter plaatse van de kas niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

II. Overige beroepen

Het beroep van [appellanten sub 6]

2.71. [appellanten sub 6] stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de subbestemming "hovenier behorende tot categorie 3 (ho3)" ter plaatse van de gronden aan de Prinsenweg waar hun bedrijf is gevestigd. Zij betogen dat met deze bestemming ten onrechte de grond-, weg- en waterbouwactiviteiten die reeds lang ter plaatse worden verricht en die waren toegestaan, niet positief zijn bestemd. Nu er aan hun verzoek om deze bestaande, ook door hun rechtsvoorganger uitgevoerde, werkzaamheden die op het perceel plaatsvinden positief te bestemmen niet tegemoet is gekomen, is er aldus [appellanten sub 6] gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, hetgeen het college heeft miskend. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen zij naar een brief van het college van burgemeester en wethouders van 25 februari 1999 gericht aan de rechtsvoorganger van de vennootschappen, waaruit naar hun mening blijkt dat de grond, weg- en waterbouwactiviteiten ter plaatse waren toegestaan, naar toezeggingen van medewerkers van de gemeente en naar een van hen afkomstige brief van 14 september 2000 (in het bestreden besluit staat ten onrechte december) gericht aan de DCMR Milieudienst Rijnmond die, aldus [appellanten sub 6], deel uitmaakt van de bouwaanvraag en waarin zij uitvoerig berichten omtrent hun activiteiten, inclusief de grond- weg- en waterbouwactiviteiten. Ten slotte betogen [appellanten sub 6] dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op hun stelling dat in de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven dat bedrijven die al geruime tijd in het plangebied zijn gevestigd, en waarvoor geen actief saneringsbeleid wordt gevoerd, in principe positief zullen worden bestemd.

2.72. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Het college heeft geconcludeerd dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet worden geschonden.

2.73. De gronden van [appellanten sub 6] aan de [locatie 5] zijn ingevolge kaartblad 2 bestemd tot "Bedrijfsdoeleinden (B)", met de subbestemming "Hovenier behorende tot categorie 3 (ho3)". Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de planvoorschriften zijn de gronden aangewezen voor een hoveniersbedrijf behorende tot categorie 3. Blijkens de stukken, waaronder het StAB-rapport, en het verhandelde ter zitting worden bij [appellante sub 6A] hoofdzakelijk hovenierswerkzaamheden uitgevoerd. [appellante sub 6B] voert werkzaamheden uit in de grond-, weg- en waterbouw. Deze werkzaamheden bestaan uit verhuur van bemande/onbemande machines aan aannemers en uitvoering van grond-, weg- en waterbouwwerken. Het gaat daarbij onder meer om werkzaamheden ten behoeve van een bouwbedrijf. Verder blijkt uit het StAB-rapport dat delen van de loods, die op het perceel aanwezig is, worden verhuurd aan twee bedrijven en dat het daarbij niet uitsluitend om een hoveniersbedrijf gaat.

2.74. Ingevolge artikel 6 juncto 42 (algemeen gebruiksverbod) van de planvoorschriften mogen deze gronden niet worden gebruikt voor grond-, weg en waterbouwwerkzaamheden anders dan ten behoeve van een hoveniersbedrijf. Werkzaamheden ten behoeve van een aannemersbedrijf of verhuur anders dan aan een hoveniersbedrijf verdragen zich niet met artikel 6 juncto 42 van de planvoorschriften.

2.75. In paragraaf 13.8 van de plantoelichting, die betrekking heeft op niet agrarische bedrijven, horeca- en detailhandel, is aangegeven dat de bedrijven die in het voorheen geldende plan positief zijn bestemd of de bedrijven die al gedurende lange tijd in het plangebied zijn gevestigd en waarvoor geen actief saneringsbeleid wordt gevoerd, in principe positief zullen worden bestemd.

2.76. In het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk gebied Vierpolders" had het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

Bij besluit van 4 december 2001 is onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO bouwvergunning verleend ten behoeve van de bouw van een bedrijfshal met kantoren overeenkomstig de bij het besluit behorende gewaarmerkte bescheiden. In het verzoek om een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van de vrijstelling, die deel uitmaakt van de bij het besluit behorende gewaarmerkte bescheiden, is aangegeven dat de bedrijfshal wordt gebouwd ten behoeve van een hoveniersbedrijf.

Bij brief van 6 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders [appellanten sub 6] medegedeeld dat verhuur aan een ander bedrijf dan een hoveniersbedrijf niet is toegestaan, en dat slechts indien de verhuur geschiedt aan een hoveniersbedrijf daartegen niet zal worden opgetreden.

Bij brief van 10 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders aangegeven dat tijdens een controle door een ambtenaar van bouw- en woningtoezicht is geconstateerd dat in strijd met het voorgaande plan ter plaatse een bouwbedrijf wordt uitgeoefend.

2.77. De Afdeling merkt allereerst op dat, anders dan [appellanten sub 6] hebben betoogd, uit de stukken niet is gebleken dat zij bij de bouwaanvraag op grond waarvan bouwvergunning is verleend kenbaar hebben gemaakt dat de te bouwen bedrijfshal tevens benut zou worden ten behoeve van grond-, weg- en waterbouwwerken ten behoeve van een aannemersbedrijf/bouwbedrijf dan wel dat delen van de hal verhuurd zouden gaan worden aan bedrijven, niet zijnde hoveniersbedrijven, en dat in verband daarmee om vrijstelling zou zijn verzocht. Niet aannemelijk is gemaakt dat de brief van 14 september 2000 deel heeft uitgemaakt van de bouwaanvraag ten behoeve waarvan bouwvergunning is verleend. De Afdeling gaat er dan ook vanuit dat de bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfshal uitgaande van het gebruik als hoveniersbedrijf.

2.78. Over het betoog dat het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden merkt de Afdeling op dat de grond, weg- en waterbouwwerkzaamheden en verhuuractiviteiten, ten behoeve van een aannemersbedrijf/hoveniersbedrijf, als deze al plaatsvonden, niet in overeenstemming met het voorgaande plan plaatsvonden en evenmin waren toegestaan op grond van de vrijstelling van 4 december 2001 en dat handhaving onder het plan niet onmogelijk is. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat van schending van voornoemd beginsel geen sprake is.

2.79. Over het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders dan wel individuele ambtenaren, maar bij de raad. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Ten aanzien van de brief van 25 februari 1999 waar [appellanten sub 6] op hebben gewezen, overweegt de Afdeling nog dat deze niet afkomstig is van de raad en dat het beroep daarop reeds daarom geen doel treft. Overigens blijkt uit deze brief dat de intentie is uitgesproken om tot een herziening van het bestemmingsplan te komen, maar daaruit blijkt niet dat, anders dan is gesteld, de grond, weg- en waterbouwwerkzaamheden ten behoeve van een bouwbedrijf en verhuuractiviteiten aan andere bedrijven dan hoveniersbedrijven geen probleem vormden.

2.80. Ook kan niet staande worden gehouden dat het niet positief bestemmen van de activiteiten anders dan in het kader van het hoveniersbedrijf zich niet verdraagt met de plantoelichting. Het legaal gevestigde hoveniersbedrijf is wel positief bestemd. Uit de plantoelichting volgt niet dat de overige (illegale) activiteiten positief dienden te worden bestemd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat tot handhaving zal worden overgegaan.

2.81. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel dat betrekking heeft op de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de subbestemming "hovenier behorende tot categorie 3 (Bho3)" ter plaatse van de gronden aan de Prinsenweg waar hun bedrijf gevestigd is, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Beroep van [appellant sub 11]

2.82. [appellant sub 11] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg die hij gebruikt ten behoeve van zijn schapen. Hij is het niet eens met de bestemming van zijn gronden, omdat bebouwing op deze gronden niet is toegestaan. Ten onrechte voorziet het plandeel niet in een bouwblok dat nodig is voor de huisvesting van zijn schapen terwijl het voorgaande bestemmingsplan voorzag in de mogelijkheid voor het verlenen van ontheffing voor een schuur van 100 m2. Voor zover het besluit samenhangt met het behoud van het zicht op de monumentale boerderij heeft [appellant sub 11] betoogd dat de aanwezige hoge bomen en de (nieuw te bouwen) kassen het zicht op de boerderij nu al belemmeren.

2.83. Het college heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het goedgekeurd.

2.84. [appellant sub 11] gebruikt de gronden waar het plandeel betrekking op heeft om schapen op te weiden en te hooien. Het land is verder in gebruik voor de verbouwing van bieten (als voer voor de schapen) en een klein gedeelte voor aardappelen. De gronden liggen volgens kaartblad 5 binnen de zone "Agrarisch gebied (zone A)" en zijn voorzien van de nadere aanduiding "wijzigingsbevoegdheid Groenvoorzieningen". De gronden hebben ingevolge kaartblad 2 de bestemming "Agrarische doeleinden (A)".

2.85. Ingevolge artikel 3 van de planvoorschriften dient de door [appellant sub 11] gewenste schuur gerealiseerd te worden binnen een bouwvlak. Vast staat dat op de desbetreffende gronden geen bouwvlak aanwezig is. De raad en het college hebben in aanmerking genomen dat het niet noodzakelijk is om op het perceel een schuur te realiseren. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op het perceel van [appellant sub 10A] bebouwing mag plaatsvinden ten behoeve van grondgebonden veehouderij. Ook het houden van schapen valt hieronder. Dit zou betekenen dat de schuilplaats van de schapen niet op het perceel waar zij grazen aanwezig is. Dit is echter in de huidige situatie ook al het geval. Uit de stukken is gebleken dat de schapen tot voor kort werden ondergebracht in een schuur die bij de verderop gelegen monumentale boerderij behoort. In het StAB-rapport is aangegeven dat thans een schuur op de percelen van [appellant sub 10A] aan de overzijde van de Middelweg wordt gebruikt voor de schapen. [appellant sub 11] heeft dit niet bestreden.

2.86. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg die [appellant sub 11] gebruikt voor zijn schapen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met her recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen

2.87. Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 19, zevende lid, sub a, van de planvoorschriften wat betreft de passage "op een grotere diepte dan 50 cm", omdat deze passage zich niet verdraagt met het provinciale beleid, neergelegd in de Handreiking Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland, die is vastgesteld op 13 februari 2007. In deze Handreiking is opgenomen dat een onderzoeksplicht naar monumentale waarden noodzakelijk is vanaf 30 cm onder het maaiveld. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat zij hiertoe is genoodzaakt, nu er op grond van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart aanwijzingen zijn dat er ter plaatse hoge archeologische waarden kunnen voorkomen en het gemeentebestuur niet nader (door middel van archeologisch onderzoek) heeft onderbouwd waarom het is afgeweken van het provinciale beleid en daardoor onduidelijk is in welke mate de mogelijk aanwezige archeologische waarden beschermd moeten worden. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat tijdens de hoorzitting van 21 september 2007 diverse reclamanten hebben aangegeven dat hun gronden (met genoemde medebestemming) in het verleden dermate diep zijn omgeploegd dat afwijken van het provinciale beleid gerechtvaardigd zou zijn. Hoewel er voor enkele percelen aanwijzingen zijn dat dit ook daadwerkelijk het geval is blijft voorafgaand archeologisch onderzoek, aldus het college, vereist. In het bestreden besluit is aangegeven dat het gemeentebestuur tijdens de hoorzitting van 21 september 2007 heeft aangegeven dat archeologische waarden volgend jaar in kaart worden gebracht, nadat archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat vervolgens archeologisch beleid zal worden geformuleerd. Het college heeft de bedenkingen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond verklaard omdat de raad nog geen onderzoek heeft gedaan naar de archeologische waarden in het plangebied.

2.88. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied" op hun percelen. Voorts hebben zij betoogd dat als gevolg van de onthouding van goedkeuring nu voor alle werkzaamheden, ongeacht de diepte, een aanlegvergunning moet worden aangevraagd. Zij voeren aan dat in hun geval een diepte van 1,10 m moet worden gehanteerd. Hun gronden, die lange tijd in gebruik zijn als akkerbouwland, zijn in het verleden dermate diep omgeploegd in verband met grondwerkzaamheden, waaronder het aanleggen van een drainagesysteem, dat afwijken van het provinciale beleid tot ongeveer 1,10 m onder het maaiveld in hun geval gerechtvaardigd is. Mogelijk aanwezige archeologische waarden ten gevolge van de grondwerkzaamheden zijn verloren gegaan. Ten slotte betogen zij dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de artikelen 19, achtste, negende en tiende lid, van de planvoorschriften. Zij voeren daartoe aan dat de kosten voor archeologisch onderzoek ten behoeve van het algemeen belang niet op hen als individuele ondernemers dienen te worden afgewenteld. Zij zijn van mening dat de overheid deze kosten moet dragen omdat zij geen profijt hebben van eventueel archeologische vondsten. Voorts betogen zij dat de algemeen voorkomende werkzaamheden op hun akkerbouwbedrijf dienen te worden vrijgesteld van (de onderzoeksplicht bij het aanvragen van) een aanlegvergunning. Tevens betogen zij dat eerst in opdracht van en voor rekening van de overheid (gemeente) zorgvuldig moet worden geïnventariseerd op welke diepte zich eventueel waardevolle archeologische vondsten bevinden.

2.89. De percelen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen liggen respectievelijk aan de Abbewerveweg en de Rijswaardesedijk. Deze gronden hebben de bestemming "Agrarische doeleinden (A)". Een gedeelte van de gronden van [appellant sub 2] is tevens bestemd als "Archeologisch waardevol gebied". De gronden van [appellant sub 3] en anderen zijn geheel tevens bestemd als "Archeologisch waardevol gebied".

2.90. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Archeologisch waardevol gebied mede bestemd voor de bescherming en het veiligstellen van archeologische waarden.

Ingevolge artikel 19, zevende lid, van de planvoorschriften is het verboden op of in de gronden met de bestemming Archeologisch waardevol gebied, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen (op een grotere diepte dan 50 cm) waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen en aanleggen van drainage, tenzij deze werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor vrijstelling, zoals in lid 4 bedoeld, is verleend;

b. het ophogen van gronden met meer dan 30 cm;

c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

d. het verlagen of verhogen van het waterpeil;

e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

f. het aanleggen van ondergrondse transport, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Ingevolge artikel 19, achtste lid, van de planvoorschriften is het verbod, zoals in lid 7 bedoeld, niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning;

c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 19, negende lid, van de planvoorschriften wordt een aanlegvergunning in ieder geval verleend, indien de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 19, tiende lid, wordt de aanlegvergunning voorts verleend, indien:

a. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het betrokken terrein naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:

- het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

- het doen van opgravingen;

- begeleiding van de activiteiten door de archeologische deskundige.

2.91. In paragraaf 4.3.3. van de plantoelichting is aangegeven dat voor de cultuurhistorische waardering van het plangebied gebruik is gemaakt van de rapportage Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, regio Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee. Daarnaast zijn de Historische Atlas Zuid-Holland en de monumentenlijst gehanteerd. In paragraaf 13.5.2 van de plantoelichting is aangegeven dat uit deze stukken blijkt dat in het plangebied gebieden voorkomen van hoge archeologische waarden en dat een deel van het plangebied is aangemerkt als terrein met een zeer grote kans op archeologische sporen. Daarnaast is een deel gemarkeerd als terrein met een redelijke tot grote kans op archeologische sporen. Ook komen gebieden voor met een lage kans op archeologische sporen. Deze laatste gebieden vereisen geen bescherming. De gronden die zijn aangemerkt als van "hoge archeologische waarde" en de gronden die zijn aangemerkt als met "redelijke tot grote" en "zeer grote" kans op archeologische sporen, worden voorzien van een medebestemming waarin het archeologische belang tot uitdrukking komt. Een medebestemming is wenselijk, zodat de gronden waarin zich (mogelijk) archeologische vindplaatsen bevinden, ook voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt. In de medebestemming wordt tevens bepaald dat voor ingrepen (werken of werkzaamheden) die een bedreiging voor (eventueel) aanwezig archeologische erfgoed kunnen vormen, een aanlegvergunning van het college van burgemeester en wethouders is vereist.

2.92. Ten aanzien van artikel 19, achtste lid, van de planvoorschriften stelt de Afdeling vast dat hierin geen uitzondering is gemaakt voor werken of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming.

Ingevolge artikel 14 van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is:

a. om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;

b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.

Ingevolge de Memorie van Toelichting is een vergunningsvereiste in de zin van artikel 14 van de WRO niet noodzakelijk, indien vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening gezien sprake is van werken of werkzaamheden van niet ingrijpende betekenis of als bij voorbaat vaststaat dat de werken en/of werkzaamheden in overeenstemming zijn met de bestemming.

Naar het oordeel van de Afdeling is in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom in artikel 19, achtste lid, van de planvoorschriften geen uitzondering is gemaakt voor werken of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] daarover hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" voor zover deze tevens zijn bestemd als "Archeologisch waardevol gebied" ter plaatse van de gronden aan de Abbewerveweg en de Rijswaardesedijk waar de bedrijven van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] zijn gelegen niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.93. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied" op hun percelen, overweegt de Afdeling het volgende.

De Afdeling stelt vast dat de raad bij het toekennen van de medebestemming "Archeologisch waardevol gebied" zich voornamelijk heeft gebaseerd op de (kaarten behorende bij de) Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat vóór het vaststellen van het plan bij het gemeentebestuur al het voornemen bestond om nader inventariserend onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de gronden te verrichten en dat het gemeentebestuur zich ten aanzien van de percelen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] destijds al op het standpunt stelde dat de archeologische waarden in deze gronden ten gevolge van jarenlang intensieve bewerkingen tot op flinke diepte verstoord waren. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat het aangekondigde onderzoek vooralsnog in gang is gezet. Blijkens de kaarten behorende bij de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland kent het perceel van [appellant sub 2] slechts op een klein hoekje een redelijke tot grote trefkans op archeologische sporen en ligt het totale perceel van [appellant sub 3] en anderen in een gebied waar een redelijke tot grote trefkans op archeologische sporen bestaat. In het StAB-rapport is aangegeven dat naast de grondwerkzaamheden, waaronder diepploegen, in de desbetreffende gronden drainagesystemen zijn aangelegd, die op meer dan 1 meter diepte in de grond zijn gebracht. De raad en het college hebben dit niet weersproken. Onder de voornoemde geschetste omstandigheden vermag de Afdeling niet in te zien waarom het aangekondigde inventariserend onderzoek naar de archeologische waarden in de gronden, in bijzonder in de gronden waar het gemeentebestuur al twijfel had of die waarden in de gronden voorkwamen, niet voor het vaststellen van het plan heeft plaatsgevonden. De Afdeling is van oordeel dat nu dit onderzoek achterwege is gebleven, van een (zorgvuldige) afweging van de belangen die (mogelijk) zijn betrokken bij de bescherming van de archeologische waarden en de bedrijfsbelangen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2], onvoldoende is gebleken. De Afdeling heeft hierbij ook in aanmerking genomen de vergaande verplichtingen voor [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] die voortvloeien uit de planvoorschriften indien de medebestemming op de percelen rust.

2.94. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd met betrekking tot de medebestemming aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)", voor zover deze tevens zijn bestemd als "Archeologisch waardevol gebied" ter plaatse van de gronden aan de Abbewerveweg en de Rijswaardesedijk waar hun bedrijven zijn gelegen, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] zijn gegrond. Gelet hierop dient het bestreden besluit te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voornoemde plandelen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan genoemd plandelen.

2.95. Gelet hierop wordt aan de bespreking van de beroepsgronden die betrekking hebben op artikel 19, negende en tiende lid van de planvoorschriften niet meer toegekomen.

Proceskostenvergoeding

2.96. Ten aanzien van [appellante sub 1A] e.a., [appellante sub 5], [appellante sub 7], [appellante sub 8], [appellant sub 4], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.97. Ten aanzien van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

2.98. Ten aanzien van [appellante sub 12], [appellante sub 9], [appellanten sub 6] en [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 12] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1A] en anderen, [appellante sub 5], [appellante sub 7], [appellant sub 4], [appellante sub 8] en [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen geheel en de beroepen van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 13 november 2007, kenmerk PZH-2007-542782, voor zover het betreft

a. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" ter plaatse van de gronden van [appellante sub 1B] aan de [locatie 1].

b. de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Prinsenweg waar de bedrijven van [appellante sub 1A] en [appellante sub 1C] zijn gelegen;

c. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Middelweg waar het bedrijf van [appellante sub 5] is gevestigd, mede omvattend de watersilo's en een gedeelte van het bedrijfsgebouw, zoals aangegeven op het bijgevoegde kaartje;

d. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" ter plaatse van de gronden aan de Hoonaardweg waar het bedrijf van [appellante sub 7] is gevestigd;

e. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouw, biologisch (Agb)" ter plaatse van de gronden aan de Kloosterweg waar het bedrijf van [appellante sub 8] is gevestigd;

f. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, sierteelt (As)" met de nadere aanwijzing "bouwvlak (b)" voor zover daarin is vermeld 8.500 m2 ter plaatse van de gronden aan de Oude Weg waar het bedrijf van [appellant sub 4] is gevestigd;

g. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, glastuinbouwbedrijf, waarbij tevens een aannemersbedrijf behorende tot categorie 2 is toegestaan (Ag/a)" voor zover de kas die is gesitueerd op de gronden aan de Middelweg waar de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] plaatsvinden is gesitueerd binnen genoemd plandeel is gesitueerd;

h. de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" voor zover deze tevens zijn bestemd als "Archeologisch waardevol gebied" ter plaatse van de gronden aan de Abbewerveweg en de Rijswaardesedijk waar de bedrijven van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen zijn gelegen,

i. de onthouding van goedkeuring aan artikel 24, zevende lid, van de planvoorschriften voor zover dat betrekking heeft op het bedrijf van [appellante sub 7] aan de Hoonaardweg;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder IIIb, IIIc, IIId, IIIe, IIIg en IIIh genoemde plandelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 13 november 2007;

VI. verklaart de beroepen van [appellante sub 9], [appellanten sub 6], en [appellant sub 11] ongegrond en het beroep van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij:

• [appellante sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 658,39 (zegge: zeshonderdachtenvijftig euro en negenendertig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellante sub 1A] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 672,78 (zegge: zeshonderdtweeenzeventig euro en achtenzeventig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellante sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 658,39 (zegge: zeshonderdachtenvijftig euro en negenendertig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellante sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 658,39 (zegge: zeshonderdachtenvijftig euro en negenendertig cent), waarvan een deel groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

• [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), dat geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

Deze bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan de genoemde (rechts)personen.

VIII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de onder II. bedoelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt op de volgende wijze:

• aan [appellante sub 1A] en anderen, [appellante sub 5], [appellante sub 7] en [appellante sub 8] een bedrag van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro);

• aan [appellant sub 4], [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] gezamenlijk, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen een bedrag van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro).

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

224

<HR>

plankaart