Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1098

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200806320/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten de door [appellant] op 23 november 2006 ingediende aanvraag om een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats] buiten behandeling te laten.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 7.28
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806320/1/M2.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Oisterwijk,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten de door [appellant] op 23 november 2006 ingediende aanvraag om een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats] buiten behandeling te laten.

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. van der Donk en ing. W.A.J.M. Michels, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 26 januari 1995 is voor de inrichting een revisievergunning verleend voor het houden van 5.040 vleesvarkens. Bij besluit van 1 juli 1997 is een op deze revisievergunning gebaseerde veranderingsvergunning verleend voor onder meer een uitbreiding van het aantal vleesvarkens van 5.040 naar 6.048. De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 oktober 1998, in zaak nr. E03.95.0503, het besluit van 26 januari 1995 vernietigd. Bij besluit van 30 maart 1999 is opnieuw een revisievergunning verleend voor het houden van 5.040 vleesvarkens.

De op 23 november 2006 ingediende aanvraag om een revisievergunning heeft onder meer betrekking op het houden van 8.946 vleesvarkens.

2.2. Het college heeft de vergunningaanvraag op grond van artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer buiten behandeling gelaten, omdat daarbij geen milieu-effectrapport is overgelegd. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] op grond van de vigerende revisievergunning van 30 maart 1999 beschikt over bestaande rechten voor het houden van 5.040 mestvarkens. Volgens het college is het opstellen van een milieu-effectrapport verplicht, omdat de aangevraagde vergunning betrekking heeft op het houden van onder meer 8.946 vleesvarkens, waardoor de inrichting ten opzichte van de vergunning van 30 maart 1999 wordt uitgebreid met meer dan 3.000 vleesvarkens.

2.3. In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer) is als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het maken van een milieu-effectrapport verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens.

Ingevolge artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer laat het bevoegd gezag een aanvraag om een besluit buiten behandeling indien bij het indienen van de aanvraag geen milieu-effectrapport is overgelegd.

2.4. [appellant] betoogt dat het college de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten, omdat volgens hem de drempelwaarde waarboven het verplicht is om een milieu-effectrapport op te stellen met de gevraagde vergunning niet wordt overschreden. Hiertoe voert hij aan dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de veranderingsvergunning van 1 juli 1997 is vervallen. Volgens hem moet de revisievergunning van 30 maart 1999 als reparatiebesluit worden aangemerkt van de vernietigde revisievergunning van 26 januari 1995, omdat beide vergunningen op dezelfde aanvraag zijn gebaseerd. Hij stelt dat het ontbreken van een aan de veranderingsvergunning ten grondslag liggende revisievergunning slechts een tijdelijke leemte was die door het reparatiebesluit is hersteld, zodat hij op grond van de revisievergunning van 30 maart 1999 en de veranderingsvergunning van 1 juli 1997 beschikt over bestaande rechten voor het houden van 6.048 vleesvarkens.

2.5. De aan de veranderingsvergunning van 1 juli 1997 ten grondslag liggende revisievergunning van 26 januari 1995 is vernietigd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 mei 1996 in zaak nr. E03.95.1290; BR 1996, 736), moet in een dergelijk geval worden geoordeeld dat als gevolg van de vernietiging van het besluit tot verlening van de revisievergunning, met terugwerkende kracht de grondslag aan de verlening van de veranderingsvergunning is komen te ontvallen. Deze grondslag kan niet herleven doordat na deze vernietiging op basis van dezelfde aanvraag opnieuw een revisievergunning is verleend voor het houden van hetzelfde aantal dieren. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de veranderingsvergunning is vervallen en aan de revisievergunning van 30 maart 1998 slechts rechten kunnen worden ontleend voor het houden van 5.040 vleesvarkens.

2.6. De door [appellant] ingediende aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal te houden vleesvarkens met 3.906. Daarmee wordt de drempelwaarde van 3.000 mestvarkens, zoals opgenomen in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, overschreden. Hieruit volgt dat de aanvraag krachtens artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer buiten behandeling moet worden gelaten wanneer geen milieu-effectrapport wordt overgelegd. Gelet hierop heeft het college de aanvraag terecht buiten behandeling gelaten.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

325-492.