Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200707818/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2007, nummer 1265970, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bernheze (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Centrum Heesch".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/182
JOM 2009/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707818/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellanten sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Aldi Vastgoed B.V. en Aldi Best B.V., gevestigd te Amsterdam,

5. [appellante sub 5], gevestigd te [plaats], en [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C] en [vennoot D], vennoten, allen wonend te [woonplaats],

6. [appellante sub 6], gevestigd te [plaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [plaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2007, nummer 1265970, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bernheze (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Centrum Heesch".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 november 2007, [appellanten sub 2] (hierna tezamen: [appellante sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2007, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2007, de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Aldi Vastgoed B.V. en Aldi Best B.V. (hierna tezamen: Aldi B.V.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2007, [appellante sub 5] en [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C] en [vennoot D] (hierna: [appellanten sub 5]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 november 2007, [appellante sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2007, en [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2007, beroep ingesteld.

[appellanten sub 5] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 december 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3], Aldi B.V., [appellante sub 6] en [belanghebbende] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Deze is aan de andere partijen toegezonden. Aldi B.V. en [appellante sub 6] hebben een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde] bijgestaan door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] bijgestaan door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, [appellant sub 3], [appellante sub 6] vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, Aldi B.V., eveneens vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann, [appellanten sub 5], vertegenwoordigd door [vennoot A] bijgestaan door mr. C.J. Driessen, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door mr. M.T.C.A. Smets, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. J.H.M. van Cuyck, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door R.A.M. Keulards, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Formele bezwaren

2.2. [appellant sub 3] voert als formeel bezwaar aan dat bij de terinzagelegging van het ontwerpplan de plankaart van 1 augustus 2006 ter inzage heeft gelegen, terwijl de voorschriften van het ontwerpplan verwijzen naar de plankaart van 10 mei 2006.

2.2.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande dat in artikel 23 van de WRO enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan de aanvraag tot het nemen van het besluit of het ontwerp van het ambtshalve of op aanvraag te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van ten minste vier weken ter inzage voor hen aan wie ingevolge artikel 3:13 de gelegenheid wordt geboden hun zienswijze naar voren te brengen.

Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) plan, zodat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen.

2.2.2. De vertegenwoordiger van de raad heeft ter zitting toegelicht dat de plankaart van 10 mei 2006 inhoudelijk verschilt van de plankaart van 1 augustus 2006 doordat ambtshalve wijzigingen op de plankaart zijn aangebracht en heeft niet kunnen aangeven of de juiste kaart ter inzage heeft gelegen bij het ontwerpplan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met deze artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plan. In het navolgende zal de Afdeling de ingestelde beroepen bespreken voor zover nog van belang.

Plansystematiek

2.3. [appellante sub 1] en [appellanten sub 5] richten zich in hun beroepschriften tegen de gekozen plansystematiek. Zij hebben concrete bouwplannen voor hun percelen in het plangebied en met betrekking tot deze bouwplannen geldt dat het plan verwezenlijking daarvan niet rechtstreeks, maar eerst na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt.

2.3.1. Blijkens de plantoelichting, het deskundigenbericht, alsmede het verhandelde ter zitting, werkt de gemeente Bernheze projectmatig bij de ontwikkeling van plannen van enige omvang. Na eerste oriënterende gesprekken sluit zij een intentieovereenkomst met de ontwikkelaar om vervolgens, na verdere uitwerking van de plannen, tot een samenwerkingsovereenkomst te komen, welke moet leiden tot een concrete aanvraag voor een bouwvergunning. In het voorliggende plan zijn alleen die bouwplannen rechtstreeks mogelijk gemaakt die in een vergevorderd stadium verkeren in die zin dat daaromtrent ten tijde van de vaststelling van het plan een samenwerkingsovereenkomst was gesloten. Nieuwe ontwikkelingen waaromtrent ten tijde van de vaststelling van het plan een dergelijke overeenkomst nog niet was gesloten, zijn in het plan niet rechtstreeks, maar via toepassing van een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad toegelicht dat de keuze voor deze plansystematiek is ingegeven door de wens van de gemeente bij de beoordeling van het wijzigingsplan een objectieve belangenafweging te kunnen maken en daarbij te kunnen bezien of het wijzigingsplan voldoet aan de actuele gemeentelijke stedenbouwkundige randvoorwaarden waarbij bijvoorbeeld wordt gekeken naar het aantal bouwlagen, bouwhoogte en kapvormen.

2.3.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) verricht het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.

Ingevolge artikel 11 van de WRO, voor zover thans van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders onder bij het plan te bepalen voorwaarden het plan kan wijzigen.

2.3.3. Uit artikel 9 van het Bro 1985 volgt dat in het kader van de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan op het gemeentebestuur de verplichting rust tot het verrichten van het benodigde onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het gemeentebestuur zich reeds voor de vaststelling van het plan een oordeel heeft gevormd over de planologische aanvaardbaarheid van de bouwplannen van [appellante sub 1] en [appellanten sub 5], maar dat omtrent die bouwplannen ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen samenwerkingsovereenkomst was gesloten. Naar het oordeel van de Afdeling is het in artikel 11 van de WRO opgenomen instrument van de wijzigingsbevoegdheid niet bedoeld voor een geval als het onderhavige, waarin concrete bouwplannen waartegen geen planologische bezwaren bestaan niet rechtstreeks in het plan mogelijk worden gemaakt vanwege het ontbreken van een samenwerkingsovereenkomst. Voor zover de raad heeft betoogd dat een dergelijke plansystematiek is ingegeven door ruimtelijk relevante redenen, overweegt de Afdeling dat de stedenbouwkundige voorwaarden waaraan bouwplannen volgens de raad dienen te voldoen in de planvoorschriften kunnen worden neergelegd.

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen van [appellante sub 1] en [appellanten sub 5] zijn reeds hierom gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden" en de aanduiding 'wijzigingsgebied III' ter plaatse van de percelen [locaties 1], alsmede aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden C" ter plaatse van de percelen [locaties 2] en het perceel [locatie 3]. De Afdeling ziet aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plan in zoverre.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.5. [appellante sub 1] heeft voorts gesteld dat de ter plaatse van de percelen [locaties 1] maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter onvoldoende is om haar bouwplan, namelijk 10 appartementen met commerciële ruimten op de begane grond, te kunnen realiseren.

2.5.1. In reactie op de zienswijze van [appellante sub 1] heeft de raad gesteld dat een bouwhoogte van 10 meter op grond van het bouwbesluit voldoende is voor het realiseren van commerciële ruimten op de begane grond en 2 woonlagen. In het deskundigenbericht staat, voor zover thans van belang, dat een maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter in dit geval niet ongebruikelijk is, uitgaande van een bouwlaaghoogte van 4,5 meter voor de winkels op de begane grond en 2,7 meter per woonlaag op de twee volgende verdiepingen. In reactie daarop heeft [appellante sub 1] aangegeven dat een maximale bouwhoogte van 10 meter onvoldoende is voor de realisering van haar bouwplannen omdat bij de eerste woonlaag met een hoogte van 2,7 meter nog de dikte van de tussenvloer moet worden opgeteld, zoals is aangegeven op de tekening van de architect die als bijlage bij het deskundigenbericht is gevoegd. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van [appellante sub 1] verduidelijkt dat men bij de commerciële ruimte op de begane vloer geen dragende binnenmuren wenst aan te brengen om flexibel te kunnen zijn bij de uiteindelijke indeling van deze ruimte. Dit brengt mee dat in de vloer van de eerste verdieping betonnen balken moeten worden aangebracht om deze vloer vrijdragend te maken. Daarvoor is een ruimtebeslag van ongeveer 1,30 meter nodig en daarmee is bij de bouwlaaghoogte van 4,5 meter voor de begane grond geen rekening gehouden, aldus de vertegenwoordiger van [appellante sub 1] ter zitting. In reactie daarop heeft de vertegenwoordiger van de raad het standpunt herhaald dat een bouwhoogte van 10 meter op grond van het bouwbesluit voldoende is voor het realiseren van commerciële ruimten op de begane grond en 2 woonlagen. Daarmee acht de Afdeling het gemotiveerde standpunt van [appellante sub 1] onvoldoende gemotiveerd weerlegd. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van de raad dat een maximale bouwhoogte van 10 meter in dit geval voldoende is.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellante sub 1] is ook hierom gegrond. De goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden C" ter plaatse van de percelen [locaties 1] komt ook wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb in aanmerking voor vernietiging, aangezien de enkele vernietiging van de goedkeuring van het door [appellante sub 1] bestreden bebouwingsvoorschrift er toe zal leiden dat ter plaatse geen voorschrift geldt ten aanzien van de maximaal toegestane bebouwingshoogte.

2.7. [appellante sub 1] stelt verder dat het plan voorziet in een vermindering van het aantal openbare parkeerplaatsen aan 't Dorp waardoor de parkeerdruk op percelen die worden herontwikkeld toeneemt, gelet op het bepaalde in artikel 15.3, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad verduidelijkt dat, voor zover er als gevolg van de herinrichting van openbaar gebied parkeerplaatsen verloren gaan, deze niet hoeven te worden teruggebracht op particulier terrein maar dat deze parkeerplaatsen op openbaar terrein zullen worden teruggebracht. Gelet hierop mist het beroep in zoverre feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.8. [appellant sub 3] is eigenaar van twee aan elkaar grenzende percelen, kadastraal bekend sectie […], nos. […] en […], in het centrum van Heesch. Op perceel no. […], lokaal bekend als [locatie 4], is een makelaarskantoor gevestigd. Perceel no. […] is thans onbebouwd en in gebruik als parkeerplaats ten behoeve van het makelaarskantoor. Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen de goedkeuring van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor perceel no. […] (hierna: het perceel). [appellant sub 3] stelt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een rechtstreekse bouwmogelijkheid op het perceel voor een woongebouw met drie lagen met een kantoorfunctie op de begane grond. Een directe bouwmogelijkheid bespaart veel tijd en is in overeenstemming met de gemeentelijke structuurvisieplus "Bernheze op Koers" als ook met provinciaal en gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid. Het plan en het bestreden besluit zijn op dit punt onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellant sub 3].

2.8.1. Het perceel heeft de bestemming "Centrumranddoeleinden CR" en is volgens artikel 4.1. van de planvoorschriften bestemd voor onder meer woongebouwen en hoofdgebouwen ten behoeve van bestaande detailhandelsvestigingen, bestaande horecabedrijven en bestaande dienstverlenende voorzieningen en aan- en uitbouwen, bijgebouwen en gebouwtjes voor nutsvoorzieningen met daaraan ondergeschikt wegen en paden, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge artikel 4.2.2., onder b, is op gronden met deze bestemming het oprichten van nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen niet rechtstreeks toegestaan, tenzij sprake is van vervangende nieuwbouw. Op grond van het bepaalde in artikel 4.7 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om, onder voorwaarden, het plan te wijzigen in die zin dat op gronden met deze bestemming een bebouwingsmogelijkheid voor nieuwe woningen ontstaat.

2.8.2. De Afdeling stelt vast dat op het perceel geen woongebouw of hoofdgebouw ten behoeve van bestaande detailhandelsvestigingen, bestaande horecabedrijven of bestaande dienstverlenende voorzieningen aanwezig is. Uit artikel 4.2.2., onder b van de planvoorschriften volgt dat dergelijke bebouwing niet kan worden opgericht op het perceel. Derhalve zijn ter plaatse ook geen daaraan ondergeschikte wegen en paden, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen en bouwwerken toegestaan. Uit de planvoorschriften volgt dat op het perceel enkel gebouwtjes voor nutsvoorzieningen zijn toegestaan. De raad heeft zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] is ook hierom gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumranddoeleinden CR" ter hoogte van perceel no. [...] aan 't Dorp. De Afdeling ziet aanleiding zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan het plan in zoverre.

Het beroep van [appellanten sub 5]

2.10. Het beroep van [appellanten sub 5] is, voor zover thans nog van belang, gericht tegen de goedkeuring van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor het achterste gedeelte van het perceel [locatie 5], gelegen aan de Binnenpas. Zij wensen daar twee woningen op te richten, maar het bouwvlak biedt slechts ruimte voor één woning.

2.10.1. Het achterste gedeelte van het perceel [locatie 5], gelegen aan de Binnenpas, heeft de bestemming "Woondoeleinden W" en is volgens artikel 5.1. van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, bestemd voor woongebouwen en aan- en uitbouwen met de daarbij behorende tuinen, erven en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dit gedeelte van het perceel is voorzien van een bouwvlak maar thans nog onbebouwd. Ingevolge artikel 5.2.2., onder b, is op gronden met deze bestemming het oprichten van nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen niet toegestaan, tenzij sprake is van vervangende nieuwbouw, mits dit niet leidt tot woningvermeerdering. Op grond van het bepaalde in artikel 5.7 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om, onder voorwaarden, het plan te wijzigen in die zin dat op gronden met deze bestemming een bebouwingsmogelijkheid voor nieuwe woningen ontstaat en/of het bouwvlak wordt gewijzigd dan wel nieuwe bouwvlakken worden gecreëerd.

2.10.2. De Afdeling stelt vast dat op het perceel geen woning is opgericht. Anders dan [appellanten sub 5] veronderstellen, volgt uit artikel 5.2.2., onder b, van de planvoorschriften dat op het perceel geen woning kan worden opgericht. Derhalve is er ook geen aan het wonen gerelateerd gebruik als erf of tuin toegestaan. Gelet hierop is met de toekenning van de bestemming niet aangegeven welk gebruik is toegestaan. De raad en het college hebben zich hiervan ten onrechte geen rekenschap gegeven. Het aanwijzen van een bestemming voor gronden zonder dat de bijbehorende planvoorschriften voorzien in een gebruiksmogelijkheid is in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

2.11. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in geding zijnde plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 5] is ook hierom gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden W" voor het achterste gedeelte van het perceel [locatie 5], gelegen aan de Binnenpas. De Afdeling ziet aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plan in zoverre.

2.12. [appellanten sub 5] kunnen zich voorts niet verenigen met de aan het perceel [locatie 5] toegekende aanduiding 'wijzigingsbevoegdheid IV' die het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid biedt de bestemming van het perceel te wijzigen in de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" teneinde de aanleg van een langzaam verkeersverbinding naar de wijk Meurs en Maas mogelijk te maken. Deze wijzigingsbevoegdheid beperkt volgens hen de gebruiksmogelijkheden van het perceel.

2.12.1. Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de planvoorschriften, is het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd de bestemming van de gronden met aanduiding "wijzigingsgebied IV' te wijzigen in de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden teneinde de aanleg van een langzaam verkeersverbinding naar de wijk Meurs en Maas mogelijk te maken.

2.12.2. Het vorige plan voorzag in de aanduiding 'verbinding voor voetgangers en fietsers' langs de oostelijke perceelsgrens en in het deskundigenbericht staat dat er in de bestaande situatie voldoende ruimte aanwezig is om een dergelijke verbinding langs de oostelijke perceelsgrens te realiseren.

2.12.3. De aanduiding 'wijzigingsgebied IV' is thans over het gehele perceel gelegd en omvat daardoor ook de bestaande bebouwing. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad toegelicht dat men daardoor optimaal flexibel is bij het bepalen van de uiteindelijke locatie van de langzaam verkeersverbinding. De Afdeling stelt vast dat, doordat de aanduiding 'wijzigingsgebied IV' over het gehele perceel is gelegd, [appellanten sub 5] meer worden beperkt in hun gebruiksmogelijkheden van het perceel dan in de situatie onder het vorige plan. Het college heeft dit niet onderkend.

2.13. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid en berust het in zoverre niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Het beroep van [appellanten sub 5] is ook hierom gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de aanduiding 'wijzigingsgebied IV' ter plaatse van het perceel [locatie 5]. De Afdeling ziet aanleiding goedkeuring te onthouden aan dat plandeel.

De beroepen van Aldi B.V. en [appellante sub 6]

2.14. Het beroep van [appellante sub 6] is gericht tegen de goedkeuring van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor de percelen [locaties 6] waar een supermarkt (Aldi) en een [installatiebedrijf] zijn gevestigd. Het plan beperkt de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van deze percelen waardoor [appellante sub 6], naar zij stelt, ernstig in haar belangen wordt geschaad. [appellante sub 6] wil haar bedrijfsperceel herinrichten om een praktische en veilige bedrijfsvoering voor de lange termijn te kunnen waarborgen. De keuze voor de bestemmingsregeling is volgens [appellante sub 6] onvoldoende gemotiveerd. Hiertoe voert [appellante sub 6] aan dat de raad vanuit een ruimtelijk-economische en stedenbouwkundige visie heeft gekozen voor een conserverende bestemmingsregeling voor de percelen om in de toekomst ter plaatse woningbouw te kunnen realiseren, maar dat deze visie niet is vertaald in het toekennen van woonbestemmingen aan de percelen, kennelijk omdat verwezenlijking van woningbouw binnen de planperiode niet is te verwachten. [appellante sub 6] acht een dergelijke planologische reservering in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van Aldi B.V. is gericht tegen de goedkeuring van de in het plan opgenomen bestemmingsregeling voor perceel [locatie 7]. Het plan beperkt de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van het perceel waardoor Aldi B.V., naar zij stelt, ernstig in haar belangen wordt geschaad. De keuze voor de bestemmingsregeling is volgens haar onvoldoende gemotiveerd.

2.14.1. De raad stelt dat men zich wat betreft de locatie Nistelrodeweg/Graafsebaan vanuit stedenbouwkundig oogpunt sterker wil oriënteren op woningbouw in plaats van bedrijvigheid. Het gemeentebestuur heeft reeds in 2001 aangeven dat vestiging van een supermarkt op de locatie waar Aldi is gevestigd niet wenselijk is. Rechtstreeks toestaan van uitbreiding van bedrijfsbebouwing ter plaatse is derhalve niet gewenst en het plan is gericht op het conserveren van de bestaande situatie. Ter ondersteuning van deze visie is voor het gebied in de planvoorschriften de bevoegdheid opgenomen de bedrijfsbestemming te wijzigen ten behoeve van woondoeleinden.

2.14.2. Op de percelen [locaties 6] liggen twee bedrijfsgebouwen. Het meest zuidelijk gelegen gebouw is gedeeltelijk in gebruik door Aldi voor een winkel met magazijn. Dit gedeelte van het gebouw heeft de bestemming "Detailhandel". Het bedrijfsgebouw wordt voor het overige gebruikt voor opslag en stalling ten behoeve van het installatiebedrijf en dit deel van de bedrijfsbebouwing heeft de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".

In 2001 is het winkelpand van Aldi uitgebreid en is een nieuw (het meest noordelijk gelegen) bedrijfsgebouw gebouwd voor het installatiebedrijf. Dit gebouw is gedeeltelijk bestemd voor detailhandel en voor het overige voor bedrijfsdoeleinden. Op de percelen rust verder de aanduiding "Wijzigingsgebied IX". Ingevolge artikel 15.9 van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van het gebied met deze aanduiding de op de plankaart weergegeven bestemming te wijzigen in de bestemming "Wonen". Het college acht de economische uitvoerbaarheid van deze wijzigingsbevoegdheid echter onvoldoende gewaarborgd en heeft daarom goedkeuring onthouden aan dit planvoorschrift.

In het deskundigenbericht staat, voor zover thans van belang, dat het vorige plan mogelijkheden bood voor uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing van [appellante sub 6] en Aldi B.V. Het voorliggende plan biedt niet langer de mogelijkheid tot uitbreiding van de bedrijfsbebouwing die in gebruik is door Aldi. Het meest noordelijk gelegen bedrijfsgebouw kan op grond van het voorliggende plan in westelijke richting worden uitgebreid met een oppervlakte van ongeveer 400 m², aldus het deskundigenbericht.

[appellante sub 6] en Aldi B.V. willen de percelen zodanig herinrichten dat Aldi het meest zuidelijk deel van het bedrijventerrein geheel in gebruik heeft en het installatiebedrijf het meest noordelijke deel, met uitbreiding van de bestaande bebouwing in westelijke richting. Daartoe zal het winkelpand van Aldi moeten worden gesloopt en op een andere plaats worden herbouwd en uitgebreid.

2.14.3. De Afdeling stelt vast dat de conserverende planregeling in zoverre onlosmakelijk samenhangt met de wens van de gemeente in de toekomst ter plaatse woningbouw te realiseren. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de wijzigingsbevoegdheid wegens strijd met de rechtszekerheid. Nu uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college heeft bezien of de conserverende planregeling zonder de wijzigingsbevoegdheid nog planologisch aanvaardbaar is, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering.

2.15. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellante sub 6] en Aldi B.V. gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Detailhandel DH" en de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B" ter plaatse van de percelen [locatie 7 en 8].

Het beroep van [appellante sub 2]

2.16. [appellante sub 2] stelt dat het plan haar bestaande rechten aantast. De bestaande bedrijfsgebouwen op de hoek Graafsebaan/Osseweg zijn immers bestemd voor detailhandel in volumineuze goederen, terwijl de in één van de gebouwen gevestigde Boerenbond reguliere detailhandel bedrijft.

2.16.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de activiteiten van de Boerenbond passen binnen de begripsomschrijving van detailhandel in volumineuze goederen zoals neergelegd in de planvoorschriften. Het college acht de keuze van de raad vanuit planologische optiek dan ook aanvaardbaar, ook mede gezien de doelstelling van het plan, namelijk versterking van het winkelconcentratiegebied in het centrum van Heesch. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad toegelicht dat het aanwezig zijn van reguliere detailhandel op deze locatie zich in principe niet verzet tegen de uitgangspunten en de essentie van het bestemmingsplan, waarin concentratie van detailhandel centraal staat. Bestaande detailhandel mag ter plaatse namelijk worden voortgezet. Voor deze locatie geldt dat hier ook de aanwezige volumineuze detailhandel is toegestaan.

2.16.2. De bedrijfsbebouwing op de gronden van [appellante sub 2] heeft de bestemming "Detailhandel DH". Ter plaatse van de bedrijfsbebouwing waarin onder andere de Boerenbond is gevestigd, is tevens voorzien in de aanduiding 'detailhandel in volumineuze goederen toegestaan v'.

Ingevolge artikel 1, onder 30, van de planvoorschriften, wordt onder detailhandel in volumineuze goederen detailhandel verstaan die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling en uit dien hoofde niet binnen het kernwinkelgebied kan worden gevestigd, zoals bouwmarkten, de verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair alsmede woninginrichting waaronder meubels.

Ingevolge artikel 6.1 aanhef en onder a, sub 1 en 3, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor detailhandel aangewezen gronden bestemd voor hoofdgebouwen ten behoeve van:

1. detailhandel;

3. detailhandel in volumineuze goederen, doch uitsluitend waar dit als zodanig is aangegeven op de plankaart.

2.16.3. De Afdeling overweegt dat, voor zover de raad al heeft beoogd reguliere detailhandel niet toe te staan op de gronden van [appellante sub 2], dit uit bovengenoemde planregeling in ieder geval niet volgt. Daaruit volgt namelijk dat ter plaatse reguliere detailhandel is toegestaan en detailhandel in volumineuze goederen slechts is toegestaan op de gronden met de aanduiding 'detailhandel in volumineuze goederen toegestaan v'. Gelet hierop mist het beroep van [appellante sub 2] in zoverre feitelijke grondslag.

2.17. [appellante sub 2] betoogt voorts dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om op het bestaande kantoor op perceel [locatie 9] een extra bouwlaag te plaatsen. Verder is het kantoor feitelijk hoger dan op de plankaart is aangegeven, namelijk 8,20 meter in plaats van 7 meter.

2.17.1. Het plan voorziet voor het kantoor op perceel [locatie 9] in een maximale bouwhoogte van 7 meter. In 1997 is een bouwvergunning verleend voor vergroting van het kantoor, waarbij een bouwhoogte van 7,5 meter boven het aansluitende peil is vergund, inclusief de aanwezige betonrand. De raad stelt dat uit artikel 2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften volgt dat bij het bepalen van de hoogte van een bouwwerk kleine bouwonderdelen niet worden meegerekend. De bestaande hoogte komt daarmee op 7 meter en is als zodanig opgenomen in het plan, aldus de raad. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad toegelicht dat het kantoor conform de verleende bouwvergunning is gebouwd en ook als zodanig is bestemd in het plan. Gelet op het vorenstaande heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het kantoor niet als zodanig bestemd zou zijn in het plan.

De Afdeling stelt verder vast dat het in het plan opgenomen bebouwingsvlak voor het kantoor uitbreiding daarvan mogelijk maakt, maar dat een extra bouwlaag op het kantoor niet mogelijk is, gelet op de ter plaatse maximaal toegestane bouwhoogte. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad toegelicht dat, in tegenstelling tot de andere drie hoeken van de kruising Nistelrodeseweg/Graafsebaan/Osseweg, op de desbetreffende hoek van de kruising geen robuuste wand van bebouwing is gewenst aangezien het kantoor verder van de kruising is gesitueerd dan de bebouwing op de andere hoeken van de kruising. De Afdeling is van oordeel dat daarmee in dit geval onvoldoende is gemotiveerd dat een extra bouwlaag op het kantoor planologisch onaanvaardbaar is, gelet op de bouwmogelijkheden die het plan biedt ten aanzien van de andere hoeken van de kruising en op de afstand van die bebouwing tot de kruising. Het college heeft dit onvoldoende onderkend.

2.18. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Detailhandel DH" ter plaatse van perceel [locatie 9].

2.19. [appellante sub 2] betoogt voorts dat het op perceel [locatie 10] gelegde bouwblok ten onrechte niet de gehele bestaande woning omvat. Anders dan de raad stelt is geen sprake van bijgebouwen die buiten het bouwvlak vallen, het betreft één hoofdgebouw, aldus [appellante sub 2] Voorts wenst [appellante sub 2] een vergroting van het bouwvlak zodat in de toekomst aan- en bijgebouwen kunnen worden opgericht.

2.19.1. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad zich geconformeerd aan het standpunt in het deskundigenbericht, dat de twee delen van de woning aan de [locatie 10] die buiten het bouwvlak liggen geen bijgebouwen betreffen maar onderdeel zijn van de hoofdbebouwing.

2.20. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plan op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden W" ter plaatse van perceel [locatie 10]. De Afdeling ziet aanleiding goedkeuring aan het plandeel te onthouden.

2.21. Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat zij een vergroting van het bouwvlak wenst zodat in de toekomst aan- en bijgebouwen kunnen worden opgericht, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist, aangezien uit artikel 5.2.3., onder c, van de planvoorschriften volgt dat aan- en bijgebouwen buiten het bouwvlak mogen worden opgericht.

2.22. [appellante sub 2] stelt verder dat de woningen aan de [locatie 11] en 4 ten onrechte als zodanig zijn bestemd. De woningen staan leeg en zijn slooprijp en vervangende nieuwbouw ligt niet voor de hand, aangezien de woningen omsloten zijn door bedrijfsbebouwing. Het had volgens [appellante sub 2] vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dan ook meer in de rede gelegen de vrijkomende gronden te bestemmen voor detailhandel in volumineuze goederen.

2.22.1. Aangezien het bestreden besluit, gelet op hetgeen onder 2.18. en 2.20. is overwogen, op een aantal essentiële punten gebreken vertoont, ziet de Afdeling, gelet op de onderlinge samenhang tussen het in 2.22. bedoelde plandeel en de onder 2.18. en 2.20. genoemde plandelen, aanleiding het bestreden besluit ook te vernietigen voor zover dat voorziet in de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden W" ter hoogte van de percelen [locatie 11 en 12].

Het beroep van [appellant sub 7]

2.23. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat hij zich niet kan verenigen met artikel 15.12 van de planvoorschriften, overweegt de Afdeling dat het college goedkeuring heeft onthouden aan dit planvoorschrift. De Afdeling vat het beroep daarom aldus op dat [appellant sub 7] zich er tegen verzet dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd. Hieromtrent wordt overwogen dat door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellant sub 7] zijn gericht, in zoverre aan zijn beroepsgronden is tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college in acht te nemen bij het artikel 30-plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Vaststaat dat het gemeentebestuur voor 1 juli 2008 geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd waarin het besluit tot onthouding van goedkeuring in acht is genomen, zodat voor het planonderdeel waaraan goedkeuring is onthouden, een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008, komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellant sub 7] aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro. Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.24. [appellant sub 7] kan zich voorts niet verenigen met de goedkeuring van de bestemmingsregeling voor de gronden gelegen in de zuidoosthoek van de kruising Nistelrodeseweg/Graafsebaan, grenzend aan zijn perceel. Aan deze gronden is de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduidingen 'wijzigingsgebied XI' en 'wijzigingsgebied XIa' toegekend. [appellant sub 7] betoogt onder andere dat de planbegrenzing vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet logisch is en wijst daarbij op het door hem overgelegde rapport van ir. J. Margry van SAB Eindhoven B.V. van 28 september 2006 (hierna: het rapport). Het college heeft volgens hem miskend dat de raad zijn zienswijze op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd door in reactie op dat rapport enkel de stedenbouwkundige visie van de gemeente te herhalen en te stellen dat de raad een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van het planologische beleid.

2.24.1. De Afdeling stelt aan de hand van de stukken vast dat de raad noch het college inhoudelijk is ingegaan op het door [appellant sub 7] overgelegde rapport. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

2.25. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 7] is reeds hierom gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduidingen 'wijzigingsgebied XI' en 'wijzigingsgebied XIa', voor zover toegekend aan de gronden gelegen in de zuidoosthoek van de kruising Nistelrodeseweg/Graafsebaan. De overige beroepsgronden van [appellant sub 7] behoeven geen bespreking meer.

Proceskostenveroordeling

2.26. Ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 3], [appellanten sub 5], Aldi B.V., [appellante sub 6] en [appellant sub 7] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 7] niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 15.12 van de planvoorschriften;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 7] voor het overige en de beroepen van [appellante sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Aldi Vastgoed B.V. en Aldi Best B.V., [appellante sub 5] en [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C] en [vennoot D] en [appellante sub 6] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 2 oktober 2007, nummer 1265970;

IV. onthoudt goedkeuring aan het bestemmingsplan "Centrum Heesch";

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 oktober 2007;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

A. bij [appellant sub 3] een bedrag van € 36,19 (zegge: zesendertig euro en negentien cent);

B. bij de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Aldi Vastgoed B.V. en Aldi Best B.V. een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

C. bij [appellante sub 5], [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C] en [vennoot D] een bedrag van € 681,79 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro en negenenzeventig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

D. bij [appellante sub 6] een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

E. bij [appellant sub 7] een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant aan de onderscheiden appellanten onder vermelding van het zaaknummer

te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellante sub 1], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere, € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 3], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Aldi Vastgoed B.V. en Aldi Best B.V., met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere, € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellante sub 5] en [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C] en [vennoot D], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellante sub 6] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 7].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

472.