Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200802106/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2008, kenmerk 1059028, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Moerdijk (hierna: de raad) bij besluit van 13 december 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802106/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats] waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2008, kenmerk 1059028, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Moerdijk (hierna: de raad) bij besluit van 13 december 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk".

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2008, [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2008, en [appellanten sub 3] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft het beroep aangevuld bij brief van 24 april 2008. [appellant sub 3] heeft het beroep aangevuld bij brief van 23 april 2008.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2009, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ing. F. Both MSc en mr. A.A. de Bruijn, ambtenaren in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. De Afdeling heeft eerder met betrekking tot het voorliggende plan geoordeeld (uitspraak van 24 januari 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200506955/1&verdict_id=16032&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200506955/1&utm_term=200506955/1">200506955/1</a>), voor zover hier van belang kort weergegeven, dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een bestaande, inpandige bedrijfswoning op het perceel van [appellante sub 1] en voorts dat het college ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door [appellant sub 2] gewenste uitbreiding van zijn bestaande glasopstanden in strijd is met het streekplan Noord-Brabant 2002 "Brabant in balans" (hierna: het streekplan). Ten aanzien van de subbestemming "Caravanstalling (Wc)" die aan het perceel van [appellant sub 3] is toegekend, heeft de Afdeling geoordeeld dat het college ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom dit plandeel niet in strijd is met het streekplan. De Afdeling heeft als gevolg hiervan het eerdere goedkeuringsbesluit van het college van 11 juli 2005 vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestreden plandelen met betrekking tot de percelen van [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3].

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3. [appellante sub 1] oefent in het bedrijfsgebouw op het perceel aan de [locatie 1] te [plaats] een houtbewerkingsbedrijf uit. In het plan is aan het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)", de subbestemming "Onderhoudsbedrijf (Boh)" en de nadere aanwijzing 'zonder woning (zw)' toegekend. [appellante sub 1] wil dat de woning, die reeds in het bedrijfspand aanwezig is, positief wordt bestemd.

2.4. [appellante sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid van het realiseren van een inpandige bedrijfswoning in het bestaande bedrijfspand. Volgens [appellante sub 1] heeft het college in zijn onderzoek naar de inpandige bedrijfswoning alleen een subjectieve interpretatie gegeven van het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, dat is uitgebracht ten behoeve van de procedure genoemd onder 2.2., en daarbij nieuwe eisen gesteld. Verder betoogt zij dat niet duidelijk is wat het college bedoelt met een woning in juridische zin. Het college had dienen te onderzoeken of sprake is van een woning in feitelijke zin. Daarbij betoogt [appellante sub 1] dat het al dan niet voldoen van de woning aan het Bouwbesluit geen voorwerp van onderzoek door het college behoort te zijn en voorts dat de woning wel voldoet aan het Bouwbesluit. Verder stelt zij dat de eigenaar van het pand wel in de inpandige bedrijfswoning woont en niet in een caravan op het perceel, zoals het college stelt. Het college is voorts ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat het gerechtshof van 's-Hertogenbosch bij onherroepelijke uitspraak van 24 januari 2006 heeft vastgesteld dat zich in het gebouw een inpandige woning bevond op het moment dat de huidige eigenaar het pand kocht. Gelet op het voorgaande heeft het college onvoldoende onderzocht of sprake is van een bestaande inpandige bedrijfswoning in het bedrijfsgebouw en heeft het daarmee geen gevolg gegeven aan eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling, aldus [appellante sub 1].

2.5. Het college stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is of in juridische zin sprake is van een woning. Het plaatsen van meubelen, een keukenblok en andere sobere voorzieningen brengt niet met zich dat gesproken kan worden van een woning die voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Volgens het college staat vast dat de eigenaar van het pand waarin de woning zich bevindt, niet in de woning woont maar in een caravan op hetzelfde perceel. Voorts neemt het college in aanmerking dat bij de vraag of een woning als zodanig dient te worden bestemd in het plan, van belang is of sprake is van een bestaande woning, waarbij de eis geldt dat de woning legaal moet zijn opgericht. Voor zover al sprake is van een woning, is deze blijkens informatie van de gemeente illegaal opgericht en is een handhavingstraject ingezet. Het college heeft dan ook opnieuw goedkeuring verleend aan de subbestemming "Onderhoudsbedrijf" met de nadere aanwijzing 'zonder woning (zw)' die is toegekend aan het perceel.

2.6. De Afdeling stelt voorop dat zij in haar eerdere uitspraak reeds heeft vastgesteld dat feitelijk een woning aanwezig is op de eerste verdieping van het bedrijfspand op het perceel aan de [locatie 1] in [plaats], zodat het college in zoverre geen acht hoefde te slaan op het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarnaar [appellante sub 1] verwijst.

De Afdeling constateert voorts dat aan het perceel in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Fijnaart en Heijningen de bestemming "Bedrijven met bijbehorende erven (B)" met de nadere aanduiding 'agrarisch handelsbedrijf' was toegekend. Ingevolge artikel 8, lid A, onder 1, aanhef en onder c en d, van de desbetreffende planvoorschriften was één dienst- of bedrijfswoning toegestaan ten behoeve van een bedrijf gericht op opslag en handel in producten die nodig zijn in de uitoefening van agrarische bedrijven. In artikel 1, onder u, van die planvoorschriften werd onder een dienstwoning verstaan: "een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huishouding daar gelet op de bestemming of het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is".

Het oprichten van een inpandige dienstwoning was derhalve ingevolge het voorgaande bestemmingsplan uitsluitend mogelijk in geval die woning ten dienste zou staan van een agrarisch handelsbedrijf.

2.6.1. De vraag of [appellante sub 1], gezien de huidige feitelijke situatie, aanspraak kan maken op een bestemming voor een bedrijfswoning op het perceel is mede afhankelijk van de vraag of de aanwezige inpandige bedrijfswoning uit juridisch-planologisch oogpunt als een bestaande woning kan worden aangemerkt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarbij van belang is of de woning in het verleden legaal is opgericht. Voor het verbouwen van het bedrijfspand zodanig dat daarin een inpandige woning wordt opgericht is een bouwvergunning ingevolge de Woningwet vereist en niet in geschil is dat tot op heden deze bouwvergunning niet is verleend. Het college heeft in het bestreden besluit derhalve terecht gesteld dat de desbetreffende inpandige woning illegaal is opgericht. Hierdoor is geen sprake van een woning die in juridisch-planologische zin als 'bestaand' dient te worden aangemerkt. Dat de woning feitelijk reeds een aantal jaren aanwezig is, doet hier niet aan af. Het betoog van [appellante sub 1] dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een woning in feitelijke zin, faalt derhalve.

2.6.2. Het provinciale beleid, zoals neergelegd in het streekplan, staat de bouw van nieuwe bedrijfswoningen slechts toe voor bedrijven die functioneel aan het buitengebied zijn gebonden, als dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Niet in geschil is dat het houtbewerkingsbedrijf van [appellante sub 1] niet functioneel aan het buitengebied is gebonden. Nu in juridisch-planologische zin geen sprake is van een bestaande woning, moet het als zodanig bestemmen van de inpandige woning worden beschouwd als het oprichten van een nieuwe woning bij een bedrijf dat niet functioneel is gebonden aan het buitengebied, hetgeen in strijd is met het streekplan.

Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk inmiddels een handhavingsprocedure is gestart met betrekking tot de illegale inpandige bedrijfswoning.

2.6.3. Gelet op het voorgaande heeft het college wat betreft het plandeel met de nadere aanwijzing 'zonder woning (zw)' voor het perceel aan de [locatie 1] te Fijnaart, op juiste wijze gevolg gegeven aan de onder 2.2. genoemde uitspraak van de Afdeling.

2.6.4. Hetgeen [appellante sub 1] betoogt omtrent het Bouwbesluit en het al dan niet bewonen van de inpandige woning, is bij de toetsing van het plan in deze procedure niet van belang en kan in zoverre dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.6.5. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heef aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.7. [appellant sub 2] exploiteert in maatschapsverband een gemengd agrarisch bedrijf aan de [locatie 2] te [plaats], dat bestaat uit een witlofkwekerij, grondgebonden akkerbouw en een glastuinbouwbedrijf ten behoeve van komkommerteelt. Het akkerbouwgedeelte staat feitelijk ten dienste van de witlofkwekerij. [appellant sub 2] wil zijn huidige glasopstanden van 0,7 hectare uitbreiden naar 3 hectare. Aan de gronden van het bedrijf zijn de bestemmingen "Agrarische doeleinden (A)" en "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" toegekend, waarbij het bouwvlak op de plankaart is begrensd rondom de bestaande bebouwing.

2.8. [appellant sub 2] betoogt dat geen sprake is van een omschakeling als bedoeld in het streekplan. Hiertoe voert hij aan dat in het geval van omschakeling wordt overgeschakeld naar een andere bedrijfsvorm en dat is hier niet het geval omdat [appellant sub 2] altijd een glastuinbouwbedrijf ter plaatse heeft uitgeoefend. Daarnaast voldoet volgens [appellant sub 2] zijn bedrijf aan de definitie van glastuinbouwbedrijf in het streekplan. Bovendien verbiedt het streekplan het specialiseren van een bestaand gemengd bedrijf niet, aldus [appellant sub 2]. Anders dan het college stelt, is het bedrijf in het voorgaande bestemmingsplan wel als glastuinbouwbedrijf bestemd, aldus [appellant sub 2].

2.9. Het college heeft dit plandeel goedgekeurd. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat het bedrijf ongeveer 10 hectare aan landbouwgrond en ongeveer 0,7 hectare aan kassen heeft en voorts dat in de witlofkwekerij op jaarbasis acht tot negen personen werkzaam zijn en voor de komkommerteelt in kassen één vaste arbeidskracht in dienst is en één van de leden van de maatschap een volwaardig inkomen daaruit heeft. Gelet op het gemengde karakter van het bedrijf, het areaal landbouwgrond en de personeelsbezetting is volgens het college geen sprake van een gespecialiseerd glastuinbouwbedrijf in de zin van het streekplan. Verder is het bedrijf nooit bestemd als glastuinbouwbedrijf en ook niet als zodanig opgericht. De omstandigheid dat het bedrijf in de loop der tijd is overgegaan op de teelt van komkommers, maakt niet dat daardoor - in strijd met het streekplan - rechten kunnen worden ontleend aan een bestemming glastuinbouw, met de daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden. Daarbij komt de omstandigheid dat het bedrijf zich geheel wil gaan toeleggen op de komkommerteelt. In het bestreden besluit handhaaft het college het standpunt dat geen sprake is van een bestaand glastuinbouwbedrijf, maar van omschakeling van een gemengd bedrijf naar een gespecialiseerd glastuinbouwbedrijf. Een dergelijke omschakeling is in strijd met het streekplan, aldus het college.

2.10. De gronden van het bedrijf van [appellant sub 2] liggen blijkens de streekplankaart in de Agrarische Hoofstructuur (AHS) in de hoofdzone AHS-landbouw en de subzone AHS-overig. Op grond van het streekplan is uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de AHS-landbouw, buiten de vestigingsgebieden en de doorgroeigebieden glastuinbouw, in beginsel toegestaan tot een maximale netto glasopstand van 3 hectare. Voorts geldt blijkens het streekplan voor uitbreiding van bouwblokken van glastuinbouwbedrijven het uitgangspunt dat zich geen overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard mogen voordoen. Niet in geschil is dat de gronden van het bedrijf van [appellant sub 2] niet liggen binnen een vestigingsgebied voor glastuinbouw en dat buiten dergelijke gebieden omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan op grond van het streekplan. Gelet op het bestreden besluit, ziet de Afdeling zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of de gewenste uitbreiding van de glasopstanden naar 3 hectare als omschakeling in de zin van het streekplan moet worden beschouwd.

2.10.1. Het streekplan omschrijft omschakeling van een agrarisch bedrijf als volgt: "Het geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm in een andere agrarische bedrijfsvorm dan wel het overstappen van een niet-agrarisch gebruik in een agrarische bedrijfsvorm."

Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van de definitie zoals die in het streekplan is vermeld mee dat slechts sprake is van omschakeling van een agrarisch bedrijf indien het desbetreffende bedrijf bedrijfsactiviteiten gaat uitoefenen welke het bedrijf tot het moment van omschakelen niet reeds legaal uitoefende. Daarbij constateert [appellant sub 2] terecht dat het streekplan niet verbiedt dat een bestaand gemengd agrarisch bedrijf, zoals het zijne, zich toelegt op één van de reeds bestaande agrarische bedrijfsvormen.

Blijkens de stukken was aan de gronden van het bedrijf van [appellant sub 2] in het voorgaande plan de bestemming "Agrarisch bouwblok" toegekend. Het oprichten van kassen was niet in strijd met deze bestemming. Het college heeft ook niet weersproken dat de bestaande kassen van het bedrijf ter plaatse legaal zijn opgericht en dat de daarin tot op heden verrichte bedrijfsactiviteiten niet in strijd zijn met het voorgaande en het huidige bestemmingsplan. De huidige teelt van komkommers in kassen dient in het kader van de definitie van 'omschakeling' dan ook te worden beschouwd als een reeds bestaande agrarische bedrijfsvorm die niet in strijd met het plan wordt uitgeoefend.

Het college heeft in het bestreden besluit meegewogen dat de bedrijfsvorm met betrekking tot de witlofteelt in omvang aanzienlijk groter is dan de bedrijfsvorm die betrekking heeft op de komkommerteelt en dat het bedrijf van plan is de activiteit met betrekking tot de witlofkwekerij te staken. Dit zijn echter geen aspecten waar het streekplan op ziet. Zij zijn derhalve niet van betekenis bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een omschakeling van een agrarisch bedrijf.

Naar het oordeel van de Afdeling is in het onderhavige geval, waarbij het bedrijf zich toelegt op één van de reeds bestaande legale bedrijfsvormen, zijnde komkommerteelt in kassen, dan ook geen sprake van een omschakeling in de zin van het streekplan.

2.10.2. De Afdeling kan het college niet volgen in zijn standpunt dat het feit dat het bedrijf nooit als glastuinbouwbedrijf is bestemd, mede redengevend is om niet mee te werken aan verdere uitbreiding van de glasopstanden van het bedrijf. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in het plan toegekende bestemming aan het bedrijf dient te worden getoetst aan het streekplan en dat de gronden van het bedrijf van [appellant sub 2] thans deels voor "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" zijn bestemd, waar het college geen goedkeuring aan heeft onthouden.

Nu deze bestemming van het bedrijf niet in strijd is met het streekplan, van omschakeling in de zin van het streekplan geen sprake is en het college geen overwegende bezwaren van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige of milieuhygiënische aard naar voren heeft gebracht, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom de uitbreiding van de glasopstanden van het bedrijf tot maximaal 3 hectare netto in strijd is met het streekplan.

2.10.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de percelen van het bedrijf van [appellant sub 2] met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" aan de [locatie 2] te [plaats], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.11. [appellant sub 3] exploiteert een caravanstalling op het perceel aan de [locatie 3] te [plaats]. De caravans worden gestald in bestaande agrarische bedrijfsgebouwen. Het betreft hier een voormalige landbouwschuur van ruim 490 m2, een kleinere schuur van bijna 100 m2 en een open wagenschuur van ongeveer 69 m2. Aan het perceel is de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de subbestemming "Caravanstalling (Wc)" toegekend.

2.12. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de aanduiding 'Wc' op de plankaart ter plaatse van het perceel aan de [locatie 3] te [plaats]. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voor het bepalen van de maximale oppervlakte voor de caravanstalling moet worden uitgegaan van het streekplan; op grond daarvan is een maximale oppervlakte van 400 m2 toegestaan. Overschrijding van de maximale oppervlakte is op basis van het streekplan slechts toelaatbaar indien sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, hetgeen in dit geval volgens het college alleen geldt voor de landbouwschuur van 490 m2. Daarbij dient zeker te zijn gesteld dat de overtollige bebouwing zal worden gesloopt. Omdat de subbestemming "Caravanstalling (Wc)" in het plan niet is beperkt tot de oppervlakte van de landbouwschuur en niet is gegarandeerd dat de overige bebouwing zal worden gesloopt, komt dit plandeel niet voor goedkeuring in aanmerking, aldus het college.

2.13. [appellant sub 3] betoogt dat uit het heroverwegingsbesluit onvoldoende blijkt welk toetsingskader het college heeft gebruikt. Voorts voert [appellant sub 3] aan dat, gelet op de inhoud van de beleidsnota 'Buitengebied in ontwikkeling' (hierna: de Beleidsnota), het provinciale beleid de mogelijkheid biedt om statische opslag zoals onderhavige caravanstalling tot een oppervlakte van 1.000 m2 als zodanig te bestemmen. Daarom had het college in dit geval de mogelijkheid van afwijking van het streekplan moeten onderzoeken, mede omdat reeds jarenlang op het perceel caravans worden gestald en er geen rechtens te respecteren belang is bij het terugbrengen van de caravanstalling tot 490 m2. Verder betoogt [appellant sub 3] dat het afbreken van met name de kleinere schuur, gelet op de jarenlange bestaande situatie, niet in evenredige verhouding staat tot de met het bestreden besluit te dienen doelen. Anders dan de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak heeft overwogen, kan niet langer worden volgehouden dat in de maximale oppervlakte van 400 m2 uitgezonderd de 'cultuurhistorische bebouwing', alle bijzondere omstandigheden reeds liggen besloten, aldus [appellant sub 3].

2.14. De Afdeling stelt voorop dat uit de bewoordingen van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat het college het plan heeft getoetst aan paragraaf 3.4.12 van het streekplan. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat niet duidelijk is welk toetsingskader het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, faalt het betoog.

2.15. Blijkens paragraaf 3.4.12 van het streekplan is, kort gezegd, hergebruik van voormalige agrarische bebouwing in beperkte mate mogelijk. Voor zover hier van belang, gelden hierbij onder meer de voorwaarden dat de desbetreffende bedrijfsgebouwen een maximale oppervlakte van 400 m2 mogen hebben en overtollige gebouwen moeten worden gesloopt. Daarbij geldt voorts dat ter behoud en bescherming van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing het college kan beslissen af te zien van de toepassing van een of meer van de in het streekplan genoemde voorwaarden.

Op grond van de Beleidsnota is hergebruik van voormalige agrarische bebouwing ten behoeve van statische opslagactiviteiten toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 1.000 m2. Onder opslag van statische goederen wordt volgens de Beleidsnota onder andere opslag van caravans verstaan.

Ten aanzien van de verhouding tussen het streekplan en de Beleidsnota heeft de Afdeling in eerdergenoemde uitspraak het volgende overwogen:

"2.11.4. Het provinciale beleid aangaande nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid op voormalige agrarische bedrijfslocaties is, zoals hiervoor uiteengezet, neergelegd in het streekplan en in de Beleidsnota. Het toetsingskader van het streekplan en het door verweerder toegepaste toetsingskader van de Beleidsnota lopen uiteen, waarbij het streekplanbeleid beperktere mogelijkheden voor het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties kent dan de Beleidsnota. In de Beleidsnota is niet de eis aangaande de bebouwingsconcentratie opgenomen. Voorts wordt in de Beleidsnota toegestaan een grotere oppervlakte voor opslagdoeleinden te gebruiken.

De Afdeling stelt vast dat het toetsingskader dat verweerder heeft toegepast bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de caravanstalling met het provinciale beleid, niet in overeenstemming is met het streekplan.

2.11.5. Ten aanzien van de nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid voorziet de Beleidsnota in beleidsregels die een algehele verruiming bevatten van de in het streekplan opgenomen beleidslijnen. Het streekplan biedt echter geen grondslag voor een dergelijke categorische beleidsverruiming. De in het streekplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid heeft immers betrekking op individuele situaties. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval aan het toetsingskader van de Beleidsnota voorbij moet worden gegaan, voor zover dit toetsingskader een algehele verruiming bevat ten opzichte van het streekplanbeleid aangaande nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid."

Niet is gesteld noch is gebleken dat sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden waardoor over de beroepsgrond met betrekking tot de Beleidsnota thans anders geoordeeld dient te worden. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de eerdergenoemde uitspraak in zoverre niet in acht heeft genomen.

2.15.1. Hoofdstuk 5 van het streekplan biedt de mogelijkheid van de beleidslijnen uit hoofdstuk 3 van het streekplan af te wijken. Het college is bevoegd in die gevallen waarin de handhaving van de beleidslijn gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidslijn te dienen doelen, hiervan af te wijken.

Het betoog van [appellant sub 3] dat vanwege de inhoud van de Beleidsnota niet langer kan worden volgehouden dat in de maximale oppervlakte alle omstandigheden reeds liggen besloten, berust op een onjuiste lezing van de eerdergenoemde uitspraak. In die uitspraak heeft de Afdeling hieromtrent het volgende overwogen:

"2.11.6. (...) De omstandigheid dat de oppervlakte aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing groter kan zijn dan 400 m² en de omstandigheid dat een deel van die bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt alvorens de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf als een caravanstalling mag worden verwezenlijkt, moeten geacht worden te zijn verdisconteerd in het streekplan."

Anders dan [appellant sub 3] betoogt, ligt in de aangehaalde overweging niet het oordeel besloten dat alle omstandigheden reeds in de maximale oppervlakte-eis van 400 m2 zijn verdisconteerd, maar slechts de omstandigheid dat ten gevolge van de maximale oppervlakte-eis in het streekplan in voorkomende gevallen een deel van de bestaande bebouwing gesloopt zal moeten worden. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat vanwege de beleidslijn in het streekplan de kleinere schuur en de open wagenschuur gesloopt zullen moeten worden en dat dit feit een afwijking van het streekplan rechtvaardigt, ziet de Afdeling geen aanleiding om over dit betoog thans anders te oordelen.

Het feit dat in de Beleidsnota een afwijkende maximale oppervlakte-eis is vermeld, is geen omstandigheid die ertoe leidt dat sprake is van gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met de in paragraaf 3.4.12 opgenomen beleidslijn worden gediend en die een afwijking van het streekplan rechtvaardigt. Een ander standpunt zou ertoe leiden dat anders dan via de afwijkingsbevoegdheid van hoofdstuk 5 van het streekplan met een beroep op de in de Beleidsnota opgenomen afwijkende maximale oppervlakte-eis feitelijk alsnog een algehele verruiming van de voorwaarden van het streekplan kan worden bewerkstelligd, hetgeen in strijd is met het onder 2.15. overwogene.

2.15.2. Op grond van het streekplan kan met betrekking tot de cultuurhistorisch waardevolle landbouwschuur van 490 m2 worden afgeweken van de oppervlakte-eis en behoeft deze schuur niet (deels) gesloopt te worden. [appellant sub 3] stelt dat de kleinere schuur van bijna 100 m2 ook cultuurhistorisch waardevol is. Nu deze stelling door [appellant sub 3] niet nader is gemotiveerd en voorts ook uit de stukken niet is gebleken dat hiervan sprake is, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.15.3. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat het jarenlange bestaande gebruik van de schuren als caravanstalling als bijzondere omstandigheid in de zin van hoofdstuk 5 van het streekplan moet worden beschouwd en daarmee een afwijking van het streekplan rechtvaardigt, stelt de Afdeling vast dat het gebruik van de gronden als caravanstalling in het plan voor het eerst als zodanig wordt bestemd. Het feitelijke gebruik als caravanstalling was in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Willemstad, maar dit strijdige gebruik mocht ingevolge artikel 19, tweede lid van de voorschriften van dat plan worden voortgezet.

Hoewel in beginsel aan bestaand gebruik dat in strijd is met een bestemmingsplan geen aanspraak op een bestemming als zodanig kan worden ontleend, heeft het college in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht besteed aan het feit dat het overgangsrecht van het voorgaande plan aanspraak geeft op voortzetting van het bestaande gebruik van de schuren als caravanstalling. Daarbij is van belang dat door de onthouding van goedkeuring aan de aanduiding 'Wc' de schuren op het perceel thans binnen de bestemming "Woondoeleinden" vallen en dat binnen die bestemming geen gebruik als caravanstalling is toegestaan. Als gevolg hiervan zijn de schuren onder het voorliggende plan derhalve onder het overgangsrecht van artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften gebracht, waarin is bepaald dat strijdig gebruik op het tijdstip dat het plan rechtskracht verkrijgt mag worden voortgezet. De Afdeling acht het in strijd met de rechtszekerheid indien bestaand gebruik bij opeenvolgende bestemmingsplannen telkens onder het overgangsrecht wordt gebracht. Daar komt bij dat de raad ter zitting heeft meegedeeld dat het gemeentebestuur geen juridische middelen heeft om handhavend op te treden tegen het bestaande gebruik van de schuren.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval in zoverre geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het streekplan rechtvaardigen.

2.16. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan de aanduiding 'Wc' op de plankaart ter plaatse van het perceel aan de [locatie 3], niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.17. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 1] bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 januari 2008, kenmerk 1059028, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel dat betrekking heeft op de percelen van het bedrijf van [appellanten sub 2] gelegen aan de [locatie 2] te Langeweg, met de bestemmingen "Agrarische doeleinden (A)" en "Agrarische doeleinden, glastuinbouw (Ag)" en daarbij goedkeuring is onthouden aan de aanduiding 'Wc' op de plankaart ter plaatse van het perceel aan de [locatie 3] te [plaats];

III. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 667,59 (zegge: zeshonderdzevenenzestig euro en negenenvijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 2] en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.G.C. Wiebenga, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

12-571.