Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200803887/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Coevorden, voor zover hier van belang, het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2004 tot afwijzing van hun verzoek om handhavend op te treden tegen het horecagebruik van [restaurant] (hierna: de Gasterij), op het perceel [locatie] te [plaats], gegrond verklaard en dat verzoek opnieuw afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2009/2092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803887/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 april 2008 in

zaak nr. 07/534 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Coevorden, voor zover hier van belang, het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2004 tot afwijzing van hun verzoek om handhavend op te treden tegen het horecagebruik van [restaurant] (hierna: de Gasterij), op het perceel [locatie] te [plaats], gegrond verklaard en dat verzoek opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 17 april 2008, verzonden op 23 april 2008, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 mei 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] (hierna: in enkelvoud [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2009, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door ir. R. van der Velde, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Ensing, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [wederpartijen], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Oosterhesselen" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het desbetreffende perceel de bestemming "Jonge Veldontginningen" met de nadere aanduiding "verblijfsrecreatie".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de met deze bestemming aangeduide gronden bestemd voor behoud en herstel van landschappelijke en natuurlijke waarden van jonge veldontginningen en voor de sociaal-economische bestemming verblijfsrecreatie.

Ingevolge artikel 8, zesde lid, van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in het eerste lid omschreven doeleinden.

Ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het bestemmingsplan

- behoudens in dit artikellid bepaalde - en dat bestaat op het tijdstip waarop het plan voor zover betrekking hebbend op de strijdigheid van dat gebruik van kracht wordt, worden voortgezet en/of gewijzigd, mits door die wijziging de strijdigheid met het plan niet wordt vergroot.

2.2. Niet in geschil is dat de Gasterij anders dan ten behoeve van verblijfsrecreatie wordt gebruikt en dat dit gebruik in strijd is met de van toepassing zijnde bestemming.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van de Gasterij als horecagelegenheid onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt. Volgens [appellant] was reeds op de peildatum het merendeel van de bezoekers van de Gasterij afkomstig van buiten het bungalowpark "Het Zuiderveld".

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de peildatum voor het gebruiksovergangsrecht niet 27 januari 2000, zijnde de datum waar het college in het besluit van 8 mei 2007 vanuit ging, maar 26 juni 1997 is.

De vraag of de Gasterij toentertijd voornamelijk werd bezocht door gasten die afkomstig zijn van buiten het bungalowpark, kan evenwel in het midden blijven. Blijkens de stukken is de Gasterij in 2004 uitgebreid met een aangebouwde serre, die wordt gebruikt als eetzaal. Er is derhalve sprake van een wijziging van het gebruik waardoor de strijdigheid met het bestemmingsplan wordt vergroot. Gezien de nauwe samenhang tussen het gebruik van de serre en van het overige restaurantgedeelte geldt dit voor het gehele pand. Verder moet op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting worden aangenomen dat ten tijde van het besluit van 8 mei 2007 het aantal bezoekers van buiten het bungalowpark was toegenomen ten opzichte van de situatie op de peildatum, zowel in absolute zin als in verhouding met het aantal bezoekers dat wél afkomstig van het bungalowpark. Gelet op het vorenstaande kan geen beroep worden gedaan op het overgangsrecht van artikel 15 van de planvoorschriften. Het betoog faalt.

2.4. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal ingeval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, nu in december 2007 een voorbereidingsbesluit is genomen en een voorontwerp van een nieuw bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

2.5.1. Het betoog faalt. Voor de beantwoording van de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat is het moment van de beslissing op de bezwaar bepalend. Ten tijde van het besluit van 8 mei 2007 was slechts sprake van een voorontwerp van een nieuw bestemmingsplan en was het nog niet duidelijk of een ontwerp-bestemmingsplan in procedure kon worden gebracht. De rechtbank heeft, gelet hierop, terecht geoordeeld dat geen sprake was van concreet zicht op legalisatie.

Het feit dat - zoals [appellant] betoogt - vertraging is opgetreden in de procedures die moeten leiden tot legalisatie, kan evenmin als bijzondere omstandigheid gelden op grond waarvan van handhaving moet worden afgezien.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

190-564.