Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200805181/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) verzoeken van [appellante] om handhavend op te treden tegen illegale dempingen ter hoogte van de [locatie 1] en in de Langeraarse plassen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009/202 met annotatie van A. van Hall
JOM 2010/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805181/1/H2.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 mei 2008 in zaak nr. 07/415 in het geding tussen:

[appellante] en anderen

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) verzoeken van [appellante] om handhavend op te treden tegen illegale dempingen ter hoogte van de [locatie 1] en in de Langeraarse plassen afgewezen.

Bij besluit van 1 november 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2008, verzonden op 27 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2009, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. G.M.C. Marmelstein, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Lanting, werkzaam bij het Hoogheemraadschap Rijnland, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door J.A. Ruiter, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college een verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen illegale dempingen door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ter hoogte van de [locatie 1] en in de Langeraarse plassen afgewezen, op de grond dat tegen deze dempingen niet handhavend kan worden opgetreden, omdat in het verleden daartegen niet is opgetreden. Voor de dempingen in de Langeraarse plassen geldt bovendien dat deze zo gering zijn dat dit niet tot waterstaatkundige bezwaren leidde.

Het besluit op bezwaar van 1 november 2006 strekt tot handhaving van dat besluit. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het college bij [belanghebbende A] en [belanghebbende B] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat niet handhavend tegen de illegale dempingen zou worden opgetreden.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat het college zich bij de afweging van de bij de weigering handhavend op te treden betrokken belangen op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevolgen van de dempingen van geringe waterstaatkundige aard en ernst zijn. Voorts heeft het college van belang mogen achten dat het bij [belanghebbende A] en [belanghebbende B] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat niet zou worden opgetreden tegen de illegale dempingen, alsmede dat sinds de uitvoering van de dempingen een groot tijdsverloop heeft plaatsgevonden. Het college heeft ten slotte in redelijkheid bij de belangenafweging kunnen betrekken dat de kosten die handhaving voor de overtreders met zich meebrengen niet in verhouding staan tot het geringe waterstaatkundige voordeel. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank bij afweging van de bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid deze belangen zwaarwegender kunnen achten dan de belangen van [appellante], nu er geen direct verband is tussen de dempingen en de gevolgen van het nieuwbouwplan Rijkelijkhuizen waartegen [appellante] ageert en [appellante] de Langeraarse Plassen vanaf haar perceel kan bereiken.

2.3. Dat [appellante] thans geen eigenaar meer van de woning aan de [locatie 2] te [plaats] is, leidt, anders dan het college betoogt, niet tot het oordeel dat [appellante] geen belang meer heeft bij het hoger beroep, nu zij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij door de weigering van het college handhavend op te treden tegen de illegale dempingen haar woning tegen een lagere prijs heeft moeten verkopen waardoor zij vermogensschade heeft geleden. Dat is voor het aannemen van procesbelang voldoende.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college mag weigeren handhavend op te treden. Daartoe betoogt [appellante] onder meer dat de rechtbank ten onrechte het tijdsverloop sinds de uitvoering van de dempingen heeft betrokken bij haar oordeel. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat het college bij [belanghebbende A] en [belanghebbende B] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat niet zal worden gehandhaafd en dat zij financiële compensatie hebben betaald voor hun overtredingen. Voorts betoogt [appellante] dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het plan Rijkelijkhuizen niet had kunnen worden gerealiseerd zonder de door [belanghebbende A] aangeplempte gronden.

2.4.1. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

De rechtbank heeft, onbestreden in hoger beroep, vastgesteld dat de dempingen van de wateren door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] in strijd zijn met de Keur, zodat het college bevoegd is handhavend op te treden, en voorts, dat niet in geschil is dat deze dempingen bij gebreke van een verzoek om ontheffing van de Keur niet kunnen worden gelegaliseerd.

Gelet hierop is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college van optreden behoorde af te zien.

2.4.2. Het college gaat ervan uit dat het college door de hogere verkoopprijs die hij heeft gevraagd voor de door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] aangeplempte gronden bij [belanghebbende A] en [belanghebbende B] vertrouwen heeft gewekt dat hij niet zou optreden tegen de illegale dempingen. In beginsel kan een door het bestuursorgaan gewekt vertrouwen bij de overtreder leiden tot het oordeel dat handhavend zodanig onevenredig is dat het bestuursorgaan van handhaving dient af te zien. In het onderhavige geval staat daar evenwel het belang van [appellante] in de weg. Dat sinds de uitvoering van de dempingen een groot tijdsverloop heeft plaatsgevonden leidt evenmin tot het oordeel dat het college van handhaving dient af te zien. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, leidt dit tijdsverloop niet tot het oordeel dat het college het recht om te handhaven heeft verwerkt.

Dat de kosten die handhaving door het college voor [belanghebbende A] en [belanghebbende B] met zich meebrengt niet in verhouding staan tot het geringe waterstaatkundige voordeel, is een omstandigheid die voor rekening van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] moet blijven, nu de illegale situatie niet kan worden gelegaliseerd als gevolg van hun weigering een verzoek om een ontheffing van het dempingsverbod op grond van de Keur te doen.

Gelet hierop is de rechtbank ten onrechte tot de conclusie gekomen dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de met de handhaving te dienen doelen dat het college van optreden behoorde af te zien.

2.4.3. Het betoog van [appellante] slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 november 2006 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het college dient daarbij te betrekken of legalisatie van de huidige situatie alsnog mogelijk kan worden gemaakt. Het college dient in verband met de specifieke omstandigheden van dit geval [belanghebbende A] en [belanghebbende B] daartoe in staat te stellen een verzoek om ontheffing in te dienen. Bij de beoordeling van dat verzoek dient het college te bezien of vanwege de in het kader van de weigering handhavend op te treden als bijzonder aangemerkte omstandigheden, grond bestaat om af te wijken van de vigerende beleidsregel "Nota Dempingen en verhard oppervlak" ten aanzien van de daarin opgenomen te plegen fysieke compensatie door het graven van water. Voorts dient het college bij het nemen van een nieuw besluit de schade die [appellante] stelt te hebben geleden door het niet-handhavend optreden tegen de dempingen in de periode tot aan de verkoop van haar huis in ogenschouw te nemen.

2.6. Het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat nadere besluitvorming is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 mei 2008 in zaak nr. 07/415;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland van 1 november 2006, kenmerk 06.24665;

V. draagt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het Hoogheemraadschap Rijnland aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. veroordeelt het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het Hoogheemraadschap Rijnland aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat het Hoogheemraadschap Rijnland aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

362.